Somaliland moet af van de verslaving aan geweld; 'Wees niet bang, het enige dat je kan verliezen is je leven'

Niet de regering, maar clan-oudsten oefenen de macht uit in het door oorlog verwoeste Somaliland. Het voormalig Britse, noordwestelijke gedeelte van Somalië riep in mei 1991 zijn onafhankelijkheid uit. Sindsdien ontbeert het land centraal gezag, zodat jongetjes van veertien langs de straat 'belasting' heffen, huwelijken met artillerievuur worden gevierd en zelfs de bescherming van de president geen vrijgeleide is tegen de dood. Toch gloort er voor Somaliland een mooie toekomst.

Sahardid Said is clan-oudste van Burao. Gisteren werd hij te hulp geroepen toen militieleden een chauffeur in gijzeling namen. Hij stapte ongewapend op de gijzelhouders af, gaf ze een draai om de oren en nam hun geweren af. De jonge boeven zetten het op een lopen. 'Ze konden niets tegen me doen'', lacht Sahardid als hij zijn verhaal vertelt. 'Ze kunnen immers niet op hun eigen vader schieten.''

In Odweina, een gehucht op de savanne drie uur rijden van Burao, losten de ouderlingen met een list hun veiligheidsprobleem op. Sinds weken beroofden enkele losbandige militieleden de dorpelingen en zij terroriseerden reizigers bij een door hen opgeworpen wegversperring. De waarschuwingen van clan-oudsten hadden ze in de wind geslagen. Stiekem slopen de oudjes in het holst van de nacht naar de met een kanon uitgeruste pick-up van de militieleden. Ze maakten al het wapentuig en de motor onklaar. Met de staart tussen de benen verlieten de boeven de volgende dag het dorp.

Somaliland, het voormalig Britse, noordwestelijke gedeelte van Somalië, riep in mei 1991 eenzijdig zijn onafhankelijkheid uit. De traditionele clanoudsten oefenen er de macht uit. Ze spreken recht, innen belasting en assisteren bij de demobilisatie van de vijftigduizend militieleden en ex-guerrillastrijders. Eerder dit jaar zetten ze de regering af van de voormalige verzetsorganisatie, de Somalische Nationale Beweging (SNM). De SNM had na de overwinning op het regeringsleger van Siad Barre de macht overgenomen, maar vormde geen effectief bestuur. Sub-clans van de dominerende Isaq-clan raakten slaags, eerst in mei 1991 in Burao en vorig jaar in Berbera. Somaliland gleed af naar de waanzinnige anarchie van Mogadishu. De clan-oudsten redden de situatie en benoemden een nieuwe regering.

Theekamer

Sheik Ibrahim ontdoet zich van zijn slippers en zet zich in kleermakerszit op de pluchen sofa in de theekamer van het presidentiële paleis in de hoofdstad Hargeisa. Wij vleien ons aan zijn voeten. Sheik Ibrahim is een religieus leider en voornaam clan-oudste in Hargeisa. 'De SNM regering functioneerde niet, er braken overal gewapende conflicten uit'', begint hij. 'Wij ouderlingen kregen er schoon genoeg van, we namen het heft in eigen hand en stichtten vrede. In Burao en Berberea overlegden we met de verscheidene strijders en zeiden tegen hen: 'Jullie worden misbruikt door politici en krijgsheren.' Zo overtuigden we hen om een akkoord te sluiten.''

De ouderlingen passen een speciale techniek toe om tot verzoening te komen. Sheik Ibrahim: 'Met de aanstichters van de gevechten praten we nooit, die zetten we juist buiten spel. En het is belangrijk om bij onderhandelingen nooit een partij de schuld te geven, dat haalt maar wonden open. In de oorlog bestaan alleen verliezers. Wij ouderlingen praten bij bemiddeling nooit over de gevechten, alleen over de vrede die we willen.''

Gesterkt door hun succesvolle vredesbesprekingen in Burao en Berbera besloten de clan-oudsten hun eeuwenoude traditionele invloed om te zetten in politieke macht. In het geheim beraamden 150 van hen onder leiding van sheik Ibrahim een plan om de SNM-regering te wippen. Ze riepen begin dit jaar alle politici naar het stadje Borama. De politici roken onraad maar konden nauwelijks weigeren, het gezag van de clan-oudsten ligt daarvoor te diep verankerd in de Somalische psyche. De eerste dagen keken de vijandige politici elkaar niet aan, na een week gingen ze communiceren en na een maand begonnen er serieuze onderhandelingen. Vier maanden opsluiting bracht de verzoening tot stand.

De minister van defensie treedt binnen en ook hij neemt plaats op het tapijt. 'Luister goed'', adviseert hij, 'want Sheik Ibrahim kent ons Somaliërs beter dan wie ook.'' De vingers van de sheik pakken een nieuw kraaltje aan zijn rozekrans en hij vervolgt: 'Er werd in Borama een nieuwe regering gevormd onder president Mohamed Ibrahim Egal, een parlement en een raad van ouderlingen. Die raad kan regering en parlement afzetten.''

De Somalilanders vielen terug op hun culturele erfenis om een einde te maken aan de anarchie. 'Hoe losten jullie in Holland 500 jaar geleden dergelijke wetteloosheid op?'' vraagt sheik Ibrahim retorisch. 'Toen oefenden de ouderlingen toch ook de macht uit?'' Alleen een man kan een wijze clan-oudste worden. 'Vrouwen blijken niet zo geschoold'', wuift de sheik dit mankement in de traditionele democratie weg. 'Nee, vrouwen horen er niet bij.'' Vice-president Abdirahman Ali Farah verschijnt inmiddels ook op het tapijt. 'Ik ben vice-president en Egal is president'', leest hij mij de les, 'maar de werkelijke president van Somaliland, die heet sheik Ibrahim.''

Amper veertien

Sinds het aantreden van de nieuwe regering vechten de clans, de subclans en hun milities niet meer, waardoor er in Somaliland een schijn van orde heerst die gunstig afsteekt bij de chronische instabiliteit van Mogadishu. De nieuwe machthebbers willen vooral haast maken met de ontwapening van de milities en guerrillastrijders. In een vernietigd land zonder centraal gezag en zonder enige economische ontwikkeling, zijn militieleden van soms amper veertien jaar het dagelijks leven gaan bepalen. Zij werpen ongehinderd wegversperringen op en innen 'belasting'. Op de luchthaven van Hargeisa heerst zo'n militie. Wie te weinig 'luchthavenbelasting' betaalt, riskeert een stevige aframmeling. Vice-president Farah: 'We hopen binnenkort een verdrag met deze militie te sluiten, opdat de regering inkomsten kan gaan derven van het vliegveld. Geweld zullen we daarbij niet gebruiken. Vrede moet door overtuiging tot stand komen.'' Het handjevol politie-agenten, dat onlangs uniformen ontving, maakt geen kans tegen de duizenden zwaar bewapende militieleden, en een regulier leger heeft Somaliland niet.

Twintig kilometer buiten Hargeisa op de weg naar Berbera eindigt de invloedssfeer van de regering. Onze auto moet stoppen bij een wegversperring. De militieleden gedragen zich nerveus, ze hebben hun dagelijkse portie van het verdovende middel khat nog niet ontvangen. Een jochie van een jaar of veertien met te grote zonnebril zwaait wild met zijn pistool. Hij zet het koele metaal in mijn nek. 'Jij vreemdeling, ik vrijheidsstrijder'', gilt de jongen in gebroken Engels. Zijn kamaraad richt zijn wapen in mijn richting. 'We hebben onze urine gedronken om dit land te bevrijden. Nu wil ik mijn beloning, nu ben k hier de baas.''

Een van mijn Somalische begeleiders brengt zijn hand naar het pistool dat hij in zijn onderbroek verborgen heeft. Hij begint de onderhandelingen. Geld weigert hij te geven. 'Jullie spreken een onbeschaafde taal. Dit is een journalist'', probeert mijn begeleider. 'Hij is mijn gast in Somaliland.'' Het jochie laat zich niet zo gemakkelijk overtuigen. 'Niets mee te maken! Die buitenlanders reizen hier maar rond en ze geven ons niets. Tweehonderd dollar of ik dood je.'' Praten, praten, praten... Somaliërs zijn meesters in het praten. Alleen in eindeloze gesprekken weten zij conflicten op te lossen. Auto's passeren, de tijd verstrijkt. Van een vrachtwagen vol vrouwen roept een moeder: 'Ja, laten ze ook maar eens een buitenlander te grazen nemen.'' Woorden temperen de agressie, het pistool verdwijnt van mijn nek. We mogen doorrijden.

Ik moet me vooral geen zorgen maken, vertellen mijn begeleiders. 'Je hebt je huidskleur tegen, dat is alles. Je witte huid staat voor dollars. Deze jongens gedragen zich geciviliseerder dan die in Mogadishu. Daar schieten ze je eerst dood en dàn bestelen ze je.'' Tien minuten later doemt de volgende wegversperring op. Deze militieleden vinden onder de autobank mijn radio opname-apparatuur en grissen de recorder weg. Praten, praten, praten. Twintig minuten later koop ik de inmiddels beschadigde apparatuur voor een paar duizend shilling terug. 'Zie je hoe geciviliseerd wij in Somaliland problemen oplossen'', beurt mijn begeleider me op. Bij de volgende wegversperring moet ik mijn pasport laten zien, dat ik niet bij me draag. 'Wij hebben dit land gratis bevrijd'', begint de hoofdboef het inmiddels bekende betoog. 'De Amerikanen hielpen ons daar niet bij. Nu willen we hun dollars.'' Ik geef mijn visitiekaartje, dat hij onderste boven houdt. Weer praten. We mogen doorrijden, als ik maar geen Amerikaan ben.

Halverwege de weg naar Berbera zijn plotseling alle versperringen verdwenen. De subclans hier erkennen het gezag van president Egal, die afkomstig is uit deze streek. Op één uur afstand van Berbera, in het kamp van Mandera waar sinds drie maanden de eerste vijfduizend militieleden worden gedemobiliseerd, vertel ik mijn relaas aan president Egal. Verwijtend wendt hij zich tot een van zijn ministers: 'Dat is jouw clan, dan zijn jouw jongens die dit deze vreemdeling aandeden.'' Kan de president me misschien helpen om veilig naar Hargeisa terug te keren? Nee, dat kan hij niet. 'Als je bij die wegversperring vertelt dat je mijn toestemming hebt om te passeren, dan zal je alleen nog maar meer moeilijkheden ondervinden. Maar wees niet bang, het enige dat je kan verliezen is je leven.''

Subclans

Een nationale, moderne verzetsbeweging heeft Somalië nooit gekend. De in 1981 opgerichte SNM, de op één na oudste van alle opstandige groeperingen, opereerde langs tribale scheidslijnen en beperkte zijn acties tot het noordwesten. De beweging bestond uit milities van de verscheidene Isaq-subclans. SNM-bevelhebbers en politici dienden bij militaire acties eerst afzonderlijk toestemming te vragen aan iedere militieleider. De liefde voor vrijheid en de haat tegen de zuidelijke clans van Siad Barre die vochten in het regeringsleger, had de SNM bijeen gebracht. 'Onze samenleving is nu eenmaal verdeeld in clans'', erkent een hoge SNM-leider, 'er bleef ons geen andere keuze dan de SNM op clanbasis te organiseren. Dat maakte ons structureel zwak, er heerste altijd een conflict tussen loyaliteit aan de clan en aan de SNM. Tijdens de oorlog tegen Barre zaaiden we door onze verdeeldheid de kiemen voor de problemen die na de bevrijding volgden.''

De regering kan bij gebrek aan financiën niets doen voor de veteranen, van wie duizenden aan het roven sloegen. Of ze werden gek. Op de markt van Hargeisa wierp een veteraan enkele dagen geleden een handgranaat in een menigte vrouwen. 'Er zijn genoeg vrouwen in de wereld'', schreeuwde hij toen hij zich overgaf. Drie vrouwen overleden. In de vernietigde steden lopen tientallen gestoorde jongens tegen zichzelf te praten of tegen voorbijgangers te schreeuwen.

'We merken nu pas hoeveel veteranen psychisch gestoord raakten'', vertelt de voorzitter van de veteranenorganisatie, Yusuf Abdi Gabobe. 'Wanneer het kalm wordt, neemt hun ziekte toe. Velen geloven niet meer te kunnen leven zonder geweld. Deze jongeren groeiden op tijdens de oorlog, ze leerden in hun leven niets anders kennen dan geweld.'' Om hun pijn te verzachten eten de stijders khat. Wat vroeger een sociaal genotsmiddel was voor speciale gelegenheden, werd basisvoedsel voor vrijwel alle Somalische mannen. De halve natie is verslaafd geraakt aan drugs en wapens. Die nacht weerklinken zware knallen in Hargeisa. Een bruiloft, zo blijkt later, waar om de vreugde te verhogen artillerievuur werd afgeschoten. 'Dat versterkt het aanzien van de bruidegom, als hij niet geweren maar zwaar geschut inzet op zijn trouwdag'', legt een buurtbewoner uit.

Sharia

De oorlogstrauma's veroorzaken niet alleen krankzinnigheid. Het islamitisch fundamentalisme wint terrein door de heersende onzekerheid. In Burao lopen sinds twee jaar opvallend veel zwaar gesluierde vrouwen. Scholen worden geleid door fundamentalistische onderwijzers die hun opleiding krijgen in het Midden-Oosten. Toen de nieuwe regering onlangs aankondigde de sharia niet te willen invoeren als basis voor het strafrecht, gingen duizenden jongeren in Hargeisa en Burao woedend de straat op. Een fundamentalistische sheik begon in januari in Hargeisa een kruistocht. Hij trommelde een menigte jongeren op, die naar het politiebureau trok waar vijf van overspel beschuldigde vrouwen achter de tralies zaten. De jongeren sleurden de vrouwen uit hun cellen. Ze stenigden hen, de doodsstraf die de sharia voorschrijft. De paar agenten van het bureau verkozen niet in actie te komen tegen deze overmacht.

De meeste politici en intellectuelen ervaren het religieuze extremisme als tijdelijk. 'Ik geloof niet dat het zo'n bedreiging vormt'', beweert dejournalist Abdi Abdeor Yusuf in Burao. 'Niemand hoeft ons Somaliërs de islam te leren, wij zijn allen islamieten. De fundamentalisten zeggen zich te hebben bevrijd van clantegenstellingen. Dat spreekt aan. In dit land vonden barbaarse gruwelijkheden plaats, honger en oorlog. De mensen zoeken iets om zich aan vast te houden, ze zoeken een uitweg. Als er orde heerst, als de regering overal aanwezig is en over middelen beschikt, dan maken de fundamentalisten geen kans.''

Uit onmacht laat de regering vrijwel ieder dorpje of stad zichzelf besturen. In 's lands derde stad, Burao, blijkt geen enkele regeringsambtenaar betrokken bij het bestuur. De clanoudsten van twee rivaliserende milities nemen alle besluiten en innen belasting van handelaren. De clan-oudsten spreken recht. De xeer, de eeuwenoude Somalische grondwet die mondeling van de ene generatie clanoudsten op de volgende werd overgedragen, vormt het uitgangspunt bij hun rechtspraak, maar soms vallen zij terug op het Britse recht of de sharia.

Over de terugkeer naar de traditionele bestuursvormen vallen ook bedenkingen te horen in Somaliland. De clan-oudsten blijken niet altijd even wijs, enkelen van hen namen deel aan oorlog en plunderingen. 'Het systeem van clan-oudsten valt gemakkelijk te misbruiken door politici'', waarschuwt veteranenleider Yusuf Gabobe. 'De ouderlingen kunnen clan-conflicten oplossen, maar gewone misdaad in de stad, geschillen tussen individuen, daar is een modern gezag voor nodig.''

De SNM-leiding likt inmiddels haar wonden. In de regering van Egal domineren politici die tijdens de oorlog tegen Barre geen banden onderhielden met de vrijheidsstrijders. De SNM voert 'constructieve' oppositie om de fragiele, opdoemende stabiliteit niet te verstoren. Ibrahim Megaag Samatar is voorzitter van het centraal comité van de SNM. 'In Borama werden we verslagen door de clan-oudsten, want we hadden gefaald'', geeft hij ruiterlijk toe. Maar de SNM heeft nog steeds een morele stem. We moeten worden betrokken bij de demobilisatie. Als president Egal aan de macht denkt te blijven door exclusief te steunen op de clanoudsten, dan komt hij bedrogen uit.''

Haat

Somaliland is letterlijk één grote lugubere puinhoop. Mogelijk de meest angstaanjagende erfenis van de oorlog vormen de miljoenen mijnen die het regeringsleger bij kazernes maar ook bij huizen en scholen achterliet. Maar Hargeisa zal herrijzen. Wanneer Somaliërs hun energie niet verspillen met clangevechten, blijken het uiterst ondernemende mensen. Na uitblijven van enige noemenswaardige buitenlandse hulp begonnen de Somalilanders eigenhandig aan de reconstructie. Op menig afgebrokkelde muur rusten weer glinsterende golfplaten daken. Een paar woningen kregen zelfs aansluiting op elektriciteit, uit sommige kranen stroomt water. Menig winkeltje opende zijn deuren en in wat eens de hoofdstraat was bevindt zich zelfs een goudsmit. Na twee goede regenseizoenen raakte de markt overspoeld met voedsel.

De Somalilanders tonen zich diep teleurgesteld in de buitenwereld. 'We waren zo gelukkig na de bevrijding'', verzucht clanoudste Mohamed Hala in Burao. 'Waarom begrijpt de wereld ons niet? We begonnen de heropbouw in een lege ruimte. Denkt de wereld dat we wilde beesten zijn? Vele buitenlanders kwamen hier kijken, ze kletsen wat met ons en dan zien we ze nooit meer terug.'' Hij maakt aanstalten op te stappen, wordt boos. 'Waarom praat ik eigenlijk met u, wat schiet ik er mee op? Ook u zal niets voor ons doen. Vooral de VN laten ons in de steek. Boutros Ghali heeft eerst Somalië platgenaaid en nu wil hij Somaliland laten doodbloeden.''

De woede van de Somalilanders richt zich op Unosom, de VN-macht in Somalië. 'Als er één dag geen Cobra helikopter zou opstijgen in Mogadishu, zou dat tienduizend dollar uitsparen die wij kunnen aanwenden voor onderwijs, voor gezondheidszorg, voor demobilisatie, voor een radiostation'', betoogt vicepresident Farah. 'Unosom speelt een spelletje met me'', beschuldigt president Egal. 'Hun leider Jonathan Howe wil Somaliland ontmantelen. Hij beloofde ons alle mogelijke hulp, er kwam niets.'' De regering van Somaliland weerde Unosom-militairen van haar grondgebied en de zes politieke ambtenaren van de VN-macht in Hargeisa houden zich gedeisd na een eerder dreigement van Egal hen uit te wijzen.

Onafhankelijk

De status van Somaliland en zijn twee miljoen inwoners vormt een obstakel. Voor heel de wereld heet Somaliland officieel Noordwest Somalië. Buitenlandse diplomaten mogen geen overeenkomsten sluiten met 'de regering' en met 'de president'. Hun aanspraak op onafhankelijkheid baseren de Somalilanders op hun verleden als Brits protectoraat, gescheiden van de Italiaanse koloniale heerschappij in Mogadishu. Ze zetten zich af tegen Somalië, want dit land onderdrukte hen na de vrijwillige eenwording in 1960. 'Moeten we afwachten tot er in Mogadishu een regering komt om dan door onderhandelingen onze onafhankelijkheid terug te krijgen?'' argumenteert president Egal. 'Dan kan ik nog wel tien jaar wachten! Er bestaat geen Somalië meer! Als er een kans bestond om bijeen te blijven had ik mijn stem wel verheven. We geloven niet in afscheiding, maar soms is het nodig.'' In de komende twee jaar zal de bevolking van Somaliland zich uitspreken in een referendum over de status van het land. De uitslag staat vast, iedereen steunt het streven naar onafhankelijkheid.

Na de oorlogen in de jaren zestig en zeventig om alle etnische Somaliërs in Somalië, Djibouti, Ethiopië en in Kenia te verenigen in één natie worden nu de tegenstellingen benadrukt, niet de overeenkomsten, zoals één taal, één cultuur en één religie. Regionalisatie - met als uiterste consequentie afscheiding - lijkt de enige mogelijkheid om de wonden te helen, om de xenofobie en de krankzinnigheid in de samenleving onder controle te krijgen.

Somaliland geeft het goede voorbeeld. Door terug te vallen op traditionele bestuursvormen raken politici en krijgsheren geïsoleerd. De verwachting, nee de hoop van de Somalilanders is dat binnen enkele maanden de jonge militieleden zijn ontwapend en het proces van herintergratie van de samenleving onomkeerbaar wordt. Wanneer het buitenland de afgelopen jaren niet had uitgeblonken door afwezigheid, dan was Somaliland misschien nu al een lichtend voorbeeld geweest voor Somalië.

'Je moet van onderop beginnen'', adviseert sheik Ibrahim de vredesstichters in Mogadishu. 'Je moet de bevolking stimuleren, niet de politici en de krijgsheren.'' President Egal doet een voorstel. Zeven clan-oudsten uit Djibouti, zeven uit Somaliland en zeven uit de Ethiopische Ogaden moeten twee maanden lang alle Somalische districten bezoeken en overleg voeren met bevolking en ouderlingen. De politicus en krijgsheer krijgen bij deze verzoeningspoging eenzelfde stem als de boer en de nomade. Iedere vrijdag maken ze hun bevindingen openbaar in de moskee. De 21 ouderlingen moeten korte tijd de rol overnemen van de plaatselijke clanoudsten. 'Praten, praten en nog eens praten'', benadrukt Egal, 'er mag geen haast bestaan.'' En welke rol is er nog weggelegd voor de VN? 'Zij moeten de logistiek verzorgen. Maar laten ze zich ver houden van de onderhandelingen. Vreemdelingen kunnen geen verzoening bewerkstelligen tussen Somaliërs.''

    • Koert Lindijer