OUD-UNPROFOR-GENERAAL PHILIPPE MORILLON; 'Niemand in het Westen hoeft zich te schamen voor wat wijin Joegoslavië hebben gedaan'

Als jonge Franse officier diende Philippe Morillon in Algerije. 'Als je ziet in welke toestand Algerije nu verkeert, kan ik niet nalaten me af te vragen of we dat land destijds niet al te vroeg in de steek hebben gelaten.' Die fout mogen de VN-vredestroepen in Bosnië-Herzegovina, waar Morillon tot juli van dit jaar het commando voerde, niet maken. De generaal is trots op zijn ere-paspoort voor Bosnië, en ontkent dat lafheid het optreden van UNPROFOR kenmerkt. Joegoslavië is geen 'mission impossible', geen reden tot schaamte: 'Als ik overwegende bezwaren zou hebben gehad tegen mijn orders had ik mijn commando teruggegeven.'

Général Philippe Morillon: Croire et oser. Chronique de Sarajevo. Grasset, Paris 1993. ISBN 2 246 48801 X

'De missie van UNPROFOR in Joegoslavië is niet toereikend, maar absoluut noodzakelijk', meent generaal Philippe Morillon, tot juli van dit jaar commandant van de vredesmacht van de Verenigde Naties in het door burgeroorlog verscheurde Bosnië-Herzegovina.

'Ik heb mijn ervaringen op schrift gesteld, wetend dat tegen de tijd dat het boek zou uitkomen, de internationale publieke opinie vermoeid zou zijn geraakt door een oorlog waarvan het eind niet in zicht lijkt. Het is, juist nu, nodig met kracht naar voren te brengen dat we ervoor moeten blijven zorgen dat de humanitaire hulp in Bosnië aankomt. Ook als een argument tegen hen, die geheel ten onrechte denken dat de voortzetting van de humanitaire hulp bijdraagt tot verlenging van de oorlog.'

Rond de Franse général de corps d'armée (het equivalent van een luitenant-generaal in andere landen) Morillon (58) is het sinds zijn terugkeer uit de Balkan naar Parijs stil geweest. De man die nog maar kort geleden werd geroemd met bijnamen als 'Philippe de Bosnie', en in de Franse pers als 'mythologische figuur' is beschreven, houdt nu bescheiden kantoor in een gebouw van het ministerie van defensie in Parijs, in een rijkelijk vage 'raadgevende' functie.

Na aanvankelijk tweede man te zijn geweest in het hoofdkwartier van UNPROFOR in Zagreb, had hij in de zomer van 1992 het commando over de vredesmacht in Bosnië-Herzegovina overgenomen van de Canadese generaal Lewis McKenzie, die in een ernstig conflict geraakt was met de autoriteiten in Sarajevo, de 'Bosnische' regering die wordt gedomineerd door de moslim-partij. Ook Morillon kende dit conflict. In zijn zojuist onder de titel Croire et oser ('Geloven en durven') verschenen herinneringen gaat hij uitvoerig in op het streven van een invloedrijk deel van het Bosnische leiderschap, een ontspanning of verbetering van de levensomstandigheden in Sarajevo en elders in Bosnië te verhinderen. Hoe ellendiger de situatie, aldus de gedachtengang van deze leiders, des te groter de kans op een buitenlandse, liefst Amerikaanse militaire interventie. Het was een zienswijze, waarin de begeleidende en bemiddelende inspanningen UNPROFOR eigenlijks slechts als onwelkome hulp aan de vijand werden gezien.

Ten onrechte, meent Morillon in zijn boek, heeft in de emotionele en propagandistische atmosfeer rondom de oorlog in Joegoslavië de internationale publieke opinie de indruk gekregen dat UNPROFOR in Bosnië op mission impossible is. Zijn eigen roem dankt de generaal niettemin aan een daad zonder weerga in de geschiedenis van de vredesmacht in Joegoslavië: zijn aankondiging in het stadje Srebrenica in maart 1993, dat de door de Servische eenheden op dat moment in Oost-Bosnië bedreven etnische zuivering hic et nunc moest ophouden, en dat UNPROFOR zonodig de civiele bevolking in Srebrenica zou beschermen.

In juli 1993 werd Morillon naar Parijs teruggeroepen. Hij geeft rondweg toe trots te zijn op het Bosnische ere-paspoort, dat hem bij zijn vertrek in Sarajevo is overhandigd. Vier maanden na zijn vertrek uit Bosnië verbreekt de generaal Morillon zijn zwijgen.

Aan het slot van uw boek noemt u de situatie in Joegoslavië 'een uitdaging voor een jeugd die meent in deze wereld te laat geboren te zijn'. Dat heeft een zekere actualiteit in Nederland, waar immers binnenkort voor het eerst gevechtseenheden naar Joegoslavië zullen vertrekken. Wat zou u hen zeggen? Welke zin heeft het in Joegoslavië je hachje te wagen?

'Het is volstrekt noodzakelijk dat we onze plicht vervullen, mensen in gevaar bij te staan. Die plicht is sedert lang vastgelegd in het internationale recht, net als de rechten van nationale minderheden, en voorzover dat nog niet het geval is, zijn we bezig dat recht vast te leggen. Voor de verdediging van deze rechten is, zo blijkt, een gewapende macht nodig. Een interessante tijd zoals wij nu in Europa beleven, waarin de bestaande machtsevenwichten veranderen, brengt bij een deel van de publieke opinie gevoelens van ontmoediging teweeg, een afkeer van betrokkenheid bij de wereld.

'Maar ik denk dat naar aanleiding van de oorlog in Joegoslavië een ander deel van de publieke opinie, met name jongeren en intellectuelen, meer dan vroeger begrijpt dat de militaire dienst op zich een neutraal instrument is, en dat wat de Verenigde Naties zich in Joegoslavië ten doel stellen een goed gebruik vormt van militaire middelen. Dat is een verheugende ontwikkeling: een verzoening tussen het meest idealistische en goedwillende deel van onze intelligentsia en het deel van onze jeugd dat heeft besloten zijn leven aan de strijdkrachten te wijden.'

U refereert in uw boek een aantal keren aan de Algerijnse oorlog, waarin u uw militaire carrière bent begonnen. In hoeverre heeft de oorlog in Bosnië u aan die in Algerije herinnerd?

'Ik ben me er niet van bewust zo vaak aan de Algerijnse oorlog te refereren. Ik was toen twintig jaar oud, die oorlog heeft mij natuurlijk mede gevormd. Ook in Algerije, dat is misschien de voornaamste overeenkomst, hadden sommige belligerenten de overtuiging het recht aan hun zijde te hebben. Als je ziet in welke toestand Algerije vandaag de dag is, kan ik niet nalaten me af te vragen of we dat land destijds niet wat al te vroeg in de steek hebben gelaten. Algerije heeft daarna immers een zekere vorm van totalitarisme gekend, die als voedingsbodem heeft gewerkt voor het verschijnsel dat ons nu zo'n zorgen baart, het moslim-fundamentalisme.'

U citeert een Servische kolonel, die zegt dat de Serviërs met de 'Turken' (moslims, red.) zullen afrekenen, zoals u het niet met de Algerijnen hebt gekund.

'Oh dat, maar die kolonel, een volstrekte gek die in Zvornik heeft laten schieten op VN-helikopters, refereerde niet aan de Algerijnse oorlog, maar aan de immigratie van buitenlanders in Frankrijk. Hoe dan ook, de Algerijnse oorlog is een deel van mijn persoonlijkheid. Zij heeft me ook geleerd dat het niet aan militairen is om te beslissen over recht en onrecht. Die zeer goedbedoelende militairen die door een putsch ervoor wilden zorgen dat Algerije Frans zou blijven, beschikten eenvoudig niet over de noodzakelijke kennis voor het nemen van politieke beslissingen. Het is, ook in Joegoslavië nu, aan de politiek om beslissingen te nemen, die dan vervolgens militair begeleid kunnen worden. Zonder een politieke oplossing is er ook geen militaire oplossing denkbaar. Dat is misschien voor mij de les van Algerije.'

Is een overeenkomst tussen 'Algerije' en 'Bosnië' niet ook, dat het in beide gevallen gaat om uitgesproken smerige oorlogen?

'Ik heb nooit gedacht dat de oorlog in Algerije een smerige oorlog was. Maar afgezien daarvan, ik denk dat een van de illusies van onze dagen is dat er niet-smerige oorlogen bestaan. Oorlog is altijd smerig.'

De video-spelletjes waaruit de Golf-oorlog voor een groot deel van de publieke opinie bestond, maakten nogal een frisse indruk.

'Die videospelletjes hebben wèl honderdduizenden slachtoffers geëist. Dat is een werkelijk probleem: dat men in het Westen de illusie koestert dat oorlog niet-smerig kan zijn en dan in opstand komt bij de eerste dode. Kijk eens: oorlog kan alleen maar het minste der kwaden zijn. En een oorlog moet een politiek doel nastreven; het is een misvatting dat het doel van de oorlog de overwinning, de onvoorwaardelijke overgave van de tegenstander of zelfs diens vernietiging is.'

Er is ten aanzien van de oorlog in Joegoslavië steeds een krachtige stroming in de publieke opinie geweest, die UNPROFOR slapheid verwijt en krachtdadiger ingrijpen wenst.

'Ik geloof dat die publieke opinie zich daarin niet vergist. De indruk mag niet ontstaan, dat onze soldaten daar slechts met fluitjes, niet met wapens zijn uitgerust. Het is essentieel dat zij daar een afschrikkende rol kunnen vervullen en ik ben ook blij dat die afschrikkende werking aan het einde van mijn ambstperiode daar formeel is vastgelegd. (In de VN-resoluties over veilige gebieden voor moslim-bevolking, red.) De troepen moeten beschikken over voldoende zware wapens, pantsermaterieel, luchtsteun om adequaat te reageren op agressie tegen zichzelf of tegen degenen die zij beschermen. Die gedachte is een van de lessen uit onze ervaring in Joegoslavië.

'Maar dat wil volstrekt niet zeggen dat we partij moeten kiezen in moeilijke situaties als op de Balkan. Ook bij partijtrekken geldt dat men eerst moet vaststellen wat het politieke doel is. Ik denk dat partijtrekken in Bosnië zou leiden tot een verdere verbreding van de kloven, in een land dat een mozaïek van met elkaar samenlevende gemeenschappen is. Het is natuurlijk aan politici, en niet aan militairen om een beslissing te nemen over interventie of partijdigheid van onze troepen in een conflict. Maar ik hoop in mijn boek duidelijk te hebben gemaakt, dat de onpartijdigheid waartoe de politici hadden besloten, mij steeds als een wijs besluit is voorgekomen.'

U stelt een theoretische militaire interventie Bosnië-Herzegovina op één lijn met 'Vietnam' en 'Afghanistan'.

'Dat zijn de laatste voorbeelden waarin met militaire middelen is geprobeerd een eind te maken aan een intern politiek conflict. Te denken dat zoiets in Bosnië wél mogelijk zou zijn met 'chirurgische' of andere aanvallen, is zeker niet realistisch. Maar helaas is de beslissing om niet te interveniëren, geheel verkeerd in de openbaarheid gebracht. Men heeft het doen voorkomen alsof de enige zorg was, dat interventie te gevaarlijk was, of dat onze eigen troepen in de positie van gijzelaars zouden geraken. In zo'n voorstelling van zaken lijkt de eigenlijke reden lafheid, en ik begrijp volkomen dat de publieke opinie daartegen in opstand komt en dat alom in het Westen mensen last krijgen van een slecht geweten.

'Ook dat heb ik met mijn boek willen rechtzetten: niemand in het Westen hoeft zich te schamen voor wat wij in Joegoslavië hebben gedaan en doen. Ik doe dat zelf ook niet, mij schamen. Als ik overwegende bezwaren zou hebben gehad tegen mijn orders had ik mijn commando ook teruggegeven.'

Is het niet enigszins illusoir te denken dat het 'mozaïek van onderling samenhangende gemeenschappen', zoals U Bosnië beschrijft, nog ooit uit de as kan herrijzen? Is de etnische zuivering daarvoor niet al te ver voortgeschreden, en de indeling in drie etnische republieken te definitief?

'Bosnië heeft in zijn geschiedenis andere, nog veel ernstiger crises overleefd - 1,5 miljoen doden in de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld, zover zijn we nu gelukkig nog lang niet. Leest u de romans van Ivo Andric (Joegoslavische schrijver, red.) erop na: Bosnië is een land van periodieke geweldsuitbarstingen, maar de mensen blijven er toch wonen. Er zijn landen waar het carnaval elk jaar aanleiding geeft tot een uitbarsting van geweld. In Bosnië, heb ik wel eens gezegd, is het eens per vijftig jaar carnaval.

'Maar in de periode daartussen profiteren de mensen van de verschillende, elkaar aanvullende culturen. Daarom is het ook zo belangrijk dat de rechten van minderheden worden gegarandeerd, als straks in Genève afspraken worden gemaakt over een opdeling, waarbij het bestuur in de drie gebieden toevalt aan de minderheid, die in dit heterogene land ergens toevallig de meerderheid uitmaakt. Dat is alleen maar aanvaardbaar als de rechten van minderheden worden gegarandeerd. Daarom is het ook zo belangrijk dat we niet toestaan dat de etnische zuiveringen ten einde worden gebracht. Dan lopen we bijvoorbeeld het risico dat in Centraal-Bosnië een soort tweede Gaza-strook ontstaat.'

Het tot staan brengen van de etnische zuivering, maakt Morillon in zijn boek duidelijk, was ook de overweging tot zijn bekendste daad, zijn 'tot hier en niet verder' tegen de Serviërs in Srebrenica. Die Servische troepen waren, schrijft hij, met als morele rechtvaardiging de door moslims onder Servische burgers aangerichte slachtingen, vastbesloten heel Bosnië van moslims te ontdoen. Er dreigde een grootscheepse slachting onder de in Srebrenica in het nauw gebrachte burgerbevolking, waarvan bovendien de plaatselijke moslim-commandant zei, dat deze aardig propagandistisch kapitaal voor zijn eigen partij zou vormen. Heeft Morillon zelf zijn optreden in Srebrenica ervaren als een ommekeer in de activiteit van UNPROFOR?

'Srebrenica' was zeker een ommekeer in de perceptie van UNPROFOR. Tot die tijd werden wij alleen gezien als bemiddelaars, en daarmee als ieders vijand, want wie met je vijanden praat kan nooit je vriend zijn natuurlijk. Van Servische zijde bestond het spel erin, ons zoveel mogelijk te vernederen, van Bosnische zijde om bij elke denkbare gelegenheid aan te tonen dat ons mandaat niet deugde, omdat we niet partijdig waren. Sinds Srebrenica heeft de overtuiging veld gewonnen, dat we desondanks nuttig kunnen zijn.

'Een moment heeft de gedachte bestaan, dat ik in Srebrenica een anti-Servische stelling heb betrokken. In mijn boek heb ik geprobeerd te bewijzen, dat dit niet zo was en dat het ook in het Servisch belang was, dat het in Srebrenica niet tot een nieuwe tragedie kwam. De wereld had daarvoor geen enkel begrip gehad.'

Het gerucht wil, dat uw optreden in Srebrenica eigenmachtig was, en dat u vooral in verband daarmee enkele maanden later naar Parijs bent teruggeroepen.

'De stap in Srebrenica was een volkomen logisch uitvloeisel van ons mandaat. Ik hoop te hebben duidelijk gemaakt, dat het volkomen onjuist is om mijn optreden daar als een daad van militare ongehoorzaamheid te willen interpreteren. Ik heb ook geenszins, zoals destijds wel is beweerd, de Serviërs met een soort oorlogsverklaring geconfronteerd. Ik ben later ook gewoon weer naar Pale (Servisch politiek centrum in Bosnië, red.) gereisd om de onderhandelingen voort te zetten. Dat heeft me ook geen moeite gekost: er was en is geen andere uitweg dan die van de onderhandelingen.'

Waarom bent u dan wel teruggeroepen?

'Er bestond de vrees dat ik voor de Servische partij niet langer aanvaardbaar was als onderhandelaar, of zelfs dat mijn leven in gevaar was. Ik geloof niet dat ik van de kant van de Servische bevolking enig gevaar te duchten had, overigens. Integendeel: ik denk dat menigeen verrast was, dat een generaal een vredesstichter kon zijn.'