Resten jachtkamp onder Betuwe-tracé

UTRECHT, 27 NOV. Onder het tracé van de Betuwelijn tussen Rotterdam en Zevenaar liggen bijna veertig vindplaatsen van waardevol archeologisch materiaal. Ze stammen uit diverse perioden van de bewoningsgeschiedenis van het land tussen de grote rivieren. Tot de interessantste vondsten behoren de resten van een zogenoemd jachtkamp uit de Midden-Steentijd (circa 5.000 jaar voor Christus). Ze zijn aangetroffen op vier tot acht meter onder het maaiveld in de Alblasserwaard dichtbij Hardinxveld-Giessendam.

Niet bekend

Volgens ir. W.J. Copier, projectmanager Betuweroute van de Nederlandse Spoorwegen, zijn de kosten van archeologisch onderzoek op het 120 kilometer lange traject èn van maatregelen om vindplaatsen te sparen, opgenomen in het lopende budget van 6,4 miljard gulden. Hoe hoog die kosten zijn, wil hij niet zeggen, omdat de begroting niet in detail openbaar is.

Sinds twee jaar wordt het tracé van de omstreden goederenlijn onderzocht door de stichting RAAP (Regionaal Archeologisch Archiveringsproject). Dat gebeurt in opdracht van de NS en onder de hoede van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort. Het werk van RAAP (onderdeel van de Universiteit van Amsterdam) bestaat uit grondboringen op zeventig plaatsen die uit een inventarisatie als 'mogelijk bedreigd' zijn voortgekomen. Eind februari 1994 zal dit veldwerk voltooid zijn.

Leider van het onderzoek is drs. P.S.G. Asmussen, die spreekt van “een van de grootste archeologische operaties in Europa”. “We zijn er sinds 1992 non-stop met vijftien mensen aan bezig.”

Ten minste vier vindplaatsen worden tot nu toe als zeer belangrijk aangemerkt. Het betreft een Merovingische (vroeg-Middeleeuwse) verzameling boerderijen bij Kerk-Avezaath, een nederzetting uit de Bronstijd westelijk van Kesteren, een bodemlaag met materiaal uit de Bronstijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen onder Elst (alle drie in Gelderland) en het jachtkamp uit de Midden-Steentijd bij Giessendam (Zuid-Holland).

In het laatste geval is sprake van een plek waar vuren werden gestookt, de jachtbuit werd opgegeten en vuurstenen werktuigen werden vervaardigd. Dit alles is gebleken uit de bodemmonsters, waarin wervels van vissen, houtskool en afgeslagen stukken vuursteen zijn gevonden.

Pag.3: NS dragen kosten onderzoek

Wat de stichting RAAP tot nu heeft ontdekt, bevestigt dat het Nederlandse rivierenland sinds duizenden jaren voor Christus een aantrekkelijk woongebied vormt. Onderzoeksleider Asmussen: “Het land was om drie redenen al in prehistorische tijden geliefd. Omdat er stromend water in de buurt was als transportweg en om er vis uit te halen. Omdat het gebied over hogere, zandige delen beschikte waar de mensen konden wonen. En omdat de grond van lichte rivierklei zich leende voor akkerbouw. Dat is zo gebleven, ook in de Romeinse tijd en de Middeleeuwen, eigenlijk tot op de dag van vandaag.”

Zo komt het dat streken als de Betuwe en de Alblasserwaard een belangrijk deel van het nationale 'bodemarchief' herbergen: de bodem als bewaarplaats van gegevens over de ontwikkelingsgang van de Nederlandse bevolking. De talrijke bodemmonsters die op het Betuwetraject zijn gedaan, hebben scherven aardewerk en vooral ook houtskool naar boven gebracht. Dat laatste materiaal duidt op verbranding, bijvoorbeeld bij het bereiden van voedsel en bij het pottenbakken. Ook kan houtskool afkomstig zijn van afgebrande boerderijen. Andere sporen van vroegere bewoning zijn verkleuringen in de bodemmonsters. Bij Kesteren vonden de archeologen van RAAP veel organisch materiaal, waaronder viswervels, vogelbeentjes en graankorrels. Een teken dat hier in de bronstijd een nederzetting is geweest.

Lang niet alle zeventig onderzochte of nog te onderzoeken plekken komen op de definitieve lijst van bedreigde lokaties. Asmussen: “Ik verwacht dat ongeveer de helft afvalt. Enerzijds omdat ze bij nadere bestudering niet in het tracé van de Betuwelijn blijken te liggen, anderzijds omdat ze uit archeologisch oogpunt oninteressant zijn. Dan denk ik vooral aan vindplaatsen van middeleeuwse aardewerkscherven die via de mest over het land zijn verspreid. Kapot aardewerk kwam immers steevast op de mestvaalt terecht.”

Dat de NS de kosten draagt van het onderzoek en van beschermende maatregelen betalen, hangt samen met een begin vorig jaar ondertekend 'Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed'. Deze Conventie van Malta (de ondertekeningsplaats) legt de kosten bij de instantie die verantwoordelijk is voor verstoring van de bodem waarin zich archeologische overblijfselen bevinden.

Hoewel het verdrag nog niet in de Nederlandse wetgeving is verankerd, heeft de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemzoek (ROB) met verscheidene instellingen en lagere overheden een convenant van die strekking afgesloten. Een woordvoerder van de ROB noemt onder andere Rijkswaterstaat, de Gasunie en de provincie Utrecht. Zij hebben zich verplicht de onderzoekskosten te betalen als door hun plannen het bodemarchief in gevaar komt. “Ook tussen de NS en de ROB bestaat een dergelijke afspraak”, zegt projectmanager Copier. Vandaar dat de NS opdracht voor het veldonderzoek heeft gegeven.

In een eerder stadium hebben de uitkomsten van een verkennende studie al invloed gehad op de route die de Betuwelijn volgens de regering moet volgen. Ir. C. de Vries van de NS: “De archeologie was een van de vele factoren die hebben meegewogen bij de keus van het voorkeurstracé. Die keus is in april vorig jaar gemaakt uit een serie varianten.”

Het voorkeurstracé is vastgelegd in een planologische kernbeslissing, die de mogelijkheid van kleine aanpassingen toelaat. Copier spreekt van honderd meter bandbreedte, vijftig meter aan de linker- en vijftig meter aan de rechterkant van de Betuwelijn.