Nederland is te klein voor ruime natuurgebieden

Niet minder dan drieëntwintig milieu-organisaties in Nederland, van Greenpeace tot de Vogelbescherming hebben zich met een paginagrote advertentie, in de landelijke dagbladen van 12 november, gericht tot alle politieke partijen. Ze zijn geschrokken van de meestal magere milieuparagrafen in de verkiezingsprogramma's. En ze vrezen dat het kabinet voor kerstmis met een totaal onvoldoende tweede Nationaal Milieubeleids Plan (NMP II) op de proppen komt.

De brede milieubeweging wil allereerst dat de CO-2 uitstoot veel harder met onder andere energieheffingen wordt aangepakt en dat vervolgens de mobiliteit, vooral van het wegverkeer, niet nog verder wordt uitgebreid maar ingeperkt.De derde eis betreft het landschap van Nederland. In het jaar 2010 moet 10 procent van ons landoppervlak, dat is driehonderdduizend hectare, bestaan uit natuurgebied. Daarvoor moet door de staat per jaar vierhonderd miljoen gulden extra worden vrijgemaakt.

In vijfendertig jaar tijd heeft Nederland zijn natuurgebied voor 50 procent laten afnemen en nu moet het weer met ruim honderd procent worden vermeerderd. De politiek noemt dat de 'Ecologische Hoofdstructuur', ofwel het 'Structuurschema Groene Ruimte'', waarin natuurgebieden door corridors met elkaar verbonden moeten worden. Een wild zwijn moet straks, om zo te zeggen, van Noord-Groningen over de Veluwe naar Zeeland kunnen trekken.

Geen mens zal ongelukkig zijn met grote natuurgebieden. Maar de kwestie is of die in Nederland mogelijk zijn. Ons land is één van de kleinste en dichtstbevolkte landen ter wereld. Grond is hier het allerschaarst en dus het duurst. Iedereen zoekt grond. Steden moeten uitbreiden, woonwijken, kantoor- en industrieparken, meer wegen worden ontworpen, nieuwe spoorlijnen. En tussen al die economische harten en verkeersslagaders moeten groene longen worden geperst. Dat moet allemaal tegelijk.

De milieuorganisaties hebben de oplossing: er moet landbouwgrond vrij komen, daar maken we natuur van. De vraag is, wat voor een visie op landbouw en op natuur hier eigenlijk achtersteekt.

De natuurvisie van de milieubeweging lijkt verregaand een stadsvisie te zijn en als zodanig sluit ze nauw aan bij de heersende politieke benadering. Als men de landkaarten analyseert van de plannen van de Europese Commissie in Brussel, dan moet Europa een netwerk worden van metropolen, die door de snelst mogelijke verkeersvoorzieningen met elkaar verbonden worden. Daartussen zit dan ook nog iets en dat zien de plannenmakers het liefst als natuur. Dat zal de stedeling het gevoel geven dat politiek en projectontwikkelaars het milieu redden.

Maar dan doet zich nog een probleempje voor. Het schijnt een misverstand te zijn dat voedsel uit de supermarkt komt. Daar schijn je nog zoiets als landbouw en tuinbouw voor nodig te hebben. Die stoppen we dan in Nederland, zoals de indianen in Amerika, in agro-reservaten, we maken agrarische concentratiegebieden waar de veehouderij en de tuinbouw nog intensiever bedreven worden. Want op de agrarische export willen de agro-business en de politiek niet afdingen. Kortom, land- en tuinbouw op beton en roosters, in hokken en batterijen, op steenwol en onder glas. Dat geen techniek kan voorkomen dat de prachtige natuurgebieden dan opnieuw verzuren en het drinkwater verder bedreigd wordt is even niet aan de orde.

Dit is geen houdbare visie op landbouw. Het platteland blijft zo niet in leven. Een dergelijk beleid zal het platteland op fatale wijze verder ontvolken. Dat is een ecologische ramp die zich nu voltrekt in de Verenigde Staten, de voormalige Sovjet-Unie en de Derde wereld. Waarom vecht de Franse regering zo vasthoudend een GATT-landbouwakkoord aan? Omdat in Frankrijk boeren en platteland nog een onmisbare cultuur dragen. Landbouw kan niet reductionistisch worden opgevat als alleen maar produktieapparaat van voedsel, dat je in concentratiegebieden nog verder in elkaar kunt persen.

Er is veel meer natuur nodig, waar rijkdommen en reserves van flora en fauna zich kunnen herstellen. Juist daarvoor is een Europese en mondiale aanpak nodig. In grote landen betekent tien procent natuurgebied iets anders dan in kleine. In berggebieden zoals de Alpen, Pyreneeën, Elzas, Vogezen, Ardennen, zuidelijk Duitsland, Scandinavië of Schotland is 'van nature' meer ruimte voorhanden. Daar moet allereerst natuurgebied worden veiliggesteld, onder andere tegen houtkap, ski-pistes en nieuwe wegen.

In Nederland zal naar een heel andere natuurbalans moeten worden gezocht, die niet allereerst in procenten en hectares is uit te drukken. We zullen vooral het bestaande moeten beschermen, Veluwe, IJsselmeer, Waddenzee.

De milieubeweging dreigt een tweedeling te forceren die ecologisch funest is. Onze landbouw moet niet minder maar meer grond ter beschikking krijgen. Behalve een vermindering van de veestapel moet meer grond voor weiden en verbouw van veevoer worden gereserveerd. Voor zo'n extensieve landbouw, waarbij ook de akkerbouwgebieden hun eigen vee zullen krijgen, dienen boeren geen marktprijzen maar ecologische kostprijzen te krijgen.

Herstel van platteland, van een duurzame landbouw en van dorpen die daarvan kunnen leven, is het beste milieubeleid wat je kunt voeren, en ook het goedkoopste.

Nederland is ooit ontgonnen en drooggelegd. We moeten van het mislukte Sovjet-systeem leren, dat wie zijn boeren en boerinnen de kans, het vertrouwen en vooral de lust ontneemt om boer te blijven, de basis van onze samenleving, een veilige voedselvoorziening, vernietigt. Dat kan in één generatie gebeuren.