Conflict in kunstwereld over oud bloemstilleven

Een vroeg bloemstilleven is de inzet van een slepend conflict over de toepassing van de Wet tot Behoud van Cultuurbezit. Voor de tweede maal buigt een commissie van WVC zich morgen over een verzoek dit kunstwerk te schrappen van de lijst van beschermd cultureel erfgoed. Zeven vooraanstaande kunsthistorici hebben een protestbrief geschreven aan de minister. Volgens een oud-hoogleraar bestuursrecht schendt zij alle beginselen van behoorlijk bestuur.

Het verkeert in niet al te beste staat en het hangt al jaren in het depot van museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam. Onzichtbaar voor het publiek. Toch is het Bloemstilleven in kuip in 1985 op de lijst gezet van beschermd cultureel erfgoed, behorend bij de Wet tot Behoud van Cultuurbezit. Dit schilderij, dat destijds nog werd toegeschreven aan Jan Brueghel de Oude (1568-1625) en beschouwd als een sleutelstuk in de ontwikkeling van het bloemstilleven, is de inzet van een slepend conflict over de toepassing van die wet. Sinds de inwerkingtreding in 1985 hebben eigenaren van kunstvoorwerpen twaalf keer een vermelding op de lijst aangevochten, waarvan vier keer tot voor de Raad van State. Slechts een keer kreeg een eigenaar gelijk: bezittingen van een joodse gemeente in Amsterdam moesten van de lijst worden geschrapt vanwege een vormfout in de beroepsprocedure. Bij de zaak rond de 'Brueghel', die morgen zijn tweede beroepsronde in gaat, staat niet alleen het kunsthistorische belang van dit stilleven ter discussie. De vraag is ook of de minister zich wel aan haar eigen wet houdt.

Sinds 1989 vecht de Duitse verzamelaar D. Doll de plaatsing van de 'Brueghel' aan. Doll heeft in 1988 een koopoptie gekregen op het paneel, dat behoort tot de particuliere kunstcollectie Thurkow, maar wil het pas kopen als hij het mee naar huis kan nemen. De 185 voorwerpen en 27 verzamelingen op de lijst mogen het land echter niet verlaten zonder toestemming van de minister van WVC. Ze mogen zonder voorafgaande toestemming evenmin worden vervreemd, geveild, bezwaard met leningen, verhuurd, in bruikleen gegeven of bij een boedelscheiding aan een niet-ingezetene worden toebedeeld. De overheid kan de verkoop van een beschermd voorwerp naar het buitenland een jaar tegenhouden. Daarna moet ze het zelf kopen, of export alsnog toestaan.

Doll wil dat het stilleven van de lijst geschrapt wordt omdat het, zoals zijn advocaat Paul Russell in september 1992 voor de Raad van State betoogde, minder belangrijk bleek dan tot dan toe was aangenomen. Niet het Thurkow-paneel zou de originele en kwalitatief beste versie zijn van de maar liefst achttien nog bekende exemplaren, maar een schilderij in Wenen. Het Thurkow-paneel bleek, in tegenstelling tot wat de beschrijving op de lijst vermeldde, niet gesigneerd. Het zou geen sleutelstuk zijn, maar een kopie, hoogstens van de hand van Jan Breughels minder getalenteerde zoon of van diens atelier. Russell beriep zich daarbij op het oordeel van de Haagse kunsthistoricus Albert Blankert. Bovendien, voerde hij aan, bezit het Rijksmuseum een vrijwel identieke kopie, beter van uitvoering en in een veel betere toestand. Het Rotterdamse werk zou daarom voor Nederland niet 'onvervangbaar' en 'onmisbaar' zijn, kernbegrippen uit de Wet tot Behoud van Cultuurbezit. Voor de Arob-rechter kwamen deze 'nieuwe feiten' destijds te laat om ze nog in zijn uitspraak te betrekken.

Niet bekend

De Raad voor het Cultuurbeheer, het onafhankelijke adviesorgaan van de minister dat adviseert over de samenstelling van de lijst, heeft in haar laatste advies laten blijken niet onder de indruk te zijn van Dolls nieuwe argumenten. Robert de Haas, directeur van de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) die de wet uitvoert, sluit zich bij de raad aan: “Dat zich een vergelijkbaar exemplaar in Nederlands openbaar kunstbezit bevindt, maakt niet uit. Nergens in de wet staat dat 'uniek' betekent dat er maar één mag zijn. Het mogen er best twee zijn. Tegen musea voor hedendaagse kunst zeg je ook niet dat er maar één in Nederland een Warhol mag bezitten.” De tegenwerping dat de lijst bedoeld is voor topstukken en niet voor kopieën daarvan, veegt De Haas van tafel: “Wij beheren geen postzegelverzameling, waar je alle doublures wel uit kunt gooien.” En van de stelling dat het Rijksmuseum-exemplaar van betere kwaliteit zou zijn is hij ook niet overtuigd: “Onze deskundige meent van niet.”

Die deskundige is de Amsterdamse botanicus en kunsthistoricus Sam Segal, gespecialiseerd in het bloemstilleven. Op basis van zijn oordeel is het schilderij indertijd geplaatst op de lijst. Segal heeft sinds het optreden van Blankert zijn mening echter herzien. Hij geeft nu toe dat het beste en oorspronkelijke exemplaar van Jan Brueghel de Oude zich inderdaad bevindt in Wenen. Toch zou het Thurkow-paneel volgens Segal wel gedeeltelijk eigenhandig door Jan Brueghel de Oude geschilderd zijn.

Volgens de Raad voor het Cultuurbeheer blijft met Segals uitspraak de grond tot plaatsing op de lijst overeind. De raad stelt bovendien dat het werk 'niet vanwege het belang van de schilder' op de lijst gezet is, maar 'op grond van het feit dat bloemstillevens van deze grootte en van deze verfijnde techniek en uitvoerige bewerking uit deze periode in Nederland verder niet voorkomen.' Dat het Rijksmuseumstuk van betere kwaliteit is, ontkent de deskundige van de raad immers.

Een door de advocaat van Doll geraadpleegde emeritus hoogleraar in het bestuursrecht en het onroerend goed-recht in Delft en Amsterdam, P. de Haan, is er niet over te spreken dat de minister de motivering voor plaatsing op de lijst achteraf naar believen van nieuwe interpretaties voorziet. “Ze zwalkt van de ene redenering naar de andere. De op de lijst vermelde redenen tot plaatsing zijn echter bindend.” Ook de overheid hoort zich te houden aan de wet die zij zelf gemaakt heeft, meent hij. In plaats van het schilderij zonder mankeren te schrappen toen diverse oorspronkelijke redenen voor plaatsing niet meer bleken te gelden, heeft de minister totnogtoe “alle beginselen van behoorlijk bestuur gelijktijdig geschonden - met name die van rechtszekerheid, zorgvuldigheid en motivering.”

Na de tweede weigering tot schrapping in juni van dit jaar schreven ook zeven vooraanstaande kunsthistorici een protestbrief aan het ministerie. De groep bestaat uit onder anderen Simon Levie, voormalig hoofddirecteur van het Rijksmuseum, J. Nieuwstraten, oud-directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Dokumentatie, Egbert Haverkamp Begemann, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de New York University, J. Bruyn, oud-hoogleraar kunstgeschiedenis aan de universiteit van Amsterdam, en Albert Blankert. Zij allen zijn van mening dat het exemplaar in het Rijksmuseum van betere kwaliteit is. De rapportage van Segal aan de RBK kan, stellen zij, 'als kunsthistorisch werkstuk niet serieus worden genomen'. Ze dringen aan op het inschakelen van 'onderzoeker(s) van kaliber, zonder vooraf ingenomen standpunt.'

De ondertekenaars vinden dat de minister zich niet bij elke nieuwe beroepsronde zou moeten baseren op dezelfde deskundige. Desgevraagd zegt De Haas (RBK) niet in te zien waarom: “De minister heeft de beste deskundige in Nederland er bij gehaald.” Dat de briefschrijvers daaraan twijfelen deert hem niet: “Dat is typisch zo'n kunstargument. Degene die iets afwijst is altijd ondeskundig.” Cunera Heyning, die als juriste van de RBK in de hoorzitting optreedt voor de minister, valt hem bij: “Als ik heel eerlijk ben, dan vind ik dat er nooit inhoudelijke argumenten te geven zijn in een kunsthistorisch debat. Hoe weeg je nou het ene bloemetje tegen het andere?”

Juist die subjectiviteit heeft Blankert reeds bij de eerste beroepsronde getracht te ondervangen. Hij heeft geprobeerd het kunsthistorische kennerschap - het vermogen om op grond van visuele vergelijking schilderstijlen te identificeren - een zo objectief mogelijke grondslag te geven door ervaren collega's te onderwerpen aan een 'blind' onderzoek. Hij toonde ze series dia's met detailopnamen van de werken uit het Rijksmuseum, uit Museum Boymans-van Beuningen en uit Wenen, zonder te zeggen over welke werken het ging, en vroeg een oordeel over de kwaliteit. Allen kwamen tot dezelfde waardering als hijzelf. Alleen Segal, onderworpen aan dezelfde procedure, bleef gedeeltelijk bij zijn oude standpunt. Ook de minister toonde zich niet overtuigd.

Bob Haak, de deskundige die in de Commissie Wet Behoud Cultuurbezit verantwoordelijk is voor de schilderkunst tot 1900, stelde vorig jaar al dat natuurwetenschappelijk onderzoek uitsluitsel zou kunnen bieden. De briefschrijvers zijn verbaasd dat inmiddels niet tenminste een eenvoudig dendrochronologisch onderzoek is uitgevoerd. Daarmee kan, via bestudering van de jaarringen in het hout, worden vastgesteld wanneer een boom geveld is. Mocht die datum ruimschoots na 1600 blijken te liggen, dan zou daarmee bewezen zijn dat het Thurkow-stuk geen zeer vroeg bloemstilleven van de hand van Jan Brueghel de Oude is. De minister acht dergelijk onderzoek echter 'niet relevant.'

    • Kitty Kilian