HEIMWEE NAAR TITO

Brandhaard Balkan. Achtergronden van het Joegoslavische conflict door dr. M.W. Weithmann 193 blz., J.J. Groen en Zoon 1993, ƒ 29,95 ISBN 90 5030 389 7

Tito, Yugoslavia's Great Dictator. A Reassessment door Stevan Pavlowitch 119 blz., C. Hurst & Company 1993, ƒ 24,95 ISBN 1 85065 151 5

Het verdoemde land. De Joegoslavische tragedie vanaf 1900 Martin van den Heuvel 128 blz., geïll. H.W. Becht NV., ƒ 24,90 ISBN 90 230 0817 0

Scheuren in de heksenketel. Een historische schets van Joegoslavië en de Balkan door Milo Anstadt 205 blz., Contact 1993, ƒ 29,90 ISBN 90 254 0220 8

'De ideologie van de etnische staat is gebaseerd op de veronderstelling dat iemands nationaliteit bepalend is voor zijn identiteit. Die ideologie onderstreept verschillen en leidt automatisch tot de veronderstelling dat ik beter ben dan een ander, dat een ander minder is dan ik en dat uiteindelijk alle anderen vijanden zijn.' Dit zei de Tsjechische president Václav Havel in oktober, in een van zijn periodieke, op de Tsjechische radio uitgezonden praatjes-bij-de-haard, over de oorlog in voormalig Joegoslavië.

De vraag waarom die ideologie van de etnische staat in de jaren negentig van de twintigste eeuw - een halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog die tot een 'herschikking' van Europa leidde en anderhalf decennium nadat in Helsinki plechtig fatsoensafspraken over de principiële omgang van landen met elkaar waren ondertekend - in het voormalige Joegoslavië tot een bloedbad leidt, houdt Europa nu al meer dan twee jaar bezig. Hoe is het mogelijk dat de ex-Joegoslaven in Kroatië en Bosnië een zo barbaars, wreed en primitief bloedbad aanrichten? En hoe is het mogelijk dat ze dat juist nu doen, in een tijdperk waarin overal elders in Europa het uitvechten van conflicten met de wapens als een primitief anachronisme wordt gezien?

Het antwoord op die vraag moet worden gezocht in de cultuurgeschiedenis van de laatste tweehonderd jaar. Het nationale 'wij-gevoel' is op de Balkan meer dan elders een afgrenzing van 'de anderen', een zendingsbewustzijn dat niet integreert maar juist scheidt.

In de vorige eeuw vonden Johann Gottfried Herders gedachten over de cultuurnatie overal in Europa ingang. Ook op de Balkan, toen de volkeren daar eenmaal begonnen zich te bevrijden van de buitenlandse overheersing. Maar hier werden Herders denkbeelden toegepast in een gebied waar de sociale verworvenheden van de Verlichting en de burgerlijke samenleving niet voorhanden waren. Eeuwenlang waren de volkeren van de Balkan overheerst en klein gehouden door grote mogendheden, door vooral de Turken, de Habsburgers, de Hongaren en de Russen, die er hun plaatsvervangende oorlogen uitvochten en die eeuwenlang die Balkan-volkeren hadden misbruikt om zich ver van eigen bodem tegen een concurrerende grootmacht te verdedigen.

MANIPULATIE

In de vorige en aan het begin van deze eeuw werd die deken van buitenlandse overheersing weggenomen door de ineenstorting van het Turkse en later ook het Habsburgse rijk. Op de Balkan, een religieus, etnisch en geopolitiek onoverzichtelijk gebied dat plotseling uit een langdurig isolement te voorschijn kwam, werden opeens nieuwe, uit het Westen komende denkbeelden geïmporteerd. Maar met het concept van de cultuurnatie konden die nieuwe landen na eeuwen van 'niet-bestaan' en grove manipulatie door hun overheersers weinig beginnen.

Er was weinig dat samenbond en er was weinig om trots op te zijn: de nieuwe landen waren straatarme boeren- of bergbewoners-samenlevingen met tamelijk willekeurig getrokken grenzen die nergens precies vastlagen en met tradities en gebruiken en een mentaliteit die zich eeuwenlang niet hadden kunnen ontwikkelen. Volken en volkjes waren door eeuwenlange manipulatie door elkaar gaan wonen, waren versplinterd en door hun overheersers op de vlucht gedreven en weer teruggelokt, waren door de Turken en de Habsburgers geherhuisvest aan grenzen die ze moesten verdedigen, waren geronseld om elders ontvolkte gebieden te bevolken.

Waarom betwisten Bulgaren en Serviërs het bestaan van Macedoniërs? Waarom vormen de Serviërs een meerderheid in Vojvodina, waar ze voor het eind van de zeventiende eeuw niet woonden? Hoe zijn de Serviërs in de Kroatische Krajina terechtgekomen? Hoe kunnen zoveel Albanese en Griekse woorden in het Roemeens zijn beland? Waar komen de talrijke claims en tegenclaims vandaan, die van veel Grieken op zuidelijk Albanië, die van de Serviërs op Kosovo, die van de Bulgaren op Macedonië? Het antwoord is te vinden in de manipulaties van eeuwen geleden.

Het enige waaraan die zo lang gemaltraiteerde volkeren, toen ze aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw eenmaal uit dat isolement te voorschijn kwamen, een zelfbewust zelfbeeld konden ontlenen was hun geschiedenis. En omdat ze in alle gevallen eeuwenlang waren overheerst, moesten ze voor dat zelfbeeld heel vèr teruggrijpen: alle volkeren van de Balkan hadden hun bloeitijd gehad, maar in alle gevallen lag die bloeitijd eeuwen terug.

Het werd dan ook meer dan een teruggrijpen: het werd een opkalefateren van de geschiedenis, die geschiedenis werd hochstilisiert, er werden - niet alleen door de Serviërs met hun fameuze Slag op het Merelveld van 1389, maar óók door de Roemenen, de Kroaten, de Macedoniërs, de Slovenen en de Bulgaren - aan die glorietijd van eeuwen her mythen en heldencultussen toegevoegd. Het ging die nieuwe naties namelijk niet alléén om een eigen geschiedenis, het ging om een geschiedbeeld dat moest concurreren met het geschiedbeeld van de buren: de geschiedenis als wapen in de afgrenzing, en niet de integratie, van landen en volken.

Daar kwam bij dat in deze eeuw de ontwikkeling in de richting van een burgerlijke samenleving op de Balkan bij voortduring is verhinderd. Na drie oorlogen binnen één decennium - de Balkan-oorlogen en de Eerste Wereldoorlog - werden de grenzen herschikt en werden sommige landen met nationaliteitenvraagstukken opgezadeld die ze tot op de dag van vandaag niet hebben opgelost en die in het interbellum een binnenlandse consolidering onmogelijk maakte. De modernisering in het westen en noorden van Europa ging aan de Balkan voorbij: het gebied was door de voortdurende wijziging van de grenzen economisch uit elkaar getrokken en gefragmenteerd in eenheden die zich niet op eigen kracht konden bedruipen, nationale minderheden waren in 'nieuwe landen' terechtgekomen en van sociale pacificatie of stabiele politieke verhoudingen was nergens sprake. Terwijl de rest van Europa economisch en sociaal in een stroomversnelling raakte, beleefde de Balkan in de jaren twintig een tijdperk van verwarring, chaos, staatsgrepen, bloedbaden en felle politieke en etnische confrontaties.

PARALLEL

Die burgerlijke samenleving is er ook sindsdien niet gekomen. In de jaren dertig verdween de ontwikkeling in die richting in de koelkast, eerst door de koninklijke dictaturen van Aleksander in Joegoslavië, Carol II in Roemenië, Boris in Bulgarije, Zog in Albanië, vervolgens door de Tweede Wereldoorlog en uiteindelijk door het communisme. En toen die koelkast eindelijk weer open ging, in de jaren 1989-1991, vloog men elkaar dan ook overal op de Balkan prompt in de haren: terug naar de jaren twintig.

De Duitse Balkan-kenner dr. Michael Weithmann staat in zijn boek Brandhaard Balkan uitvoerig stil bij deze ontwikkeling. Het is Weithmanns verdienste de ontwikkelingen in het voormalige Joegoslavië niet te hebben geïsoleerd van die in de andere Balkan-landen. De ontwikkeling van de laatste honderd tot tweehonderd jaar in Roemenië, Bulgarije en Albanië loopt immers parallel aan die in de diverse delen van Joegoslavië en de Balkan telt buiten de huidige conflictgebieden Kroatië, Bosnië, Kosovo, Sandzak, Vojvodina en Macedonië nog talrijke potentiële brandhaarden, die vrijwel altijd een historische of etnische achtergrond hebben en waarmee Europa het de komende jaren en decennia nog moeilijk zal krijgen.

Brandhaard Balkan - door de uitgever voorzien van de wat misleidende ondertitel 'Achtergronden van het Joegoslavische conflict' waar de oorspronkelijke Duitse uitgave het veel correcter hield op Ursprünge und Hintergrunde des aktuellen Konflikts - wordt iewat ontsierd door slordigheden van de vertaler (die Moldau schrijft waar Moldavië wordt bedoeld, om maar één voorbeeld te noemen), maar het vormt toch in de snel op gang gekomen lawine van Balkan- en Joegoslavië-literatuur van de laatste maanden een belangrijk en zeer lezenswaardig hoogtepunt.

TITO

In zijn biografie Tito - a reassessment onderwerpt de in Southampton Balkan-geschiedenis docerende Stevan K. Pavlowitch Tito aan een analyse, die door de oorlog in ex-Joegoslavië een heel apart soort actualiteit krijgt. In veel analyses wordt Tito gezien als de man die de diverse volkeren van Joegoslavië tientallen jaren lang in het gareel heeft gehouden en wiens belangrijkste fout is gelegen in zijn onwil een opvolger aan te wijzen. Tito erfde in 1945 een Joegoslavië, waar een eerste experiment in het vreedzaam naast elkaar bestaan van de Zuidslavische volkeren grondig was mislukt en waar het in de oorlog tot weerzinwekkende wraaknemingen voor die mislukking was gekomen vooral van de Kroaten jegens de Serviërs. Tito slaagde erin de etnische vrede niet alleen te herstellen, maar die ook tot zijn dood te handhaven. Hij deed dat weliswaar met dictatoriale maatregelen, met een met geweld opgelegde ideologie, met grove manipulaties en met veel morele en financiële hulp van het buitenland, maar in elk geval is het tussen 1945 en zijn dood niet tot grootscheeps geweld gekomen.

Tito's prestaties worden door Pavlowitch niet gebagatelliseerd, al was de hereniging van het Joegoslavië van na de Tweede Wereldoorlog niet uitsluitend zijn werk. Tito, zo betoogt Pavlowitch, was enerzijds de man die de ruziënde volkeren 35 jaar in het gareel hield, maar hij was anderzijds de man die als een van de hoofdschuldigen van het huidige conflict moet worden bestempeld, en wel wegens de manier waarop hij Joegoslavië tijdens zijn leven bijeenhield: verpakt in een communistische dictatuur.

Als Tito in de jaren zestig en zeventig zou hebben gedemocratiseerd, zo betoogt Pavlowitch, zouden spanningen niet zijn ingevroren in een kunstmatige en van boven opgelegde modus vivendi, met Tito als opperste scheidsrechter, maar zouden de volkeren een op meer authenticiteit gebaseerde modus vivendi hebben gevonden. 'De redenen voor de desintegratie van Joegoslavië zijn te vinden in de manier waarop het land bijeen werd gehouden. Tito's communistische Joegoslavië was een revolutionaire reconstructie op bestaande (vooroorlogse) fundamenten. Het nieuwe regime ontbrak het aan verbeelding, misschien nog meer dan het voorgaande, omdat het het in essentie om de macht ging. Het beweerde het nationale vraagstuk te hebben opgelost door de oude orde af te schaffen, maar het verhinderde elke integrerende ontwikkeling die buiten zijn ideologische controle viel. (...) Het was gebonden aan de Koude Oorlog en profiteerde daarvan en het zorgde aldus voor een relatieve en kunstmatige vrijheid zonder te investeren in toekomstige politieke en economische grondvesten. Hoe langer het regime-Tito aanbleef, hoe groter de tegenstelling tussen vorm en inhoud, tussen schijn en werkelijkheid. Het regime had zichzelf bevroren in een monument voor zijn leider, het identificeerde partij en staat met hem en de herinnering aan hem en maakte aldus een overgang naar het post-titoïsme binnen zijn eigen kaders onmogelijk.''

Tito's grote fout, aldus Pavlowitch, was zijn vasthouden aan de macht tot elke prijs. Na de jaren vijftig werd etnisch pluralisme en federalisme geaccepteerd als een manier om Joegoslavië bijeen te houden. Maar dit etnisch pluralisme werd tevens gebruikt om politiek pluralisme buiten de deur te houden en als excuus om het machtsmonopolie van de partij te handhaven. In de jaren zeventig ontwikkelde zich een systeem waarin 'de meeste mensen alleen maar dachten aan de bevordering van hun eigen belangen door zich ofwel bij de bevoorrechte klasse aan te sluiten ofwel gebruik te maken van de mazen in het systeem. Dat was 'titoïsme' voor hen gaan betekenen.'' Er werd wel gedecentraliseerd en het machtsmonopolie van Belgrado werd geleidelijk uitgehold. Maar dat gebeurde door een systeem van cliëntelisme en de verdeling van privileges onder partijbureaucraten, niet door enige vorm van democratisering. Tito, aldus Pavlowitch, vertegenwoordigde een systeem waarin privileges alles betekenden. 'Zijn erfenis omvatte de manipulatie van emoties, de militarisering van de samenleving, de politieke controle over sociale organisaties en de verkettering van echte of vermeende vijanden.''

Toen de opperste scheidsrechter stierf en kort na zijn dood onder zijn onbetekende opvolgers (Pavlowitch: 'dwergen'') ook de communistische ideologie in verval begon te raken, was het met zijn systeem snel gebeurd. De 'dwergen' trachtten het overeind te houden, maar misten daartoe elke autoriteit en faalden jammerlijk. Pavlowitch: 'Het communisme had geen vrije individuen geschapen, in staat tot kritische gedachten over zichzelf en hun nationale gemeenschappen. Het had in plaats daarvan het tegenovergestelde geschapen: subjecten zonder denkbeelden, die onkritisch de nationalismes omhelsden die onder de monolithische structuur van het communisme in hun meest primitieve vorm bewaard waren gebleven.'' De regimes die na 1990 te voorschijn kwamen, 'zwaaiden moeiteloos om van de kunstmatig opgelegde en in stand gehouden ideologische eenheid van het titoïsme naar een propaganda-oorlog tussen kleine naties, waarvan de verschillen niet minder kunstmatig werden opgeblazen voordat ze werkelijk ten oorlog togen''. Waarmee we terug zijn bij het thema van Weithmann: de civil society die nergens op de Balkan de kans heeft gekregen zich te ontwikkelen.

DEGELIJK

Weithmann en Pavlowitch dragen bij tot een beter begrip van wat zich in ex-Joegoslavië afspeelt. Dat is in veel mindere mate het geval met twee zojuist verschenen Joegoslavië-boeken van eigen bodem: Martin van den Heuvels Het verdoemde land. De Joegoslavische tragedie vanaf 1900 en Milo Anstadts Scheuren in de heksenketel. Een historische schets van Joegoslavië en de Balkan.

Van den Heuvel doet in zijn boekje wat de ondertitel belooft: hij brengt de ontwikkelingen van deze eeuw in Joegoslavië in kaart. Hij doet dat degelijk, helder en beknopt, maar ook uitermate saai en zonder enige originaliteit. Er staat geen verkeerd woord in het boek, maar heel veel wijzer wordt de geïnteresseerde krantenlezer er niet van: Van den Heuvel beperkt zich voor alles tot het 'wat' en in tweede instantie tot het 'hoe' van de ontwikkelingen; om het 'waarom' bekommert hij zich helaas te weinig.

Het is jammer dat Van den Heuvel het eerste decennium van de in de ondertitel van zijn boek genoemde periode heeft ondergebracht in een hoofdstuk waarin globaal de hele voorgeschiedenis van het in 1918 tot stand gebrachte Joegoslavië wordt behandeld en zich in dat hoofdstuk vooral concentreert op de Servisch-Kroatische tegenstellingen. De ondertitel had beter het jaartal 1912 kunnen dragen, want ontwikkelingen als de Macedonische opstand van 1903 of de Oostenrijkse annexatie van Bosnië in 1908 hadden niet mogen ontbreken. Dat geldt overigens ook voor een beoordeling van de houding van 'Europa' in de Joegoslavische crisis: die had verre van misstaan in dit al met al verdienstelijke, maar wat brave boek.

DUBIEUS

Veel polemischer is Milo Anstadt in zijn Scheuren in de heksenketel, waarin de lezer opnieuw een degelijk overzicht van de ingewikkelde geschiedenis van Joegoslavië krijgt voorgeschoteld. Bij de behandeling van het conflict vanaf 1980 komt Anstadt echter tot een paar nogal dubieuze uitspraken: voor hem zijn de Kroaten, en dan vooral hun president Franjo Tudjman, de kwaaie pier. Voor Anstadt is de Kroatische afscheiding van Joegoslavië 'de vrucht van chauvinistisch nationalisme, dat nog niet alle sporen heeft uitgewist van het fascistisch verleden''. 'Hoe kunnen de Kroaten,'' zo vraagt hij zich een paar pagina's verder af, 'zo fel van leer trekken tegen het Servisch nationalisme, terwijl hun afscheiding een produkt is van een soortgelijk nationalisme? Hoe kunnen zij de Serviërs van genocide beschuldigen terwijl zij nog niet zo lang geleden op grote schaal genocide hebben gepleegd?'' En weer verderop: 'De ineenstorting van het communisme in Oost-Europa en de verzwakking van het regime in Belgrado bood de fascistoïde elementen (in Kroatië) de gelegenheid weer in beweging te komen.'' Tudjman wordt afgeschilderd als een 'fascistoïde figuur'' en de vooroorlogse Kroatische leider Radic als 'een wispelturige en opportunistische sektariër''.

Het is allemaal een beetje erg eenzijdig. Anstadt gaat in zijn boek volledig voorbij aan logica van oorzaak en gevolg en aan de chronologie van de ontwikkelingen: de nationalistische hysterie die de Kroaten - inderdaad - beving, was een reactie op de nationalistische hysterie van de Serviërs en was er niet de oorzaak van. Het nationalisme dat in Kroatië Tudjman aan de macht bracht, was het resultaat van drie jaar demagogie, manipulatie en ophitsing van de Servische leider Milosevic, en niet omgekeerd: de Kroaten vlogen pas de gordijnen in nadat Milosevic tussen 1987 en 1989 de bestaande constitutionele orde van Joegoslavië had opgeblazen en de Kroaten beseften dat Joegoslavië onder zijn leiding een centralistisch land zou worden waarin ze economisch en politiek gemarginaliseerd zouden raken. Anstadt baseert zich in zijn oordeel over Tudjman kennelijk op diens boek Bespuca Povijesne Zbiljnosti (Wildernis der historische realiteiten, Zagreb 1990), maar heeft dat waarschijnlijk net zo min gelezen als de meesten die bij Tudjman fascistische voorkeuren veronderstellen. Tudjman heeft nogal wat autoritaire, megalomane, demagogische en bolsjewistische trekjes, hij is rancuneus en zijn bevindingen als historicus zijn omstreden, maar hij is geen fascist.

Anstadt neemt het in zijn boek op voor de Serviërs, maar gebruikt daarvoor niet altijd even zuivere argumenten. De Bosnische Serviërs kan weinig worden verweten, want, schrijft hij, zij woonden 'als Joegoslavische burgers in Joegoslavië en zijn van de ene dag op de andere gedegradeerd tot nationale minderheid in de staat Bosnië-Herzegovina, een staat die zij niet hebben gewild.'' Dat klopt. Maar Anstadt verzwijgt dat die Serviërs al vóór de uitroeping van de onafhankelijkheid van Bosnië duidelijk hebben gemaakt alleen heil te zien in geweld en niet geïnteresseerd te zijn in een compromis waarin hun nationale rechten zouden worden gewaarborgd.

'Wie waren nu in eerste instantie agressief in Bosnië? Waren het de Serviërs? Nee, want die wilden de continuering van de bestaande toestand, de handhaving van Joegoslavië.” Dat de Serviërs die continuering wilden klopt, dat ze niet “in eerste instantie agressief waren” is simpelweg in strijd met de feiten. Dat waren ze wèl, en met voorbedachte rade. Het was de Servische leider Radovan Karadzic die al maanden voor de uitroeping van de onafhankelijkheid uitriep dat Bosnië 'tot de knieën in het bloed zou komen te staan” als die onafhankelijkheid er zou komen en die dat dreigement ook ten uitvoer heeft gebracht.

Anstadt gaat nog verder: 'Daar de Serviërs in deze eeuw al tussen drie en vier miljoen mensen aan moord en doodslag hebben verloren, is de vraag gewettigd of zij opnieuw het slachtoffer hadden moeten worden, dan wel of zij hun tol aan Thanatos niet al ruimschoots hebben betaald.'' Die opmerking impliceert dat de wrede vervolging van de Serviërs door de ustasa-staat Kroatië in de jaren veertig hun in de jaren negentig het recht geeft zich te misdragen zoals ze dat doen. Het impliceert ook dat de moslims (of de Kroaten, of allebei) zich in Bosnië als modern day ustasa zouden hebben ontpopt als de Serviërs niet naar de wapens hadden gegrepen. De eerste implicatie is absurd. De tweede onbewezen, onbewijsbaar en verder vooral hoogst onwaarschijnlijk.

    • Peter Michielsen