VELDKAMPS GENADELOZE PEN

Herinneringen 1952-1967. Le carnaval des animaux politiques door prof.dr. G.M.J. Veldkamp; bewerkt door P.G.T.W. van Griensven en J.M.M.J. Clerx 232 blz., geïll., Sdu Uitgeverij 1993, ƒ 39,90 ISBN 90 12 08044 4

Gerard Veldkamp moet een kwaadaardig genoegen aan de beschrijving van zijn ministersjaren hebben beleefd. Hoewel hij zelf niet zonder ijdelheid was, had hij klaarblijkelijk weinig op met de ijdelheid van anderen, getuige deze dagboeknotitie: 'Schmelzer op bezoek. Hij is nu al vier jaar staatssecretaris en heeft nog nooit bij een staatsbezoek een decoratie gehad. Tussen al het andere wel gedecoreerde publiek voelt hij zich - zoals hij zegt - min of meer als een ober.' Veldkamp had daar zo mee te doen dat hij bij De Quay stappen deed om Schmelzer bij het bezoek van een buitenlandse regering een lint te bezorgen. 'Zo kreeg Schmelzer zijn eerste Grootkruis.'

Op een andere bladzijde legt hij een mooi tafereeltje vast waarin de jonge staatssecretaris Schmelzer premier Drees bedankt dat hij aan de behandeling van een bepaald punt in de ministerraad mocht deelnemen, zonder te beseffen dat hij de mores schoffeerde door het woord te nemen. Hij kreeg van Drees de kous op zijn kop, maar om een andere reden dan hij had verwacht: het was Drees opgevallen dat Schmelzer op zijn bureau een bord had geplaatst met de weidse titel 'Staatsecretariaat van Binnenlandse Zaken, Bedrijfsorganisatie en Bezitsvorming'. Nu hij er toch was, wilde hij hem wel zeggen dat dit onmiddellijk verwijderd moest worden, omdat de Grondwet alleen ministeries of departementen van algemeen bestuur kende en geen staatssecretariaten.

De anekdote met de meest opvoedkundige waarde komt uit de lijkrede die de waarnemend fractievoorzitter van de KVP in de Tweede Kamer, Andriessen sr (de vader van Frans), in 1961 wijdde aan het aftreden van de zwakke minister Charles van Rooy (de vader van Yvonne). Andriessen sympathiseerde met de zojuist afgetreden minister, maar dat weerhield hem er niet van zijn geestverwant een zwakke figuur te noemen, die niet in staat gebleken was de taken die hem waren opgedragen, behoorlijk te vervullen. 'Ik wind hier geen doekjes om: het is hier een parlement, waar men de dingen moet kunnen zeggen.' Voor Veldkamp was die uitspraak een staatkundige beginselverklaring waarmee hij volledig instemde: hij hield van het parlementair debat (vooral met deskundigen op het gebied van de sociale wetgeving in de Eerste Kamer) en hij was vooral een dualist. Van vooroverleg tussen ministers en Kamerfracties - een gewoonte die er na zijn tijd in kwam - was hij niet gediend.

Veldkamp had een slechter voorbeeld voor zijn memoires kunnen kiezen dan de Dagboeken van de Britse Labour-minister Richard Crossman ('The diaries of a Cabinet Minister' en 'The Diaries of a Backbencher'). Veldkamps memoires over zijn Haagse jaren (eerst staatssecretaris, daarna minister in acht kabinetten over een periode van vijftien jaar) staan zowel op het punt van de (ruim gedocumenteerde) organisatie van zijn herinneringen als qua onverschrokkenheid in de Britse traditie. De in 1990 overleden oud-minister van sociale zaken en volksgezondheid heeft daarmee een ongewoon openhartig en on-Nederlands boek nagelaten, dat in belangwekkendheid en levendigheid niet voor de Crossman-diaries onderdoet. In Nederlandse politieke memoires worden in de regel kolen en geiten gespaard en reputaties ontzien.

In Veldkamps memoires krijgt Schmelzer er regelmatig genadeloos van langs, omdat deze het in zijn eigen dagboek (beschreven door Robbert Ammerlaan) volgens hem met de waarheid niet al te nauw nam. Het is jammer dat Veldkamps dagboekaantekeningen niet bij zijn leven (en veel eerder) zijn gepubliceerd, want een groot aantal floretsteken die hij vooral aan zijn katholieke partijgenoten uitdeelt (veel meer dan aan politici van andere overtuigingen), hebben intussen aan scherpte verloren. Maar dat neemt niet weg dat zijn talrijke sarcastische observaties over het politieke gedrag van zijn katholieke partij- en ambtgenoten nog altijd amusante lectuur vormen.

ZEURKOUS

Vooral in pregnante, korte typeringen van de geestverwante politici die hij tot de konkelaars rekende, toont Veldkamp zich op zijn best. De Quay was politiek te klein van stuk, niet recht door zee en volkomen ongeschikt voor het premierschap. Hij zat de ministerraad voor als 'de commissaris van de koningin die leiding geeft aan het college van gedeputeerde staten van een provincie'. Marijnen was iemand die 'de politieke geschiedenis zich nauwelijks zal herinneren', die zijn stukken niet kende en op een 'De Quay-achtige' manier leiding gaf aan zijn kabinet. Klompé was een zeurkous die een te klein departement had (Maatschappelijk Werk) en doorlopend probeerde de politieke portefeuilles van haar collega's te rollen. Ze barstte een keer in huilen uit, waarna De Quay hem sommeerde 'aardiger voor Marga te zijn'.

Veldkamp bezat een paar eigenschappen die hem niet geliefd maakten bij de machthebbers van de Katholieke Volkspartij in de jaren vijftig, die vaak eendrachtig tegen hem samenspanden om zijn politieke ambities te beteugelen. Het Engelse motto dat hij gebruikt om zijn voorkeur voor sterke ministers te illustreren is veelzeggend: 'Strong ministers were still their own men'. Dat gold in het bijzonder voor Veldkamp zelf, die zowel zijn ambtenaren krachtig bij de hand nam als zijn partijgenoten de waarheid zei. Evenals Cals had Veldkamp daarbij de gewoonte een intrigant een intrigant te noemen. Ter afwisseling noemde hij het viertal Schmelzer, De Quay, Aalberse en Klompé, dat hem enige malen het premierschap onthield, stokers en samenzweerders. Maar behalve zijn scherpe tong werkte vooral zijn politieke beginselvastheid bij De Quay c.s. op de zenuwen. Bij kabinetsformaties telden voor Veldkamp niet de personen, maar de begrotingsafspraken. De striktheid die hij bij kabinetsformaties en in begrotingsonderhandelingen aan de dag legde, bestempelde hem in het gezelschap van lichtzinniger partijgenoten al gauw tot lastpost, maar dank zij die rigiditeit stelde hij enkele sociale wetten veilig, die anders pas veel later tot stand waren gekomen of misschien wel nooit het Staatsblad zouden hebben bereikt.

Hoewel Veldkamp een door en door loyaal KVP'er was, was hij een onorthodoxe christen-democraat, die in het midden van de jaren zestig, toen de KVP een groot deel van haar electoraat begon te verliezen, tot veler verrassing meer voelde voor de oprichting van een progressieve volkspartij dan voor de stichting van een nieuwe christelijke partij. Op belangrijke momenten sympathiseerde hij meer met de PvdA dan met de VVD, en meer met Drees dan met de coryfeeën van zijn eigen club. Voor Drees had Veldkamp een immense bewondering (Drees had op zijn beurt grote waardering voor Veldkamp). De wizard uit de Beeklaan stond naar zijn mening terecht in hoog aanzien bij brede lagen van het Nederlandse volk. Drees had een 'bijna perfecte feeling, die hem in staat stelde moeilijke politieke situaties vlijmscherp te analyseren'. De Quay, Veldkamps politieke en godsdienstige geestverwant, daarentegen 'miste zowel de brede politieke ervaring als de bijna perfecte politieke feeling'.

Veldkamp had het misleidende uiterlijk van een bourgondiër, die gemakkelijk doorging voor een vrolijke frans. Hij hield van goed gezelschap, beminde de wijn en lokte geroddel uit door zich op zijn reizen naar het buitenland door zijn secretaresse te doen vergezellen. Maar achter die façade van soms lawaaierige vrolijkheid ging een politieke vormvastheid schuil die door velen werd onderschat. Hij was de meest consistente programmatische denker die de katholieke staatkunde heeft voortgebracht. En daarbij was hij ook nog een legislatief genie.