W.E.B. DU BOIS; Patroonheilige van zwart Amerika

W.E.B. Du Bois: Biography of a Race, 1868-1919 door David Levering Lewis 735 blz., geïll., Henry Holt and Company 1993, ƒ 74,20 ISBN 0 8050 2621 5

Voor zwart Amerika is 27 augustus 1963 om twee redenen een historische datum. In Washington hield dominee Martin Luther King Jr. tijdens de grote protestmars voor gelijke burgerrechten, zijn wereldbewegende 'I have a dream'-toespraak. Diezelfde dag stierf op vijfennegentigjarige leeftijd W.E.B. Du Bois in zijn nieuwe vaderland Ghana. 'The old man died,'' zo ging het gerucht door Washington alvorens Roy Wilkins, de toenmalige voorzitter van de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP), het nieuws aan de demonstrerende menigte bekendmaakte en een moment van stilte vroeg. 'Al koos in zijn latere jaren dr. Du Bois een andere richting, het is onloochenbaar dat aan de dageraad van de twintigste eeuw hij de stem was die ons hier voor onze zaak opriep,'' zo sprak Wilkins plechtig.

Dertig jaar na zijn dood staat W.E.B. Du Bois nog altijd volop in de belangstelling. Door de zwarte intelligentsia wordt hij als een soort van patroonheilige gekoesterd. Du Bois was onder meer historicus, socioloog, schrijver, dichter, agitator, activist, propagandist, panafrikanist, socialist en op zijn oude dag ook nog communist. Veel van zijn geschriften zijn pure 'klassiekers' geworden, en verschijnen telkens weer in herdruk of in bloemlezigen ('The Souls of Black Folk', Penguin 1993; 'Black Reconstruction in America', Atheneum 1992; en 'W.E.B. Du Bois: a reader', Collier 1993).

De nieuwste aanwinst in de onophoudelijke stroom boeken over zijn werk en leven het onlangs verschenen W.E.B. Du Bois: Biography of a Race, 1868-1919 van de hand van David Levering Lewis. Eerder maakte Lewis, die aan de gerenommeerde Rutgers Universiteit de 'Martin Luther King'-leerstoel bekleedt, al naam met onder meer 'When Harlem was in vogue'. Zijn laatste werk is een monumentaal eerste deel van een tweedelige Du Bois-biografie. Het boek is met veel sympathie voor de hoofdpersoon geschreven, zonder dat Lewis te veel in heldenverering vervalt. De auteur gaat zelfs de kleinste details niet uit de weg, maar blijft bijzonder onderhoudend. Het boek, met een voortreffelijk notenapparaat van maar liefst honderdtwintig pagina's, is in Amerika al geprezen als een meesterwerk en maakt aanspraak op de kwalificatie 'de definitieve Du Bois-biografie'.

TROTS

William Edward Burghardt Du Bois (uitgesproken met op het einde een hoorbare 's') werd in 1868 geboren in een plattelandsstadje in de noordelijke staat Massachusetts. Door zijn aderen vloeide Afrikaans, Frans, Nederlands maar god zij dank geen Angelsaksisch bloed, zo zou Du Bois later verzuchten. Zijn vader was een uit Haïti aangewaaide gelukszoeker die kort na de geboorte van zijn zoon spoorloos verdween. Met racisme kreeg Du Bois in zijn jeugd betrekkelijk weinig te maken. Het was eerder juist andersom: de kleine zwarte gemeenschap in zijn stad keek neer op de altijd dronken Ierse en Zuidduitse paupers die in de plaatselijke fabrieken sloofden.

Op zijn zeventiende trok Du Bois naar de zuidelijke staat Tennessee om er te studeren. Het was daar in de zwarte wereld van de Fisk Universiteit dat Du Bois zich pas goed bewust werd van zijn raciale identiteit. Later zou hij schrijven: 'Mijn Amerikanisme maakte plaats voor een nieuwe binding en loyaliteit; voortaan was ik neger, en ik was daar trots op.'' Een gevoel een missie te hebben begon zich in hem te ontwikkelen, terwijl hij daarbij mijmerde dat voor de verheffing van zijn 'ras' een krachtig iemand als Bismarck nodig was, aldus Lewis.

Na Fisk kreeg de briljante Du Bois een studiebeurs voor Harvard. Als zwarte student in een blanke universiteit zou hij daar een totaal vereenzaamd bestaan leiden, afgezien van de goede contacten die hij had met eminente hoogleraren als William James en George Santayana. Vervolgens verbleef Du Bois twee jaar in Berlijn waar hij onder meer college liep bij de onverstaanbaar mompelende Heinrich von Treitschke. Terug in Amerika behaalde Du Bois als eerste Afro-Amerikaan een doctorstitel aan Harvard, met een imposant historisch-economisch proefschrift over de slavenhandel. Door de Universiteit van Pennsylvania werd hij kort daarna uitgenodigd om naar Philadelphia te komen. Die stad herbergde in die tijd van de noordelijke steden de grootste zwarte gemeenschap. Meer dan een jaar leefde Du Bois met zijn kersverse vrouw in het zwarte getto temidden van 'vuiligheid, dronkenschap, armoede, moord en misdaad''. Het resultaat was 'The Philadelphia Negro' (1899), een monument van modern empirisch-sociologisch onderzoek. Du Bois vond bij zijn Amerikaanse collega's weinig erkenning, maar hij was de enige Amerikaanse socioloog die publiceerde in Max Webers toonaangevende tijdschrift 'Archiv für Socialwissenschaft und Sozialpolitik'.

In 1903 verscheen 'The Souls of Black Folk'. Dit boek, een potpourri van eerder verschenen artikelen, zou de bijbel worden van zwart Amerika. De profetische openingszin in het voorwoord luidde: 'Het probleem van de twintigste eeuw is het probleem van de 'colorline' - de verhouding tussen de donkere en de lichtere rassen...'' Het zou het meest aangehaalde citaat uit zijn oeuvre worden. Een andere vermaarde sleutelzin werd: 'An American, a Negro... two souls, two thoughts, two unreconciled strivings: two warring ideals in one dark body.'' De vraag naar de eigen identiteit, de innerlijke gespletenheid en de dubbele loyaliteit, de marginaliteit en 'onzichtbaarheid' van de neger in het racistische Amerika, zijn vertrapte ziel maar tegelijk ook zijn unieke bewustzijn en spiritualiteit, het dilemma van integratie versus segregatie, van assimilatie versus de koestering van het eigen culturele erfgoed - het waren allemaal thema's waarmee in de Afro-Amerikaanse literatuur nog eindeloos mee geworsteld zou worden.

VINGERS

De groeiende controverse tussen Du Bois en de populaire zwarte voorman van die tijd Booker T. Washington, loopt als een rode draad door Lewis' boek. Rassenverzoening stond bij Washington voorop. De 'apartheid' in het zuiden van Amerika praatte hij zelfs goed door de 'rassen' te vergelijken met de vingers van een hand: gescheiden, maar toch een harmonisch samenwerkend geheel vormend. Het strijden voor gelijke burgerrechten en sociale gelijkheid achtte hij volkomen zinloos omdat dat juist de blanken extra zou provoceren tot agressieve represailles. De emancipatie van het zwarte volksdeel zou, aldus Washington, het meest gebaat zijn bij raciale zelfhulp en ambachtelijke scholing. Naar dat idee wist Washington in Tuskegee in de zuidelijke staat Alabama een bloeiende zwarte nijverheidsschool te stichten.

Du Bois van zijn kant beschouwde Washington als een wat naïeve proletarische 'Uncle Tom' die rijkelijk werd gefinancierd door filantropische geldschieters als Carnegie en Rockefeller. Zelf lanceerde hij de idee van een intellectueel getrainde zwarte elite die moest voorgaan in de emancipatiestrijd. Het waren volgens hem immers de elites (zowel zwart als blank) die de zuiverende en bewegende krachten van de geschiedenis waren. In 1905 zou Du Bois de zwarte (Afro-)Amerikaanse elite, die hij zou aanduiden als de 'Talented Tenth', verenigen in de zogenoemde 'Niagara Movement' (genoemd naar de plek van oprichting, net over de grens in Canada). De militante 'Niagara Movement', bestaand uit een handvol licht getinte en maatschappelijk succesvolle Afro-Amerikanen uit het noorden, bleek echter geen partij voor Washingtons machtige 'Tuskegee machine'. Dit was een 'onzichtbaar' landelijk netwerk van Washington-stromannen, dat onder meer de Afro-Amerikaanse pers, de filantropische geldstromen en de ambtelijke benoemingen van zwarten in handen had.

Overigens schrijft Lewis dat Booker T. Washington in werkelijkheid minder een 'Uncle Tom' was dan door Du Bois werd voorgesteld. Washington had in het intens racistische zuiden weinig speelruimte en kon dan ook weinig anders doen dan een Faustiaans dubbelpact sluiten met de zuidelijke voorstanders van de 'apartheid' en de rijke filantropen uit het noorden. In een recente biografie over Washington is bovendien aan het licht gekomen, zo meldt Lewis, dat achter de schermen Washington wel degelijk op zijn eigen manier hard streed voor gelijke burgerrechten. Lewis interpreteert de tegenstelling tussen Washington en Du Bois vooral als een botsing van twee culturen: de als slaaf geboren pragmatische ritselaar uit het zuiden tegenover de noordelijke compromisloze intellectueel uit het Victoriaanse New England.

Ruim aandacht heeft Lewis voor Du Bois' persoonlijke leven. Du Bois, zo meent de schrijver te weten, zou in zijn jeugd hebben geleden aan een oedipaal castratie-complex, maar zou daarvan zijn verlost toen hij als pril student door zijn ongelukkige hospita min of meer werd verkracht. Over zijn verblijf in Europa schreef Du Bois in zijn dagboek dat 'wijn, vrouwen en gezang'' hem menselijker hadden gemaakt. En later klaagde hij openlijk dat hij als lustige jongeling ernstig te kort kwam bij zijn preutse 'tot maagd opgeleide'' vrouw. Niettemin slaagde hij erin, zo merkt Lewis alert op, om eerst een zoon en daarna een dochter bij haar te verwekken. Zijn zoon stierf op jeugdige leeftijd aan difterie, zijn dochter groeide op tot een dwarse puber die ook op een kostschool in Engeland niet te handhaven viel. Du Bois' vrouw had buiten de kleine dingen des levens geen interesses. Het kwam nooit tot een echtscheiding, aldus Lewis, doordat Du Bois voor vriend en vijand niet wilde beantwoorden aan het stereotiepe beeld van het gebroken zwarte gezin.

RASSENRELLEN

Na 1900, toen de grote zwarte migratiestroom uit het zuiden naar het industriële noorden op gang kwam, werd het raciale klimaat steeds grimmiger. Lynch-partijen en rassenrellen kwamen nu niet alleen meer in het zuiden voor, maar in toenemende mate ook in de noordelijke steden. Ter bestrijding van het raciale geweld ontstond in 1909 Amerika's oudste burgerrechtenorganisatie, de NAACP.

Du Bois, die als socioloog werkzaam was aan de zwarte Universiteit van Atlanta, besloot 'zijn ivoren toren van statistiek en waardevrije wetenschap'' te verlaten om, naar eigen zeggen, propagandist te worden 'to protest and assail the ears of America''. Hij voegde zich bij de blanke NAACP-oprichters en werd hoofdredacteur van het NAACP-blad, 'Crisis'. Daarin nam hij alles en iedereen onder vuur waarbij hij racisme bespeurde: het Witte Huis, het Congres, de lagere overheden, de Republikeinen, de Democraten, maar vooral ook de vakbonden die systematisch de zwarten uit hun gelederen weerden. 'Crisis' zou een voor die tijd astronomische oplage van meer dan 100.000 exemplaren bereiken. De aanwezigheid van blanken binnen de NAACP beschouwde hij als een noodzakelijk kwaad. Vanwege hun geldelijke inbreng en politieke invloed waren zij onontbeerlijk, maar allergisch als hij was voor alles wat naar bevoogding riekte, kwam hij voortdurend met hen in botsing.

Hoewel Du Bois een soort 'Black Power'-agitator avant la lettre was, zou hij door nog radicaler zwarten beschuldigd worden van 'Uncle Tomisme'. Aanleiding was zijn controversiële artikel 'Close Ranks' waarin hij ten tijde van de Eerste Wereldoorlog het zwarte volksdeel opriep de grieven te vergeten en schouder aan schouder in de oorlog mee te vechten. Zijn gespletenheid speelde hem parten, aldus Lewis. Du Bois zou de hoop hebben gehad dat de loyaliteit van het zwarte volksdeel zou worden beloond met gelijke burgerrechten. Wellicht ter compensatie van zijn eerdere positie klonk na de oorlog Du Bois in zijn fameuze artikel 'Returning Soldiers' strijdbaarder dan ooit: 'We Return. We return from fighting. We return fighting. Make way for Democracy!...'' Van gelijke burgerrechten kwam echter helemaal niets, 1919 zou zelfs het jaar worden van de 'rode zomer' van bruut racistisch geweld tegen de uit Europa teruggekeerde zwarte soldaten.

VERBITTERING

Tijdens zijn leven kreeg Du Bois de naam van 'vader van het pan-afrikanisme'. In zijn opvatting vormden de Amerikaanse zwarten in de wereldwijde zwarte strijd voor emancipatie en dekolonisatie een voorhoede. In zijn jeugd droomde hij er al van een groot Afrikaans rijk te stichten. In 1918 organiseerde Du Bois in Parijs het Eerste Pan-Afrikaanse Congres, waar hij voorstelde om van de Duitse bezittingen in Afrika een onafhankelijke staat te maken. De Afrikaanse aanwezigen liepen echter nog te zeer aan de leiband van hun koloniale heersers. De resolutie die werd aangenomen kwam dan ook niet verder dan de stelling 'dat de inheemse bewoners van Afrika een stem moesten krijgen in hun bestuur en wel zo snel als hun ontwikkeling dat zou toelaten''.

Lewis heeft acht jaar gedaan over het eerste deel van 'W.E.B. Du Bois: Biography of a Race'. Het wachten is nu op deel twee. Ook dat kan uitermate boeiend worden, want met het vorderen der jaren werd Du Bois' leven er bepaald niet saaier op. Te noemen vallen de wederzijdse verkettering tussen hem en de populaire leider van de 'Terug naar Afrika beweging', Marcus Garvey, die hem zou uitmaken voor een 'tragische halfbloed', Du Bois' groeiende verbittering over Amerika en de manier waarop hij het slachtoffer werd van de Koude Oorlog.

In 1948 royeerde de NAACP hem wegens zijn progressieve sympathieën. Kort daarop, tijdens McCarthy's heksenjacht, werd hij gearresteerd en zelfs even in de boeien geslagen op verdenking een agent te zijn van een buitenlandse mogendheid. De intrekking van zijn paspoort werd in 1968 ongedaan gemaakt. Daarna bracht hij een bezoek aan de Sovjet-Unie en communistisch China waar hij met veel eerbetoon werd onthaald.

In 1961 trad hij definitief toe tot de communistische partij. Kwame Nkrumah, het staatshoofd van het net onafhankelijke Ghana, nodigde hem uit terug te keren naar het land van zijn voorvaderen. Daar sprak Du Bois kort voor zijn dood: 'Mij rest niet veel tijd meer. Maar nu zal mijn leven stromen in de krachtige, jonge stroom van het Ghanese leven die de Afrikaanse persoonlijkheid verheft tot haar juiste plaats onder de mensheid. En mijn leven en werk zullen niet vergeefs zijn geweest.''