De klaagzangen van Monteverdi snijden na 350 jaar door de ziel

ß8Concert: La Capella Reial de Catalunya en Hesperion XX o.l.v. Jordi Savall. Werken van Monteverdi: madrigalen Boek VIII en delen Mariavespers en Selva morale e spirituale. Gehoord: 27/11 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 Vara 3/12 20.02u.

ß8Concert: Guillemette Laurens, sopraan en Capriccio Stravagante met Skip Sempé, klavecimbel. Werken van Monteverdi: Lamento d'Arianna, madrigalen Boek VII en anderen. Gehoord: 27/11 Concertgebouw Amsterdam.

La piu essential parte dell'opera, zo omschreef Claudio Monteverdi - vandaag 350 jaar geleden overleden - in 1620 het genre van het lamento: de klaagzang als het centrum van de opera. En het ontroerendste lamento, zo noteerde Giovanni Battista Doni, chroniqueur en apologeet van de vroege 17de eeuwse Italiaanse muziek is het Lamento d'Arianna - van wie anders dan Monteverdi.

Voordat dit enig bewaarde fragment van de opera L'Arianna vijftien jaar na de opvoering in 1608 in druk verscheen, maakte Luigi Rossi er een kopie van om de klaagzang daarna nog vele malen te kopiëren - en Rossi was niet de enige.

Virginia Andreini had de rol van Arianna omdat haar voorgangster plotsklaps was overleden aan de pokken slechts in enkele dagen uit haar hoofd te leren. Geen probleem en haar grote succes viel waarschijnlijk te verklaren uit de volgende samenloop van omstandigheden: L'Arianna is de eerste grote opera, waarbij alles rond één figuur is gecentreerd en volgens de beschrijvingen had zij de uitstraling van een Callas. Maar naar mijn smaak heeft deze muziek zich vooral in het geheugen van de barok genesteld, omdat het ideaal van het sprekende zingen, tot aan Sprechgesang toe, hier voor het eerst werkelijk is verwezenlijkt.

Sopraan Guillemette Laurens, die zaterdagavond bij het ensemble Capriccio Stravangante in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw de klaagzang een centrale plaats had gegund, zong met grote intensiteit. Het klonk Callas-achtig dramatisch, nerveus gespannen om niet te zeggen overspannen: als een mes zo scherp in de hoogte en extra donker aangezet in het borstregister, handenwringend geëmotioneerd - kortom verscheurend.

In Tempro la cetra uit het Zevende madrigalenboek maakte die gestileerde rauwheid plaats voor een fluisterende liefdeszang van hemelse allure. Want ook deze kwaliteit lag - ondanks een kleine indispositie - binnen het bereik van deze veelzijdige zangeres. Daarnaast verdient zij een compliment voor de spontaan overkomende geraffineerde versieringen, vooral gewaagd in het begin van het Lamento.

Naast deze wat tekst en muziek betreft geraffineerd uitgewerkte en doorgecomponeerde monodie werd het genre van de zangimprovisatie over een steeds terugkerende bas - een eenvoudiger vorm - zo mogelijk nog populairder. Aanvankelijk was het gelegenheidskunst, amusement met B-status, maar sinds Monteverdi vast verankerd als een serieus te nemen elitekunst met A-status. Deze terugval in de primitiviteit - zeker in een vergelijking met de hoog ontwikkelde polyfonie van de late 16de eeuw - is klaarblijkelijk noodzakelijk geweest om weer een sprong voorwaarts te kunnen maken.

Zaterdagmiddag in de Grote Zaal van het Concertgebouw zong Montserrat Figueras een van Monteverdi's meest aansprekende canti amorosi, het Lamento della Ninfa. En ook zij zong allerminst luchtig, al was het maar vanwege haar harde Spaanse medeklinkers, maar dan toch opeens met een opvallend ingehouden slotfrase die door de ziel sneed.

Jordi Savall had zijn musici van Hesperion XX voorgesteld als in een jam-session en zo klonk het voor de pauze ook: spontaan en rommelig, vertrouwend op solistische routine. De wisselvallige resultaten waren er naar. Maar een vergelijking tussen Hesperion XX en Capriccio Stravagante is niet fair. Waar Jay Bernfeld zijn gambaspel geheel op de snel wisselende emoties van Guillemette Laurens afstemde - wat Monteverdi ook van de instrumentalisten eist - viel dat in de Kleine Zaal uitstekend waar te nemen, tot elk accent zoals een verfijnd pizzicato toe. Maar dergelijke verfijningen waren in de Grote Zaal vrijwel zonder zin. De gescheiden opstelling in twee groepen zangers, uit elkaar getrokken door de centraal geplaatste Basso continuo-groep, werkte ook al niet mee om finesses te bereiken.

Na de pauze revancheerden Savall en de zijnen zich. Alle veertien vocalisten van de Capella Reial de Catalunya traden aan voor fragmenten uit Monteverdi's Mariavespers (1610) en de tweede belangrijke publikatie met geestelijke werken, de Selva morale e spirituale (1641).

Tijdens het luisteren naar de achtstemmige hymne Ave maris stella realiseerde ik me dat in een vooraankondiging ons Spaanse tijdgenoten als Guerrero en De Victoria waren beloofd. Want niet eerder hoorde ik zo'n typisch Spaanse donker gonzende uiterst trage hymne, met weer in de ingehouden slotfrases zo'n uitdrukking van smartelijk lijden. Oppervlakkig gezien is die vergelijkbaar met de 'ijzigheid' waaraan Rinuccini's tekst in het Lamento della Ninfa refereert. Maar Monteverdi's kwellende dissonanten - of het nu zijn wereldlijke dan wel religieuze kunst betreft - zijn daarbij toch te veel door muzikale zoete kussen overdekt om welke Spaanse ascese dan ook te kunnen rechtvaardigen.

Met woedende tranen schreeuwt de nimf het uit, zo schrijft Rinuccini. Maar aan het slot vermengt Amor vlam en ijs voor de liefhebbende harten. Monteverdi was geen masochist, dat zijn Italianen die te veel aan het leven hechten nu eenmaal zelden. De bitterheid in het Lamento, la piu essential parte dell'opera, werd overwonnen in de zang, maar niet onderstreept.