Inbreken voor gevorderden

Het aantal geregistreerde woninginbraken in Nederland was vorig jaar 111.569, dat betekent sinds 1980 ruim een verdubbeling. Het métier wordt lang niet uitsluitend door drugsverslaafden uitgeoefend. In Nederland doen de meeste inbrekers 'boodschappen' via de voordeur, zo wijst onderzoek uit. En op elke extra beveiligingsmaatregel weet de dief wel weer een inventief antwoord. In Rotterdam-Noord is een speciaal politieteam belast met inbraakopsporing en -preventie. 'Jan en alleman is tegenwoordig aan het inbreken.'

In april van dit jaar kreeg de Haagse Brigitte Stiefelhagen voor het eerst zelf met diefstal te maken. Ze trof haar op de Rotterdamse 's-Gravendijkwal geparkeerde auto aan met ingeslagen ruit en miste een weekendtas vol kleding en dure toiletartikelen. Dat incident was het begin van een reeks diefstallen die haar ten slotte in wanhoop deden vermoeden dat een onbekende vijand achter haar aan zat.

Haar auto stond in een hele rij geparkeerde auto's waarvan ruiten waren ingeslagen. Brigitte was woedend omdat het voorval haar werkprogramma van die dag verstoorde. Ze aarzelde geen ogenblik om aangifte bij de politie te doen, al was het maar om de schade bij de verzekering te kunnen claimen. Op het politiebureau merkte ze dat haar geval niet uitzonderlijk was. De parkeerplaats was berucht om het grote aantal auto-inbraken.

Toen ze op een juni-avond met een vriend zijn woning in Rotterdam binnen wilde gaan, bleek dat de voordeur niet op slot zat. Binnen was het een wanorde; de dieven hadden een bovenraam ingeslagen om binnen te komen, stelde ze vast. Er was een fototoestel gestolen, wat klein geld en een slof sigaretten; pas later werd ontdekt dat ook een fiets en een bos sleutels waren verdwenen. De vriend was tevreden dat de schade beperkt was, maar Brigitte werd verschrikkelijk boos: 'Dat ze het lef hebben zomaar aan iemands spullen te zitten!''

De gealarmeerde politie kwam dadelijk, was vriendelijk en adviseerde de speciale inbraaksloten in de deur snel te vervangen; het cylinderslot kon later wel worden vernieuwd. Verwezen werd naar een firma Kreuk, die dezelfde mening was toegedaan en het karwei 's nachts nog klaarde. De volgende middag praatte Brigitte met de vriend in diens tuin na over het gebeurde. Ze hoorden dat in het huis een deur dicht sloeg, maar stonden daar verder niet bij stil.

Toen Brigitte 's avonds weg moest ontdekte ze dat haar portemonnaie, haar autopapieren, haar autosleutels en haar portefeuille met girocheques waren verdwenen. Ze ging naar buiten en miste ook haar auto. 'Pas toen ik drie keer de straat op en neer was gelopen geloofde ik het.'' De vriend merkte plotseling dat een slof sigaretten die hij die morgen op tafel had gelegd was verdwenen. De dief moest met een sleutel binnengekomen zijn, omdat het cylinderslot niet was vernieuwd en de andere sloten - als overdag iemand in huis was - niet werden gebruikt. De politie was weer voorkomend en waarschuwde dat Brigittes girorekening meteen moest worden geblokkeerd. Dat deed Brigitte, maar de dief had in de tussentijd 1500 gulden van haar rekening geheaald. Haar pincode, die zij apart van haar pasje op een onopvallend papiertje in haar portefeuille bewaarde, was snel door de dief ontdekt. De politie schatte de kans dat de auto nog teruggevonden zou worden op vijftig procent. Hij kon naar Oost-Europa worden gebracht, of worden overgespoten of van een nieuw chassisnummer worden voorzien. 'Ik was wanhopig'', zegt Brigitte die niet tegen diefstal van haar auto was verzekerd. Ze zag haar auto nooit meer terug.

Enkele weken later ontdekte Brigitte bij thuiskomst dat haar tuindeuren open stonden. Buren hadden niets gemerkt van de inbraak, waarbij een stuk schutting omver was gehaald. De videorecorder was verdwenen en opnieuw was een weekendtas meegenomen. Weer belde Brigitte de politie. 'Voor de verzekering, maar toch ook weer met de stille hoop dat toevallig iemand met mijn video gepakt zou worden. Ik voelde me achtervolgd en depressief.''

Secustrips

Steeds gecompliceerder maatregelen om diefstal te voorkomen ontmoedigen dieven niet. Woningen worden voorzien van veiligheidssloten, dievenklauwen, secustrips, electronische alarmsystemen en slechts een enkele keer van de in andere landen populaire luiken. Die worden hier weinig gebruikt omdat Nederlandse inbrekers volgens gegevens van het Verbond van Verzekeraars liever door een deur binnenkomen dan dat ze een ruit inslaan. Het aantal geregistreerde woninginbraken was vorig jaar 111.569, sinds 1980 ruim een verdubbeling.

De drastische stijging van het aantal slachtoffers van inbraak is vermoedelijk niet het gevolg van een toegenomen omzet per inbreker, maar van een gegroeide populariteit van diefstal als bron van levensonderhoud. Er zijn onderzoeken gedaan naar de drijfveren en de werkwijzen van dieven, maar die lijden allemaal aan één mankement. Dieven laten zich wel in de cel door medewerkers van het ministerie van justitie interviewen, maar praten daarbij uitsluitend over de zaken die ze toch niet meer kunnen ontkennen.

De 22-jarige André Hollaar, een broodmagere Hagenaar, heeft negen maanden gevangen gezeten wegens achttien 'berovingen met geweld', ofwel tasjesroof. Hij tekent daarbij aan dat volgens hem het geweld uitsluitend bestond uit het trekken aan de tasjes en dat hij geen letsel heeft veroorzaakt. 'Als je plotseling hard trekt gaat een hand vanzelf open.'' Over zijn berovingen wil hij wel praten; hij deed het om zijn verslaving aan drugs te bekostigen en is ervoor veroordeeld tot twee jaar en drie maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk. Zijn medegevangenen beschouwden een tasjesrover als een minderwaardige crimineel en molesteerden hem daarom herhaaldelijk. Na negen maanden gevangenis werd hij naar een afkickcentrum overgebracht en ten slotte kreeg hij twee maanden gratie. Hij spreekt - als vrijwilliger van het 'Voorlichtingsprojekt Delinkwentie en Samenleving'' - op scholen over de gevaren van het criminele leven dat hij goed kent en de rug zegt te hebben toegekeerd. Maar hij heeft geen behoefte om de bron van zijn gedetailleerde kennis van vele vormen van criminaliteit aan de grote klok te hangen.

Verleden

Een andere ex-dief, pas getrouwd en een respectabele baan, wil zelfs niet met zijn initialen in de krant. Zijn vrouw, een ambassadeursdochter, is van zijn verleden op de hoogte, maar zijn schoonouders weten niets van zijn wapenfeiten: lidmaatschap van een jeugdbende, vijftig inbraken die hij bekend heeft, arrestaties en een veroordeling tot acht maanden waarvan vier onvoorwaardelijk. Hij kent het milieu nog uitstekend, is op de hoogte van veel inbraaktechnieken en is bereid contact te leggen met één van die door de wol geverfde inbrekers.

Deze dief, begin twintig, was als kind van twee alcoholistische ouders al jong in een tehuis geplaatst. Hij gebruikte op zijn dertiende marihuana en op zijn vijftiende 'heroïne, cocaïne en alles wat er maar te krijgen was''. Het zakgeld van ƒ 27,50 per week was hiervoor volstrekt onvoldoende en daarom stal hij met enkele vrienden een computer van het tehuis. De buit werd aan een drugsdealer doorverkocht voor 275 gulden. Toen hij op zijn zestiende het tehuis had verlaten, leerde hij van een zwager autoradio's stelen om zijn verslaving te bekostigen. 'Ik heb acht jaar autoradio's gestolen, maar ik ben nooit betrapt'', zegt hij. Hij kijkt eerst in een auto of de radio het stelen waard is. 'Een oude Blaupunkt steel je niet. Een kleine radio brengt bij een drugsdealer 25 gulden op, een grotere vijftig gulden. Dus moet je er al gauw zo'n zes per dag stelen om je drugs te kunnen betalen.''

Nadat de buit is gesignaleerd wordt de omgeving geïnspecteerd. De vraag is of er goede vluchtwegen zijn - het liefst een brandgang of een met paaltjes voor auto's afgesloten weg - en struiken om de buit desnoods weg te kunnen bergen en later weer op te halen. Een drukke straat is ook aantrekkelijk. 'Je valt tussen de massa niet op.'' Om de autoruit kapot te krijgen gebruikt hij bij voorkeur zo'n hamertje dat in bussen en trams hangt om in geval van nood een ruit mee in te slaan; een autoruit wordt er met een klein tikje geruisloos mee versplinterd. Als de autoradio een beveiligingssysteem heeft, zoals een afneembaar radiofront, zoekt de dief een ander slachtoffer. Maar een lege radio-slede overtuigt hem niet altijd: 'BMW's en Alfa Romeo's zijn vaak auto's van luie mensen die een radio onder een stoel verstoppen.''

Onderdelen

Diefstal van complete auto's, die dikwijls geheel of in onderdelen naar het buitenland verdwijnen, gebeurt meestal op bestelling. De deur wordt zonder problemen geopend met een 'slotenpikker', een apparaat dat in garages wordt gebruikt bij het uitdeuken, maar waarmee - nadat het voor dit doel is aangepast - eenvoudig een autoslot uit een portier kan worden getrokken. Vervolgens worden met de slotenpikker ook stuur- en contactslot verwijderd en is meestal een schroevendraaier voldoende om de motor te starten.

Deze dief heeft bovendien tientallen woninginbraken gepleegd. Hij raast maar enkele minuten door een huis en verdwijnt dan snel uit angst betrapt te worden. De waarde van zijn buit ligt meestal tussen de vierhonderd en vijftienhonderd gulden. Hij neemt bij voorkeur contant geld mee, pasjes en cheques, gouden sieraden, videorecorders en paspoorten. Hij vertelt dat in bankpasjes namen en nummers tot voor enkele jaren geleden zó waren geponst, dat ze met behulp van een strijkbout en schone remolie geheel verwijderd konden worden. Daarna werden met een behulp van een ponsapparaat de gegevens die bij gestolen cheques behoorden op een pasje aangebracht. In winkels, waar slechts vluchtig naar pasjes wordt gekeken, konden de cheques gemakkelijk worden uitgegeven. Maar sinds de gegevens duurzamer op de pasjes zijn aangebracht, werkt deze truc niet meer.

Als werkterrein kiest deze dief meestal de meer welgestelde woonwijken in de Randstad. Maar soms neemt hij ook de trein naar de kop van Noord-Holland of de Betuwe om 'een nachtje boodschappen te doen''. Bij voorkeur werkt hij buiten zijn eigen woonplaats, omdat zijn gezicht daar zo bekend is dat de politie hem soms zelfs aanhoudt als hij 's nachts zomaar over straat loopt. Ook werkt hij nogal eens samen met een andere inbreker, omdat een huis dan grondiger doorzocht kan worden en er één op de uitkijk kan staan.

Een woning zonder verlichting of met alleen een brandende schemerlamp riskeert de meeste belangstelling van inbrekers. Vervolgens is het zaak te ontdekken of er mensen thuis zijn. De inbreker vertelt dat hij vaak eerst steentjes tegen de ruiten gooit om te kijken of iemand reageert. Als hij het daarna nog niet vertrouwt, kan hij ook een kat van de straat pakken en aanbellen. 'Als er open gedaan wordt vraag ik: Mevrouw, is dit misschien uw poesje?'' Hij kent een collega die gewoonlijk vraagt of de dokter thuis is, waarop bewoners meestal vriendelijk vertellen dat er sprake moet zijn van een vergissing. Blaft in de woning een hond, dan zoekt de dief liever een ander doelwit. 'Ik ben bang voor honden, of het nu grote of kleine zijn. Ze bezorgen me een zwaailicht-idee. Als je inbreekt ga je ervan uit dat het tenminste vijf minuten duurt eer de politie er is. Maar je loopt niet direct al op een zwaailicht af.''

Heeft de dief een woning eenmaal aantrekkelijk gevonden, dan zet hij die niet gauw meer uit zijn hoofd. Als er bewoners aanwezig zijn, besluit hij vaak om zijn geluk een volgende keer te proberen. Een woning waarin een succesvolle kraak is gepleegd, vergeet hij trouwens ook niet snel. 'Je weet: het is gelukt, maar er is nog meer te halen dat je in de haast niet mee kon nemen. Of je kunt er zeker van zijn dat in hetzelfde huis voor de spullen die je gestolen hebt nieuwe dingen zijn gekocht die je ook weer kunt meenemen. Zo heb ik in één huis vijf keer achter elkaar een geluidsinstallatie gestolen. Toen ik het een zesde keer wilde doen, lukte dat niet omdat de bewoners een hond hadden aangeschaft.''

Deze dief behoort tot de notoire inbrekers waarvan Kees van Oekel, coördinator van het woninginbraakteam van het Rotterdamse politiebureau Noord, zegt: 'Of je nu preventiemaatregelen neemt of niet, zo'n inbreker gaat toch inbreken. Het enige dat je tegen hem kunt doen is ervoor te zorgen dat het bij jou beter beveiligd is dan bij je buurman.'' De dief heeft een voorkeur voor de voordeur, omdat dan het beste de naderende politie kan worden gesignaleerd. De achterkant van een woning biedt weliswaar meer ontsnappingsroutes, maar ook minder uitzicht.

Deze methode wijkt af van de conclusie van een onderzoek van Justitie, dat inbrekers het liefst door de achterdeur gaan. Maar het bevestigt de ervaring van de Rotterdamse politieman: 'Het zijn praatjes dat dieven door de achterdeur gaan. In de buurten waar ik werk gaan ze even vaak overdag als 's nachts door de voordeur, bij voorkeur in portiekwoningen waar ze vrij kunnen breken. Soms zien thuiskomende bewoners iemand aan hun deur wrikken, of ontmoeten ze op de trap een vertrekkende inbreker. Ze zijn dan dikwijls zo overdonderd dat ze niet meer weten te vragen dan: Wat bent u aan het doen?''

IJzer

Om een deur te openen zijn er verschillende methodes. Zit een deur niet op het nachtslot, dan kan hij al geopend worden door een credit-card tussen het slot te schuiven. Door middel van een klap met een stuk ijzer tegen een slot kan de zaak openbreken, desnoods zet men een koevoet tussen de deur. Beveiligingen als extra sloten en sluitkommen zijn lastig omdat ze het tempo van de dief vertragen. 'Maar een deur is zo sterk als zijn zwakste punt'', is de ervaring van politieman Van Oekel die heel wat versplinterd hout heeft gezien. De ontspannen vertellende dief heeft als hij inbreekt grote haast en vermijdt bij voorkeur lawaai dat buurtbewoners kan alarmeren. Daarom slaat hij ook het liefst geen ruiten in. 'Ik heb wel eens met plakplastic gewerkt. Als je dat tegen een ruit plakt die je vervolgens indrukt, hoor je niets.''

Eenmaal binnen keert de dief in zo hoog mogelijk tempo laatjes van wandmeubelen om, zoekt hij naar geld in boeken en snelt hij naar de slaapkamer omdat sieraden en andere kostbaarheden dikwijls in de linnenkast verborgen zijn. 'Een keer kwam een man de slaapkamer uit. Hij had een pistool in zijn hand waarmee hij drie keer op mij schoot. Hij miste en ik ontsnapte. Maar sindsdien heb ik wel de schrik'', vertelt de dief, die zegt vanaf dat ogenblik geen woning meer binnengedrongen te zijn.

Hij heeft in ieder geval geen inbraakmethode onbeproefd gelaten. Met een collega-inbreker gooide hij eens stenen door de ruit van een electronisch beveiligde woning, zodat de bewoners de keuze hadden om in het geloei te blijven zitten of door het afzetten van het alarm de weg voor de dieven vrij te maken. Ook heeft hij ervaring met 'snelkraken': met een gestolen auto de voorgevel een winkel binnen rijden en in enkele minuten met zoveel mogelijk buit verdwijnen. Winkels met lederen kleding en met computers hebben daarbij zijn voorkeur, omdat hij als verslaafde goederen zoekt die hij gemakkelijk bij drugsdealers kwijt kan. 'Antiek en dat soort dingen is voor oudere inbrekers. Die stelen voor verzamelaars en werken met tips. Daar kom je bijna niet tussen.''

Schok

In district Rotterdam-Noord leidt politieman Van Oekel een team van zeven mensen dat gespecialiseerd is in woninginbraken. Ze kijken na iedere inbraak, groot of klein, altijd of de technische recherche misschien de opsporing van de dieven kan bespoedigen. Maar hun aanwezigheid op de plaats van het misdrijf heeft ook een andere reden. Van Oekel: 'Mensen bij wie is ingebroken hebben een schok ondergaan. Als de politie vervolgens ongeïnteresseerd is, krijgen ze een tweede schok. Dankzij onze speciale groep woninginbraak kunnen wij een grotere service aan de slachtoffers verlenen, zodat de mensen niet nog verder in de put raken.''

Meestal volgt op een inbraak een beperkt buurtonderzoek door de politie. Vervolgens wordt een aangifte opgesteld en gaat de politie nog eens bij de slachtoffers langs om een handtekening te halen en te informeren hoe het verder gaat. Maar wat het oplossen van de inbraak zelf betreft, lijkt het voor het politieteam dweilen met de kraan open. Vorig jaar werden in het district 1250 inbraken geregistreerd, een getal dat dit jaar ook ruimschoots gehaald zal worden. Van Oekel vertelt tevreden hoe zijn team vorig jaar ongeveer 250 personen enkele dagen heeft aangehouden. 'Die hebben dus enkele dagen niet kunnen inbreken.''

De achtergronden van inbrekers in Rotterdam-Noord zijn velerlei. Van Oekel waarschuwt voor het misverstand dat het alleen gaat om drugsverslaafden. Hij ziet ook in toenemende mate gokverslaafde inbrekers. Ook signaleert hij een speciaal probleem met drugskopers uit Noord-Frankrijk die korter of langer in Rotterdam blijven hangen en met diefstal in hun levensonderhoud voorzien alvorens per gestolen auto te vertrekken. 'Jan en alleman is tegenwoordig aan het inbreken'', verzucht hij.

Hij signaleert wel algemene trends in de criminele wereld. Zo is eind vorig jaar het gebruik opgekomen om bij een inbraak ook autosleutels en kentekenbewijs mee te nemen om vervolgens met de auto van het slachtoffer weg te rijden. 'Zoiets wordt kennelijk in dat milieu doorverteld. Die auto's worden of als tijdelijk vervoermiddel gebruikt en later teruggevonden of ze verdwijnen definitief'', zegt Van Oekel. Hij signaleert 'bedroevend veel'' dat het inbrekers gemakkelijk wordt gemaakt omdat bovenlichtjes 's nachts open worden gelaten, voordeuren niet op het nachtslot gaan en pincodes bij bank- en giropasjes worden bewaard. 'Achteraf heeft men daar altijd spijt van.''

Van sociale controle hebben dieven in Rotterdam-Noord ook weinig last. Als bij een inbraak glasgerinkel wordt veroorzaakt, schenken buurtbewoners daar weinig aandacht aan. Vrijwel nooit noteert iemand het kenteken van een auto met vluchtende dieven. 'Wij ontmoeten vaak mensen die alles gezien hebben, maar die geen enkele actie hebben ondernomen. Ze denken er niet aan om de politie te bellen.'' Overigens waarschuwt Van Oekel voorzichtig te zijn met pogingen om zelf inbrekers aan te houden. De dieven zijn overwegend geen geweldplegers, maar als ze worden ontdekt doen ze wel alles om weg te komen. De ervaring van de Rotterdamse politie is dat veel inbrekers met een spuitbusje traangas op zak lopen, dat door de fabrikant wordt aanbevolen aan eerzame burgers die zich tegen overvallers willen verdedigen.

Vluchtweg

Bij het Verbond van Verzekeraars heeft drs. F. H. E. Renger, voorzitter van de afdeling brand- en inbraakverzekeringen, niet de illusie dat de ideale verdediging tegen inbrekers ooit wordt gevonden. Het beeld dat de verzekeraars van de arbeidsomstandigheden van inbrekers hebben stemt op veel punten overeen met dat wat dieven er zelf over zeggen. Allereerst is er het belang van een goede vluchtweg, reden waarom inbrekers liever door een deur naar binnen gaan dan door een ruit. Volgens Renger moeten sloten zodanig zijn, dat het enige tijd kost voor een deur open is; liefst moet de inbreker veel lawaai maken om het zover te krijgen.

Specialist ing. L. P. H. Huges van het Bureau voor Schadepreventie TBBS: 'Een inbreker is nerveus. Hij vraagt zich af of de bewoners thuis zijn. Hij wil zo weinig mogelijk risico nemen en daarom zo snel mogelijk weg zijn.'' Huges erkent dat aan de inventiviteit van de inbrekers nooit een einde komt. Het komt voor dat een dief een bankpasje steelt en enkele weken later naar de bestolene opbelt. De dief zegt dat hij namens de bank de bestolene de gelukkige mededeling kan doen dat het pasje is teruggevonden. Hij zegt het pasje terug te zenden als de bestolene even zijn pincode wil vertellen. Het slachtoffer doet dat vaak zonder aarzelen en wordt alsnog geconfronteerd met een geplunderde bankrekening.

'De beste preventie is het creëren van een onprettig werkklimaat'', zegt Huges. Tot dat werkklimaat behoort niet alleen de kwaliteit van hang- en sluitwerk in woningen, maar ook de afzetmogelijkheden voor de gestolen waar, die zo goed zijn dat geen inbreker ze als een belemmering behoeft te zien.

Volgende aflevering: het gestolen goed.

    • Ben van der Velden