SCHULD

Mensen die beweren dat je de gebeurtenissen in het verleden 'moet plaatsen tegen het licht van de toen heersende tijdgeest' hebben mij altijd een beetje geërgerd, omdat ze mij het recht ontnemen om flinke oordelen te vellen, en omdat ik bang ben dat ze gelijk hebben. Er zijn misschien helemaal geen algemene, universele, eeuwig geldende normen aan de hand waarvan je vroegere kwesties kunt beoordelen. Dat is een vreselijke gedachte, vooral voor nazaten van historische wandaden.

Daarom heb ik zo intens meegeleefd met Hannah Arendt, toen ze in de Banaliteit van het Kwaad wanhopig probeerde na te gaan of Eichmann schuldig was of niet. Stel je voor dat die man alleen maar zijn werk deed en dat, zoals sommige filosofen zeggen, ook wij, als wij in die positie zouden zijn geweest, hetzelfde hadden gedaan? Maar hoe ver ga je, want als je de tijdgeest in aanmerking neemt, dan ook de persoonlijke omstandigheden, en het karakter van de dader, zijn opvoeding, zijn relatie met zijn moeder en zijn vader en misschien ook zijn stemming op het ogenblik.

Alles is dan vergeeflijk en niemand is strafbaar, omdat de mens nu eenmaal het unieke vermogen heeft om zich in de toestand van een ander te verplaatsen. Ik geloof dat de Amerikaanse denker Richard Rorty deze redenering volgt en hij voegt eraan toe dat de kunst van het inleven, de vaardigheid om je met een ander te identificeren, een hoogtepunt is van de beschaving. Deze vaardigheid is volgens hem niet ontwikkeld door moraalfilosofen en opvoeders, maar door schrijvers, die in hun romans toonden hoe je 'verscheidene stemmen tegelijk kunt horen', hoe je je als persoon kunt indenken, kunt verbeelden wat de ander beweegt.

Mensenrechten, zegt Rorty, verbreid je niet door de overtreders te straffen of door hen te minachten, maar door hen te overtuigen van de leefwereld van diegenen wier rechten ze aantasten. Harriet Beecher Stowe heeft met haar Uncle Tom's cabin meer gedaan voor de afschaffing van de slavernij dan menig felle abolitionist die de vervolging eiste van alle slavenhouders. De kreet 'misdaad jegens de mensheid' past de moderne mens niet, zegt Rorty.

Dat is zeker een edelmoedig standpunt, maar als je nakomeling bent van een jood die in de Tweede Wereldoorlog is omgebracht, als je nazaat bent van een slaaf die is doodgemarteld, is het behoorlijk lastig om deze beschaafde vergevingsgezindheid te handhaven.

Hier in Amerika is dit nog altijd een fundamenteel probleem. Ik ben nog geen drie dagen in het land, en heb met verschillende zwarte leiders gesproken, maar als je alle lagen van retoriek verwijdert, als je je doof maakt voor hun poging om hun lot te actualiseren in termen van genetische kwaadaardigheden van de blanke mens, blijkt het toch om deze ene vraag te gaan: moeten we het hen vergeven?

Ik denk dat je niks opschiet als je het niet doet, maar ik besef wel die pijn, dat gevoel dat men een historische nederlaag lijdt als niet ooit recht wordt gesproken - dat niet alleen, natuurlijk, ooit zal men er ook consequenties uit moeten trekken en de nakomelingen van de negerslaven geven wat hen toekomt. En dat is moeilijk, dat klinkt onzinnig.

Als zo'n zwarte leider, actief in de getto's van Washington, elke dag bezig met het bizarre karwei om de levens te helpen sparen van zwarte jongens die om het geringste worden neergeknald door politie of soortgenoten, als zo'n man mij uitlegt dat ik hem niet zal begrijpen zolang ik de geschiedenis van de slavernij niet begrepen heb, kan ik natuurlijk niet aankomen met Rorty. Inlevingsvermogen, de vaardigheid tot identificatie met nota bene je vijanden, slavendrijvers toen, racisten, bestuurders, politieagenten nu, lijkt inderdaad een idiote eis. Waarom proberen de machthebbers zich niet te identificeren met de arme zwarten, vraagt de man, overigens zonder een spoor van triomfantelijkheid. Want hij is een goeie kerel, een geletterde man, die in een van de zuidelijke staten sociologie heeft gestudeerd en heus wel de redenering van de historisch-relativisten kent.

We praten, op zijn zielige kantoortje zonder ramen en een enkele poster van een zwarte leider, over Joseph Conrad en over de literatuur waarin een poging wordt gedaan de aard van kolonisators en slavenhouders te onderzoeken. Goed, hij is het met me eens dat je de omstandigheden, de 'tijdgeest' bij de discussie moet betrekken, en hij geeft me, achterover geleund, de gelegenheid om hem te overtuigen. Dat valt niet mee, onder het geloei van de politiesirenes op straat, waar hij telkens weer mijn aandacht op vestigt, door even uit een onzichtbaar raam in de muur te kijken.

Pas veel later, als het gesprek officieel beëindigd is en hij me een biertje aanbiedt bedenk ik dat ik in de zware tas die ik met me meesjouw een boek heb zitten van de journalist J. van der Walle. In zijn onlangs heruitgegeven verzamelde werk is ook het verhaal 'Een vlek op de rug' opgenomen, een uitmuntend voorbeeld van hoe je, met behulp van onderzoek èn verbeelding, kunt reconstrueren of de slavenhouders hadden kunnen beseffen dat wat ze deden crimineel was.

Daartoe kruipt Van der Walle, vertel ik aan de zwarte leider in een Washingtonse bar, in de huid van een 'gemiddelde' plantage-directeur, een zekere Achille van der Maas, die niet te slecht, niet te gierig, niet te dom en niet te gelovig is. Hij is, in vergelijking met zijn omgeving, een rechtschapen mens, maar hij komt langzaam tot de ontstellende ontdekking dat het mishandelen van de zwarten hem een vreemd genot verschaft, 'een afschuwelijk gevoel van behagen'. Hij beseft steeds weer zijn schuld, wat hem er niet van weerhoudt zijn schanddaden te begaan. Hij slaat een jongen, en kijkt verbaasd naar zijn hand. Hij roept 's nachts een huisslavin naar zijn hangmat, en schaamt zich in de ochtend.

Achille wordt verliefd op de mulattin Lea, die een 'bijna extatische bewondering heeft voor zijn blanke huid', maar die ook de enige echte Surinaamse is, wat hem angst aanjaagt. De slaven worden geplaagd door heimwee naar Afrika, de slavenhouders door heimwee naar Europa; de een slaat, de ander verdraagt, en beiden verlangen naar huis.

Daar tussenin staat Lea, die de zeden van de Europeanen kent, maar ook met de duivelse krachten van de negers rekening houdt. Achille verraadt Lea, door te trouwen met een blank meisje uit de stad, en dit gevoel van verraad en schuld tezamen vormen de nachtmerries voor de rest van zijn latere leven. Niemand neemt wraak: de mishandelde en misbruikte slaven niet en zelfs Lea niet, die daartoe het beste in staat is, omdat ze de moeder is van zijn zoon. Juist de gedachte dat hij straffeloos zijn oude dag tegemoet gaat maakt Achille onrustig. En de vrees dat die straf nog zal komen, de vrees voor een vlek op de rug, de aankondiging van metaatsheid, is misschien wel erger dan strafrechtelijke vervolging.

De zwarte man tegenover mij heeft mij ononderbroken aangehoord. Even ben ik bang dat hij iets flauws zal zeggen, bijvoorbeeld dat het een koloniaal verhaal is van een oude blanke man - hij heeft de foto van Van der Walle op de achterflap gezien en hij lijkt inderdaad op een vroegere planter - die namens zijn rasgenoten om vergiffenis vraagt, maar hij bestelt nog een Budweiser en zegt: 'Jij bent ook journalist, waarom schrijf jij niet het verhaal van Lea, of van het geslagen jongetje?''

    • Anil Ramdas