Willekeur bij toelatingseisen ergert schaatscoach Gemser

BERLIJN, 27 NOV. Wereldbekerwedstrijden, de Nederlandse kampioenschappen, de Europese kampioenschappen, de Residentie Cup, de Zilveren schaats en de NK afstanden. Het zijn traditionele schaatsevenementen die dit seizoen slechts als tussenstations dienen voor de Winterspelen. Op 12 februari wordt in Lillehammer de olympische vlam ontstoken, een dag later is de eerste schaatswedstrijd in Hamar.

Dat lijkt al dichtbij, maar voor veel rijders is er nog een lange weg te gaan. Ze kennen de komende maanden slechts een tegenstander: de limiet die is opgesteld door het Nederlands Olympisch Comité en de schaatsbond. De selectiedrempel ligt dit seizoen nogal hoog. De KNSB wil met een kwalitatief sterke formatie aan de start verschijnen in Hamar. Het oeroude olympische credo “meedoen is belangrijker dan winnen” gaat niet meer op. Bovendien wordt ook gekeken naar het kostenaspect. Want Noorwegen is een duur land.

De sprinters en vrouwen kijken met jaloerse blikken naar het mannelijke elitekorps van Ab Krook. Dit groepje hoeft zich niet te verlagen tot een ordinaire limietenstrijd. Zij moeten zich bij de wereldtop scharen en dan zit het wel snor. Zandstra, Ritsma, Veldkamp en Schreuder zijn bovendien genomineerd, hetgeen inhoudt dat ze alleen maar vormbehoud hoeven te tonen. En voor het merendeel is dat geen probleem omdat de concurrentie weinig voorstelt. Op de eerste dag van de wereldbekerwedstrijd in Berlijn, werd Falko Zandstra weliswaar op de 1500 meter geklopt door de Noorse mijlspecialist Adne Söndral (154,89), maar het kon Krook zijn humeur niet bederven, want na de Friese wereldkampioen die in 1.55,64 tweede werd, eindigden Arjan Schreuder (1.55,94) en Rintje Ritsma (1.56,10) op de derde en vierde plaats. “Je ziet dus, dat het kwaliteitsgehalte van onze kernploeg zo hoog is dat het geen zin heeft om voor ons limieten op te stellen”, glunderde Krook niet gehinderd door enige bescheidenheid. “Want een plaats bij de eerste acht op bijvoorbeeld een evenement als dit wordt als norm ook geaccepteerd. Het NOC legt voor ons dezelfde maatstaven aan als voor de Spelen in Albertville. Het lijkt me goed dat er alleen naar de onderlinge krachtsverhoudingen wordt gekeken.”

Zijn collega van de vrouwenkernploeg Henk Gemser zat gisteren wat eenzaam op de verlaten tribunes van het Sportforum-stadion met de stopwatch in de handen naar de mannen te kijken. Het was misschien wel symptomatisch voor het gevoel waarmee hij momenteel rondloopt in het schaatsmetier. Gemser voelt zich met name in de steek gelaten door Ard Schenk die zich heeft teruggetrokken uit de schaatsbond om zich geheel te kunnen concentreren op zijn werk als chef de mission van de olympische ploeg. Met het opstellen van de limieten voor de vrouwenploeg is de voormalige schaatscrack wél onverbiddelijk geweest. Voor veel dames zal Hamar daardoor altijd een olympische droom blijven. De 2.06,50 op de 1500 meter lijkt vooralsnog alleen haalbaar voor Annamarie Thomas. En de 4.25,00 op de drie kilometer zou gezien de huidige persoonlijke records slechts voor Thomas en Carla Zijlstra tot de mogelijkheden behoren. Maar het gaat Gemser nog niet eens om de messcherpe limieten. Hij ergert zich vooral aan de willekeur. En ergens spreekt er uit de handelwijze van Schenk ook een vorm van minachting ten opzichte van zijn vrouwengroepje.

Gemser heeft de afgelopen week met behulp van de Begeleidings Commissie Kernploegen zijn grieven geuit bij het NOC. Maar hij botste tegen een muur. “Er is bij de mannen meer ruimte voor discussie”, zegt Gemser verbitterd. “Waarom worden Thomas Bos en Annamarie Thomas op een andere manier gewogen? Ik ontdek een verschillende benadering. Annamarie is nog jong en heeft meer mogelijkheden voor de toekomst. Waarom Schenk zo te werk gaat? Kennelijk wordt aan het belang van de mannenploeg meer waarde gehecht. Vrouwen mogen niet achtergesteld worden. Daar blijf ik voor vechten. Bij de mannen is geen duidelijkheid. De jeugdige Martin Hersman kan op de 1500 meter ook de sterren van de hemel rijden. Hij heeft al eens 1.55 laten noteren. Mag hij dan naar de Spelen? Ook voor zo'n jongen is het belangrijk dat er een uniforme regeling komt.”

Gemser tast in het duister wat exact de beweegredenen zijn van het NOC om er zo'n streng regime op na te houden. De limieten zijn niet te vergelijken met de normen van het Internationaal Olympisch Comité. “Er wordt kennelijk gemikt op een kleine afvaardiging”, zegt hij verbitterd. “Ik begrijp niet helemaal waarom. Goed, je moet kwaliteitseisen stellen. Maar de kosten worden op het evenement zelf toch voornamelijk gedekt door het IOC? De Polen sturen bijvoorbeeld zoveel mogelijk deelnemers omdat het verblijf in Hamar toch niets kost. Schenk zegt dat er straks wel sprake zal zijn van enige tolerantie als de rijdsters de limieten niet halen. Maar zo werkt dat bij mij niet. De regelgeving moet duidelijk zijn. Net zo goed als ik wil weten wat de status is van de limieten. Als ik volgende maand naar Calgary ga met mijn kernploeg dan komen mijn rijdsters misschien wel aan die tijden. Maar dan zegt Schenk: 'Nee, dat telt niet'. Voor 1 januari ben je hoogstens genomineerd. Als je daarna de limiet rijdt word je rechtstreeks aangewezen.”

Sprintcoach Wopke de Vegt zit in feite in dezelfde positie als Gemser. Hij maakt zich alleen minder druk om het limietenspook. Of het is een vorm van zelfbeheersing uit lijfsbehoud. Geen enkele Nederlandse sprinter kwam gisteren in Berlijn aan de NOC-eis van 37.20. Gerard van Velde, in eigen land op eenzame hoogte, eindigde op een tiende plek met 37.63, een seconde achter de Japanse winnaar Hiroyasu Shimizu. En bij de vrouwen bleef Christine Aaftink met 42.20 ruim een seconde verwijderd van een ticket voor Hamar. Zij lijkt royaal over haar hoogtepunt heen. Beiden zijn weliswaar genomineerd, maar ze moeten toch wel aantonen dat ze op de Spelen wat te zoeken hebben. Van Velde: “Ik maak me geen zorgen. Op het WK sprint in Calgary (29 en 30 januari, red.) kom je heel gemakkelijk aan die limiet. Daar rijdt iedereen in de 36. Maar ik ken rijders, uit de gewesten, die deze kans niet wordt geboden. Zij hebben de ziekte in, want zij komen zo nooit in Hamar.” Wopke de Vegt doet er 't liefst het zwijgen toe. “Ik denk de oorzaken te kennen van het slechte optreden van Aaftink. Maar ik wil eerst met mijn medische staf en haar praten voordat ik die prijsgeef. Ik reken erop dat het NOC straks coulant is als een rijder zich bij de beste tien kwalificeert. Voor Van Velde zal het geen probleem zijn. Hij gaat zeker nog vorderingen maken.”

    • Erik Oudshoorn