'VS begrepen Somaliërs niet'

Wilhelm Huber, directeur van de afdeling Oost-Afrika van de Oostenrijkse organisatie SOS Kinderdorf, bleef als enige buitenlandse hulpverlener in de Somalische hoofdstad Mogadishu toen daar in 1991 de hel losbrak. Volgens Huber hebben de Amerikanen nooit iets van de Somaliërs begrepen, maar hebben de Somaliërs zelf hun eigen toekomst vergooid. Huber ontving donderdag in Den Haag de Wateler Vredesprijs voor zijn werk in Somalië.

Het kinderdorp dat Wilhelm Huber opbouwde in Mogadishu, bedoeld voor de opvang van wezen, staat op het grondgebied van krijgsheer Aideed, die maandenlang gezocht werd voor de moord op VN-soldaten. In het dorp staan een school die in gebruik is als veldhospitaal, een kraamkliniek en een crèche. Er werken driehonderd Somaliërs en er wonen ongeveer 150 kinderen.

Aideed kan zich sinds vorige week weer in het openbaar vertonen omdat de Verenigde Naties het arrestatiebevel tegen hem hebben ingetrokken. Huber kent hem, maar heeft hem al maanden geen contact meer met hem. “Toen begin 1991 de slag tussen Aideed en zijn rivaal Ali Mahdi begon zijn we opgehouden zaken met hen te doen. Dat was niet makkelijk. Ze richtten allebei ministeries van gezondheid en welzijn op, en bedolven ons onder de brieven waarin stond welke vergaderingen we allemaal moesten bezoeken. Al die post hebben we genegeerd.”

Een van de redenen dat veel andere hulporganisaties Mogadishu hebben moeten verlaten is volgens Huber dat ze hun onpartijdigheid niet konden volhouden. “Ze hadden het moeilijk omdat ze moesten kiezen of ze zich in het deel van Aideed of in het deel van Ali Mahdi zouden vestigen. Die verhuurden hun voor harde dollars verlaten gebouwen van eerdere regimes. Maar als je daarvan gebruik maakt kun je nog maar in één gebied werken, want aan de andere kant vinden ze dat je bij de vijand hoort.” SOS Kinderdorf is al sinds 1984 in Mogadishu en had genoeg bezittingen om niet afhankelijk te worden van de clans.

Een ander groot probleem voor de hulporganisaties was volgens Huber de mentaliteit van de bevolking. “Somaliërs hebben heel goed door wanneer er wat te halen valt. Als je een kind behandelt en een familielid dat erbij staat vraagt om even een injectienaald vast te houden, dan komt hij aan het eind van de dag om zijn salaris vragen. En als je dat niet geeft dan komt hij de volgende dag terug met leden van zijn clan die hun wapens op je richten.” Veel hulporganisaties konden dit probleem volgens Huber uiteindelijk alleen nog maar oplossen door hun personeel te evacueren.

Huber maakte eind vorig jaar van nabij de invasie van de Amerikanen mee die het verscheurde Somalië moest redden. Met vele journalisten en “met koffie en broodjes” was hij getuige van de aankomst van de militairen. “Die waren goed geïnstrueerd, dat kon je zien. Ze hadden te horen gekregen: jullie komen terecht in een hel waar niet gepraat wordt maar geschoten en daar moeten jullie naar handelen. De eerste uren gingen erg goed. Ze richtten controleposten in en begonnen aan de ontwapening van het personeel van de hulporganisaties.” Maar de entourage was anders dan de Amerikanen hadden verwacht. Ze deden hun werk onder het oog van camera's en applaudisserende Somaliërs. Huber: “Dat veroorzaakte verwarring. Opeens leek het belachelijk om hard op te treden. 'We moeten een ander gezicht laten zien', dachten ze. Toen stelden ze zich aardig op, nodigden Somaliërs uit om naar hun werk te komen kijken, gooiden snoep uit het raam voor de kinderen. En als je dan terug wilt naar een hard optreden gelooft geen mens je meer.”

Gedurende de hele operatie hielden de Amerikanen volgens Huber hun twee gezichten, dat van de vriendelijke missionarissen en dat van de harde jongens. In geen van beide opstellingen was plaats voor werkelijk respect voor de Somaliërs. Huber denkt dat de operatie heel anders verlopen was als de Italiaanse VN-militairen meer invloed hadden gehad. “Ik heb de Italianen in actie gezien, ze hadden een controlepost vlak bij het dorp. Ze waren vriendelijk, maar ook vastberaden in hun acties èn consequent. Niet de ene dag een controlepost bemannen en de volgende twee weer niet.” In tegenstelling tot de Amerikanen wonnen de Italianen de achting van de bevolking. “De Amerikanen konden dat niet hebben en beschuldigden de Italianen ervan deals met Aideed te sluiten en zelfs wapens te leveren.” Huber gelooft daar niets van. “Het is mogelijk dat ze een dialoog met de krijgsheren probeerden open te houden, maar dan met allemaal, niet met eentje.” De Italianen verlieten Mogadishu in september uit protest tegen het optreden van de Amerikanen.

De Amerikanen hebben volgens Huber nooit begrepen hoe ze de Somaliërs moesten behandelen. “Je kunt alleen met ze omgaan als je eerlijk optreedt en ze altijd een stap voor blijft. Je moet dingen doen die ze zelf niet beter kunnen doen. En als je een fout maakt kun je het verder vergeten. Als iemand een pistool tegen je hoofd zet en zegt: geef me tienduizend dollar en jij zegt: goed, dan ben je verkocht.” Huber heeft dit regelmatig meegemaakt. Als hij het verzoek weigerde werden de Somaliërs kwaad en schoten in de lucht, maar uiteindelijk won hij er hun respect mee.

Twee weken geleden bracht Huber, die niet meer permanent in Mogadishu verblijft, weer een bezoek aan het kinderdorp, voor het eerst sinds de bescherming van de nabije Italiaanse controlepost was verdwenen. Hij was blij te zien dat dorp nog steeds functioneert. “Dat bewijst dat we werkelijk geaccepteerd zijn door de bevolking. Alle andere projecten in de stad zijn wel een keer geplunderd. Wij niet.” Maar de sfeer in de stad vond hij onheilspellender dan ooit. “De weg van het vliegveld naar het dorp is vijftien kilometer lang en loopt tussen de ruïnes. Militairen zie je daar niet, die blijven in de kazernes. Er zijn alleen jonge bandieten in personenauto's die wachten tot ze iemand kunnen beroven. Ook zijn er nu sluipschutters, die had je eerder niet.”

De dagelijkse leiding van het kinderdorp is sinds het vertrek van Huber in handen van het overgebleven Somalische personeel, afkomstig van veel verschillende clans. Huber: “De leiders staan onder grote druk van de clans, die gunsten van hen verwachten. Die leiders zijn trouwens de mensen die eerst het onderhoud deden, de toiletten repareerden en de spijkers in de muur sloegen. Zij zijn gebleven toen de eerdere managers het voor gezien hielden en ze hebben zich ontpopt tot de werkelijke leiders.”

Hoewel Huber niet enthousiast is over de Amerikaanse inmenging in Somalië, vindt hij dat de Somaliërs de misère aan zichzelf te danken hebben. “De Somaliërs heeft prachtige kansen gehad om iets van het land te maken. Kansen die weinig anderen hadden, er was een paar jaar lang zoveel geld beschikbaar dat we moeite hadden het allemaal uit te geven.” De geldstroom ligt nu droog. Na de beelden van Somaliërs die Amerikaanse lijken door de straten slepen is voor Somalië weinig sympathie meer over.