Rudy Uytenhaak: 'Architect is bemiddelaar tussen de stad en de intimiteit'; Gebouwen moet gracieus oud worden

Architect Rudy Uytenhaak ontving deze maand de jaarlijkse Wibautprijs van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst. En er zijn een tentoonstelling en een boek aan zijn werk gewijd. “Ik wil gebouwen maken met perfectie in de details, maar ook met flair.”

Lezing door Rudy Uytenhaak 30 nov. Berlage Instituut en 7 dec. Rietveld Academie. Tentoonstelling t/m 4 dec. Galerie Arcam, Waterlooplein 211 Amsterdam (di-za 13-17u). Engelstalige Arcam-pocket f 24,50.

Hij is een knopenbouwer, zegt architect Rudy Uytenhaak (1949) van zichzelf: wikkend en wegend, op zoek naar complexe verbanden. “Hoewel ik stedebouw eigenlijk belangrijker vind, heb ik toch voor de architectuur gekozen. Ik heb dat directe verband nodig tussen de besluiten die je neemt en het concrete resultaat. Het gebouw als tegenwicht voor mijn eigen natuur.”

Na zijn studie aan de TU Eindhoven werkte Uytenhaak vijf jaar bij Aldo van Eyck en Theo Bosch. In 1980 opende hij een eigen bureau in Amsterdam dat nu twintig medewerkers telt. De eerste tijd maakte hij vooral naam in de sociale woningbouw. “Al tijdens mijn studie aan de TU Eindhoven was ik bezig met verschillende woningtypen. Tussen de enorme flats van de Bijlmer en de rijtjeshuizen van Almere is er nog veel nieuws te bedenken.” Zijn gebouw aan de Droogbak in Amsterdam, pal aan het spoor en daarom voorzien van rijen schuinstaande geluidsschermen, als een soort schuine schubben, trok veel aandacht, evenals het grote complex met woningen en kantoren aan de Weesperstraat.

Deze maand ontving Uytenhaak de Wibautprijs van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst voor drie woongebouwen aan het Koningin Wilhelminaplein in Slotervaart. Zijn werkterrein heeft zich inmiddels verbreed tot openbare gebouwen. Volgende week wordt zijn uitbreiding van het raadhuis in Landsmeer in gebruik genomen, in Apeldoorn is zijn cultureel centrum in aanbouw. “Hoe interessant woningbouw ook is, je zit er tot op zekere hoogte in gevangen. De budgetten en het programma beperken je in de materialen, detaillering, maten. Vóór het project in Landsmeer had ik geen ruimer interieur gemaakt dan een portiek.”

Nog altijd speelt de stedebouw een belangrijke rol in Uytenhaaks werk. Zijn rol als architect beschouwt hij als die van 'bemiddelaar tussen de stad en de intimiteit', tussen de grote en de kleine maat. Voor de Duitse stad Potsdam maakte hij twee jaar geleden een stedebouwkundig plan voor het centrum waarmee hij via vier ijle bruggen verbanden legt tussen landschap, rivier, station en binnenstad. Met de nieuwbouw aan de Amsterdamse Weesperstraat wilde hij ook 'bemiddelen' tussen deze grove verkeersader en de grachtengordel. Met de situering van de bekroonde urban villa's in Slotervaart speelt hij eveneens in op de omgeving: aan de straatkant vormen de gevels een stevige rechte lijn, in het park erachter staan ze geserreerd achter elkaar in het groen.

Uytenhaak maakt vaak gebruik van schuine wanden, hellingbanen en elkaar doorsnijdende vlakken. “Maar nooit zomaar,” verklaart hij stellig. “Dat schuine is geen doel op zichzelf, alleen een middel. Er kunnen praktische redenen voor zijn - schuine balkons bieden een optimaal uitzicht, schuine schermen weren het geluid beter - maar ook esthetische, bijvoorbeeld om meer reliëf of lichtreflecties in de huid van het gebouw te krijgen. Architectuur is meer dan vormgeving alleen.”

Bij het ontwerpen van deze bij uitstek driedimensionale gebouwen zijn maquettes onontbeerlijk. De tentoonstelling die de Amsterdamse Arcam Galerie nu aan zijn werk wijdt, bestaat dan ook uitsluitend uit maquettes. “Als je met een nieuw plan begint, waad je eerst door een zee van mogelijkheden,” zegt de architect. “Zodra je een maquette maakt, kristalliseren die zich uit. Dan heb je het over iets tastbaars, je gaat voor anker. Soms wordt daaruit vooral duidelijk hoe het nét moet: de maquette wordt je sparring partner.”

Van gebouwen met weinig rechte hoeken zeggen aannemers al gauw: kan niet, te duur. Om zijn ontwerpen gerealiseerd te krijgen heeft Uytenhaak geleerd de bouwtechniek volledig naar zijn hand te zetten, zelfs zo dat hij de bijnaam 'de Houdini van de Nederlandse architectuur' heeft gekregen. Dezelfde vindingrijkheid past hij toe bij zijn bouwmaterialen. Voor een woonwijk in het uitbreidingsgebied Nieuw-Sloten liet hij bakstenen bakken met één schuine kant. Die kunnen in verschillende patronen worden gemetseld: een horizontale ribcord, het 'potdeksel'-patroon van houten planken of om en om à la gerstekorrel. In de betonnen gevels aan de Weesperstraat werd een reliëf in de bekisting meegegoten: veel effect voor weinig geld. “Met kleur word ik steeds terughoudender,” zegt hij, “maar ik hecht steeds meer belang aan reliëf en de verschillen in lichtval die je daarmee kunt bereiken. Net als een mens heeft een gebouw een huid: van ver af moet je een geheel zien en van dichtbij de poriën. Reliëf leeft bij gratie van het licht en veroudert daardoor mooier dan kleur. Een gebouw moet net als een mens op een gracieuze manier oud kunnen worden.”

In twee recente projecten, een winkelarcade in Zeewolde en een uitbreiding van het raadhuis van Duintjer uit de late jaren zestig in Landsmeer, was er geen noodzaak om scheef en schuin te bouwen. Nog meer dan voorheen wordt hier de invloed van het Nieuwe Bouwen, altijd al latent aanwezig in Uytenhaaks werk, duidelijker. Het raadhuis in Landsmeer bestaat voornamelijk uit rechte gevelvlakken die als coulissen achter elkaar zijn geplaatst om, naarmate je dieper in het gebouw doordringt, verschillende zones te creëren. “De beheersing van de vormen en elementen die ik gebruik, voer ik steeds verder op. Ik streef naar perfectie in de details - maar ook naar flair.”