Tsjechische rechtsstaat nog in kinderschoenen

PRAAG, 27 NOV. “Soms ben ik bang dat een cliënt overlijdt voordat zijn zaak voorkomt. Als je hier een klacht indient en alles goed loopt wordt over een jaar de eerste zitting gehouden. Als de tegenpartij niet komt opdagen wordt de zitting geschorst en kun je er nog een jaar bijtellen.” Pavel Rychetský was van juni 1990 tot juni 1992 vice-premier van de Tsjechoslowaakse federatie en verantwoordelijk voor de hervorming van het rechtssysteem van Tsjechoslowakije.

Er gaat bijna geen dag voorbij of een van de ministers van de Tsjechische coalitieregering - vooral premier Václav Klaus heeft er een handje van - doet wel een uitspraak dat de metamorfose van de Tsjechische republiek tot democratie, gebaseerd op de beginselen van rechtsstaat en markteconomie, voltooid is en dat het land eigenlijk wel rijp is om opgenomen te worden in de Europese Unie.

Tsjechië is lid van de Raad van Europa, maar niet iedereen is ervan overtuigd dat de rechtsstaat ook werkelijk functioneert. Rychetský betwijfelt of men in Tsjechië wel kan spreken van een rechtsstaat volgens Westeuropese normen. Het gebrek aan efficiëntie bij de rechtbanken heeft desastreuze gevolgen. “Als ik in de krant lees dat de ene ondernemer een andere ondernemer het hoofd heeft afgesneden omdat de man zijn schulden niet wilde betalen, weet ik dat dat komt door de rechtsonzekerheid die hier bestaat: als men via de justitiële instellingen zijn recht niet krijgt neemt men het in eigen hand.”

Rychetský beschouwt de traagheid van de rechtsgang als de belangrijkste oorzaak van wat hij de groeiende “rechtsonzekerheid”, het “rechtsnihilisme” en de “ondermijning van het geloof in de rechtsstaat” in Tsjechië noemt.

De politiek, maar vooral de “rechtse fundamentalisten in deze regering”, dragen daartoe bij, vindt Rychetský. “Iedereen hier kon zien hoe een vice-premier in het kader van de privatisering een huis kocht voor 5 miljoen kroon (320.000 gulden) en het verkocht voor 85 miljoen (ruim 5 miljoen gulden). Zelfs als dat helemaal volgens de regels is gegaan maakt het toch een slechte indruk. De premier van dit land heeft eens gezegd dat hij eigenlijk niet weet wat zwart geld is. En terwijl het voor de gewone burger zeker een half jaar duurt voordat zijn bedrijf wordt ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, kreeg een andere vice-premier dat in een paar minuten voor elkaar.”

De afgelopen maanden zijn er tal van voorbeelden geweest van pogingen van omkoping van vooraanstaande politici en justitiële ambtsdragers. Petr Pithart, vóór de scheiding van het federale Tsjechoslowakije premier van de Tsjechische deelregering, maakte een bijzonder brutale poging tot omkoping mee en stelde die ogenblikkelijk aan de kaak: als hij zou zorgen dat een bepaald gebouw zou worden toegewezen aan een bepaalde bank, zo stelde de omkoper hem voor, dan kon hij een miljoen kronen (64.000 gulden) verdienen.

Pithart, die het telefoongesprek waarin het voorstel werd gedaan op de band had opgenomen, liet de omkoper zijn belofte voorzichtigheidshalve ook nog eens op schrift zetten. De rechtbank heeft de zaak echter wegens gebrek aan bewijs geseponeerd: de schriftelijke verklaring was niet gewaarmerkt door een notaris en heette daarom ondeugdelijk als bewijs. De omkoper ging vrijuit.

Pithart is nu de belangrijkste wetenschapper van de Central European University, een door de Hongaars-Amerikaanse miljonair George Soros opgerichte sociologische denktank, en gelooft dat de rechtssituatie in Tsjechië niet zo schimmig zou hoeven te zijn indien er meer aandacht was besteed aan de hervorming van de rechtsorde van de Tsjechische samenleving.

Pithart: “Tegenwoordig wordt er veel meer nadruk gelegd op de economische hervormingen. Er is geen enkel land ter wereld dat op zo'n grote schaal en in zo'n korte tijd zoveel gevallen heeft gekend waarin eigendom in andere handen overgaat. Het vermoeden dat dit hervormingsproces zonder schandalen en corruptie zou kunnen worden uitgevoerd is een illusie. De huidige coalitie wekt de indruk alsof iemand door een brandende gang rent in een huis dat in lichterlaaie staat, dat het dus allemaal zo snel mogelijk moet gaan. Toen wij in de regering zaten hadden we het idee dat het iets langzamer kon, maar dan wel op een meer solide juridische basis. Het risico dat men nu loopt is dat die op een wrakke juridische basis rustende transformatie heel veel schandalen genereert en dat de samenleving dat niet meer accepteert.”

Een veeg teken ziet Pithart in het feit dat vroegere leden van de geheime dienst, mensen van “enigszins goede kwaliteit”, zijn doorgedrongen in het economische leven. “Aangezien zij niet worden tegengehouden door een juridisch gefundeerde situatie, kunnen ze gewoon hun gang gaan”, zegt Pithart. “Omdat men vorig jaar zo'n haast had met de couponprivatisering - het was immers een belangrijk punt in de verkiezingscampagne - is er helemaal geen wet gekomen op de investeringsfondsen. Daardoor konden die een speelveld oprennen zonder lijnen en zonder scheidsrechter.”

De afbrokkeling van morele waarden, het opkomen van mafia-praktijken en de onzekerheid van de Tsjechische rechtsstaat verklaart Pithart uit de “verbrokkeling” van individuen en samenleving. “De bipolaire wereld, die mensen tot een zekere discipline dwong, is voorbij. Daardoor is een soort vacuüm ontstaan. Daarmee gaat ook een einde van de solidariteit gepaard, particularisme, nationalisme en regionalisme zijn in opkomst, ik reken daar ook het uiteenvallen van de federatie toe. De rijkeren zijn niet meer bereid de zwakkeren te ondersteunen. In die context is het niet verwonderlijk dat eenlingen het heft in eigen handen nemen.”

Rychetský herinnert zich van de periode dat hij verantwoordelijk was voor het “gigantische werk” van hervorming van het rechtsstelsel vooral dat hij voortdurend in conflict was met de toenmalige minister van financiën, Václav Klaus, de huidige premier. “Het waren twee concepten die voortdurend met elkaar in aanvaring kwamen: mijn concept was dat alle hervormingen via de wet moesten gebeuren, het zijne dat de hervormingen vooral snel moesten worden doorgevoerd. Ik heb er steeds voor geijverd dat het geloof in de juridische instellingen zou terugkomen. Ik vrees dat ik daarin niet ben geslaagd.”

De Tsjechische minister van justitie, Jir Novák, ziet het allemaal niet zo somber. Geconfronteerd met de kritiek dat de regering weinig begrip heeft voor de ontwikkeling van een wettige infrastructuur, repliceert Novák verontwaardigd dat de critici “kennelijk alleen over het land heengevlogen zijn”. “We zijn bezig aan een ware wetgevende maraton. We hebben dit jaar al meer dan honderd wetten en amendementen aangenomen. In vergelijking met West-Europa hebben we het voordeel dat we de noodzaak hadden het juridische systeem te transformeren. Veel Westeuropese collega's zijn jaloers, die zeggen dat wij hier al veel verder zijn dan in hun landen.”

Er zijn in Tsjechië geen wetten meer die in strijd zijn met de beginselen van een democratische rechtsorde, zegt Novák. Ongeveer de helft van de rechters van vóór november 1989 is ontslagen. De wet op de rechtbanken geeft de minister de gelegenheid disciplinaire maatregelen te treffen tegen rechters die tussen 1948 en 1989 vonnissen hebben geveld die indruisen tegen de rechtsorde. Er is een nieuw benoemingenbeleid dat veel oude rechters al automatisch en vrijwillig heeft doen afvloeien. Hetzelfde geldt voor de openbare aanklagers: die hebben tot juni 1994 een contract dat, tenzij het wordt verlengd, automatisch afloopt.

“Het probleem is”, zegt Jir Pribán, een 26 jaar oude docent staatsrecht aan de juridische faculteit van de Karelsuniversiteit, “dat als ze iedereen zouden ontslaan de hele structuur van de rechtbanken in elkaar zou storten.” De rechterlijke macht heeft volgens Pribán niet alleen te kampen met een slecht imago, maar ook nog eens met de financiële beperkingen die het overheidsbudget dicteert. “Een rechter verdient 9.000 kronen (ongeveer 570 gulden) per maand, een openbare aanklager iets meer, maar als advocaat kun je al makkelijk driemaal zoveel verdienen.”

Pribán vertelt over een vrouwelijke rechter die kortgeleden zelfmoord pleegde: ze kon de enorme hoeveelheid werk, vooral veroorzaakt door allerlei rehabilitatiekwesties uit de jaren vijftig, toen de communistische wetsverkrachting de meest gruwelijke vormen had aangenomen, niet meer aan. “De misdaden uit die tijd waren nog veel erger dan die van de jaren zeventig. Mensen raken daardoor heel erg gedeprimeerd.” Door die overbelasting zal het, zo gelooft Pribán, nog heel lang zal duren voor er in Tsjechië werkelijk sprake zal zijn van een rechtsstaat. “De rechtsstaat staat hier nog maar net in z'n kinderschoenen. De fundamenten zijn gelegd, maar de functies ervan functioneren nog lang niet.”

    • Frits Schaling