LANG LEVE DE ETIQUETTE

Het belegerde ego door Beatrijs Ritsema 152 blz., Prometheus 1993, ƒ 24,-- ISBN 90 5333 185 9

Stel, in de verre toekomst wil een historicus een studie maken over mens en maatschappij anno 1993. Stel, hij zoekt een analyse uit die tijd zelf om te begrijpen hoe de aardlingen hun weg zochten in het postmoderne leven aan het einde van de twintigste eeuw. En stel, hij grijpt naar Het belegerde ego van publiciste Beatrijs Ritsema. Zou hij dan veel wijzer worden?

Enerzijds zeker. In dit onlangs verschenen boek over de gevolgen van het menselijk streven naar autonomie, dat 'vanaf de opkomst van het seculier humanisme ten tijde van de Verlichting een belangrijke onderstroom is geweest in de westerse cultuur'', wordt veel uitgelegd. Zo staat achter het woord 'beschaving' netjes tussen haakjes vermeld 'datgene wat mensen hebben opgebouwd'', en wordt Maarten 't Hart keurig voorgesteld als 'een kunstenaar die mooie boeken heeft geschreven en een paar controversiële''. Ook heb ik zelden een leerzamer typering van een tijdvak gelezen dan degene die Ritsema geeft over de jaren zestig: 'Het was een opstand van de jeugd tegenover de ouderen (ouders).''

Anderzijds rijst uit dit werk een beeld op dat niet in alle opzichten herkenbaar is. Het belegerde ego wil een aantal noten kraken over een met zichzelf in de knoop geraakte cultuur, dus het valt wel te begrijpen dat slechts tobberig feminisme, de verstikkende plicht tot originaliteit, de beklemmende ketenen der vrijheid, anti-autoritair verpeste kinderen, de ziekelijke preventieve gezondheidszorg en het gekmakend gemis aan etiquette om voorrang strijden. Het heeft er evenwel alle schijn van dat Ritsema oprecht meent dat de mensheid en masse hulpeloos ronddoolt in het labyrint vol misvattingen dat modern leven heet. Nuances zoekt men in dit werk in ieder geval tevergeefs. In plaats daarvan klinken met grote stelligheid keer op keer woorden zoals 'iedereen', 'altijd', 'dat is zo', 'de vrouwen', en zinnen in de trant van: 'voor mannen ligt dat eenduidig'.

Op een wijze die geen tegenspraak duldt, karteert Ritsema de valkuilen van het eigentijdse bestaan en de treurige neveneffecten van alle goede bedoelingen die de grootstedelijke medemens koestert in zijn waan van een individueel bewustzijn. Om dat grote collectieve falen in een schril licht te zetten, strooit zij met boude uitspraken, die misschien wel zijn bedoeld om te prikkelen. Zo stelden de jaren zestig volgens haar 'inhoudelijk gezien niet zoveel voor'', blijkt de meeste menselijke autonomie die zij om zich heen ziet 'schijn'', heet Vrouwenstudies 'een dolgedraaide parasiet'', overschrijdt een babyfoon 'de privacy van de baby'', en blijkt de kindercrèche een totale institutie, waar 'akelige eigenschappen'' als sociale weerbaarheid worden aangeleerd.

APLOMB

Helaas werkt al die zelfverzekerde uitdagendheid niet. Het hele boek door blijft Ritsema in één ritme op haar aambeeld hameren, kent zij in haar stijl niet meer dan één toonsoort, blijkt het maatschappelijk leven voor haar uit één dimensie te bestaan en zorgt zij zo zelf voor een apodictische monotonie, die vrijwel alle lust tot weerwoord laat bekoelen.

Dat wil niet zeggen dat er in Het belegerde ego niet van alles met aplomb wordt beweerd dat noopt tot kanttekening. Zo zou ik wel eens willen weten hoe het zit met de rotsvaste conclusie dat 'de angst voor moralisme de grootste erfenis is van de jaren zestig''. Zou er niet een even mooi betoog te schrijven zijn over 'de opbloei van het moralisme als de erfenis van de jaren zestig''? Er zijn immers aanwijzingen genoeg dat Nederland zich juist graag overgeeft aan ethische bevlogenheid, al dan niet doordesemd met zondebesef of bestraffende leerstelligheid. Misschien wel nergens ter wereld stemmen de hoofdredactionele commentaren van kranten ter linker- en rechterzijde zo vaak overeen in hun roep om 'fatsoen'. Ook de grootscheepse 'Ik ben woedend'-kaartenactie tegen het Duitse rechts-radicalisme is in dit perspectief een noemenswaardig voorval.

Eveneens zou ik wel meer willen weten over het door Ritsema gesignaleerde 'in diskrediet raken'' van 'de' etiquette. Wie beseft dat in Nederland op menige school al voor twaalf-jarigen gala-bals in black-tie worden georganiseerd, terwijl even verderop in extravagante discotheken het decadente narcisme als vaste omgangsregel voor de sociale interactie geldt, krijgt het idee dat deze kwestie wat ingewikkelder in elkaar steekt dan Het belegerde ego ons wil doen geloven.

Ritsema twijfelt echter nergens, althans niet aan haar eigen gelijk. Het leven is voor haar overzichtelijk: de tobbers, dat zijn de anderen. Veel van de huidige intellectuele janboel wortelt volgens Ritsema in de jaren zestig en zeventig, waarvan 'de geest niemand onberoerd heeft gelaten''. Hier speelt onmiskenbaar een kwestie van perspectief: wie zich fixeert op de lunatic fringe van de samenleving, ontwaart al snel golven van gekte die over het laagland rollen. Als een of andere universitaire socioloog een stuk schrijft over het seksistische karakter van Jip en Janneke, is dat voor Ritsema dan ook een teken van een brede maatschappelijke ontwikkeling. Als iemand tijdens een feestje tegen haar pleit voor het best wel naar anderen toe vertalen van je eigen intimiteit, ziet ze dit als de top van een postmoderne ijsberg die de romp van het sociale schip dreigt open te rijten.

Natuurlijk, Ritsema heeft gelijk: de moderne tijd is ondraaglijk; ondraaglijk oppervlakkig, dommig en hemeltergend bovendien. Maar dat is iedere moderne tijd, steeds weer opnieuw, en dat gaat vanzelf over. Ondertussen blijft de lezer van dit boek zitten met het zonderlinge gevoel dat anno 1993 louter sukkelende stumpers rondlopen die allemaal voortdurend struikelen over hun eigen individualiteit - allemaal, behalve één.

    • Bastiaan Bommeljé