HEDENDAAGS GEWELD EN NAASTENHAAT

Aussichten auf den Burgerkrieg door Hans Magnus Enzensberger 97 blz., Suhrkamp 1993, ƒ 29,50 ISBN 3 518 40769 4

De somberste verwachtingen over onze samenleving komt men ongetwijfeld tegen bij Duitse schrijvers. De voorspelling van Heiner Müller staat althans niet op zichzelf: 'De oorlog in Joegoslavië is een laboratoriumproef. Het is een proces dat zich overal in Europa voordoet, alleen zijn elders de zekerheden beter geregeld, vooral de sociale zekerheden. Interessant is dat de volgende catastrofe in Italië zal plaatsvinden, en dan komt Frankrijk en dan de Bondsrepubliek. Er is geen vijand meer om alles aan te delegeren'' (De Groene, 4 augustus jl.). Wat men ook van deze domino-theorie vindt, onmiskenbaar werkt de instabiliteit in het Oosten ook door in het Westen en evenmin valt te loochenen dat de ontbinding het verst is voortgeschreden in Italië.

Aussichten auf den Bürgerkrieg van de Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger is minder stellig van toon, maar getuigt wel van eenzelfde gemoedsrust als bovenstaande uitspraak van Müller. Met zijn studie over de burgeroorlog zet Enzensberger zijn gedachtenvorming voort die is begonnen met Die Grosse Wanderung, dat over immigratie en de multi-culturele samenleving ging. Het zijn verhandelingen die elkaar aanvullen. Na de vreemdelingenhaat komt nu het probleem van wat men de naastenhaat zou kunnen noemen aan bod. Hoe kan het dat voormalige buren in Bosnië elkaar te lijf gaan, wat moeten we denken van de talloze burgeroorlogen die hele staten uiteen doen vallen, en kan de internationale gemeenschap wel oplossingen aandragen voor deze epidemische verbreiding van het geweld? Dat zijn enkele van de vragen die Enzensberger stelt.

Aussichten auf den Bürgerkrieg is niet alleen een voortzetting van zijn vorige beschouwing, maar vooral ook een verheviging van de argumentatie en stijl. De stemmingsomslag die in het laatste hoofdstuk van Die Grosse Wanderung al zichtbaar werd, krijgt nu ongeremd de kans. De raillerende en ironische commentaren van de jaren zeventig en tachtig waarin juist het cultuurpessimisme het moest ontgelden, hebben plaatsgemaakt voor een allesoverstemmende somberheid over de wereld na 1989.

Kenmerkend voor deze verschuiving is bijvoorbeeld zijn oordeel over de televisie. Vroeger heette het: 'Aan het feit dat televisie achterlijk is heeft ze immers juist haar charme, haar onweerstaanbaarheid, haar succes te danken.'' En ach, ten tijde van de uitvinding van de boekdrukkunst werd er ook geklaagd over de zedenverwildering door de verbreiding van boeken - en dat is toch ook reuze meegevallen. Nu schrijft hij in heel andere bewoordingen over het verband tussen televisie en het alledaagse geweld: 'Wie door de terreur van de beelden geen terrorist is geworden, wordt tot voyeur. Ieder van ons is het doelwit van een permanente chantage. Want alleen aan de ooggetuige kan de verwijtende vraag worden gesteld, wat hij nu gaat doen tegen wat hem getoond is. Zo verheft de meest corrupte van alle media, de televisie, zich tot een morele instantie.'' Dat is àndere taal.

In een zeldzame persoonlijke bekentenis schrijft hij in Aussichten auf den Bürgerkrieg: 'Ik ben niet neutraal. Ik ben aangestoken. Ik merk hoe de woede, de angst en de haat zich in mij ophopen.'' Het alom tegenwoordige geweld roept oude tijden in herinnering. Enzensberger schrijft hoe de angst voor de bombardementen uit zijn kindertijd steeds weer terugkeert. Maar ook de herinnering aan het enthousiasme, dat aan het begin van de nazi-tijd stond is nog vers. Zo begint het altijd: met hysterische jubel.

MENSELIJK TEKORT

Bij zijn verklaring van de huidige burgeroorlogen hinkt Enzensberger een beetje op twee benen. Aan de ene kant is '1989' het keerpunt waar alles om draait. Met het wegvallen van de orde die de Koude Oorlog bood zijn tamelijk spontaan tal van gewelddadige conflicten opgekomen, die niet meer in verband staan met de strijd tussen Oost en West en dus niet meer getemd worden door één van beide grootmachten.

Tegenover deze sterk historiserende verklaring beroept Enzensberger zich ook op een eeuwig menselijk tekort om het verschijnsel van de naastenhaat te verklaren. Net als Die Grosse Wanderung opent Aussichten auf den Bürgerkrieg met een antropologisch gemotiveerd pessimisme. De burgeroorlog is 'de primaire vorm van alle collectieve conflicten, het is psychisch veel bevredigender om de haat te richten op iemand die men kent, dat wil zeggen op zijn directe buren''. Dat legt hij verder niet uit, zoals er wel meer losse einden in zijn verhandeling aanwijsbaar zijn.

In Enzensbergers betoog gaan beide benaderingen vrijwel naadloos in elkaar over. Die overgang wordt gemaakt met de stelling dat nu de Koude Oorlog voorbij is al die zelfbenoemde bevrijdingsbewegingen 'hun ware gezicht' tonen. 'Van het heroïsche aureool van de partizanen, rebellen en guerrilleros is niets meer over.'' Wat resteert zijn bewapende bendes zonder doel, zonder project, zonder idee. 'Het geweld heeft zich volledig van elke ideologische rechtvaardiging losgezongen.'' Kortom, door de historische omwenteling van 1989 zijn de constanten van de naastenhaat blootgelegd.

Veel aandacht besteedt Enzensberger aan de typering van het hedendaagse geweld, dat zich vaak richt tegen de directe omgeving waarin de daders leven. Niet de villawijken van Los Angeles moesten het vorig jaar mei ontgelden, men sloeg de hand aan de eigen woonwijk. Verliezers schieten meestal op verliezers. Deze collectieve zelfvernietiging is geen neveneffect, maar het eigenlijke doel van de kleine en grote burgeroorlogen.

Hij laat verschillende verklaringen de revue passeren en hecht uiteindelijk de meeste waarde aan de gedachte dat het geweld een reactie is van de verliezers op hun uitzichtloze economische situatie. Er is een duidelijke samenhang tussen de plaatsen waar de 'overtollige massa's' zich ophopen - de onderontwikkelde regio's en de delen van de metropolen waar de werkloosheid sterk oploopt - en de plekken waar de kleine en grote burgeroorlogen zich afspelen. Dat klinkt marxistisch, maar de voorspelling dat de verliezers zich onder één banier zouden scharen is niet uitgekomen. Integendeel, ze zijn druk doende de hand aan zichzelf en elkaar te slaan.

Eigenlijk komt Enzensberger dicht in de buurt van het Freudiaanse idee over de doodsdrift bij de verklaring waarom het geweld naar binnen slaat. Maar hij zegt dat het een vaag begrip is, dat nooit enige empirische grond onder de voeten heeft gekregen. Dat weerhoudt hem er niet van om zowel in Die Grosse Wanderung als in Aussichten auf den Bürgerkrieg een nauw verband te suggereren tussen vreemdelingen-, naasten- en zelfhaat, waarbij de neiging tot zelfdestructie een voorname plaats krijgt toebedeeld.

Volgens Enzensberger zijn de ideologische rechtvaardigingen van het geweld na 1989 weggevallen. Dat kan hij zeggen, omdat hij bij ideologie te veel denkt aan allerlei varianten van revolutionair vooruitgangsgeloof en onvoldoende het nationalisme als gedachtengoed serieus neemt. Hij overdrijft het verschil tussen het opbouwende negentiende-eeuwse nationalisme en de vernietigende hedendaagse vormen. Het is bijvoorbeeld te gemakkelijk om de elkaar bestrijdende groepen in het voormalige Joegoslavië af te doen als 'pure vodden uit de historische klerenkast''. Juist het verval van de revolutionaire ideologie maakt de weg vrij voor andere emotionele bindingen. En voor het bestaande of gedroomde vaderland zijn velen bereid hun eigen leven te geven en de hand aan anderen te slaan.

GETTO-VORMING

Bij zijn beschrijving van de burgeroorlogen brengt Enzensberger de gebeurtenissen in Joegoslavië, Somalië en Angola in verband met de kleinschaliger uitbarstingen van (etnisch) geweld in Los Angeles of Duitsland. Ook bij ons, in de metropolen, woedt 'een moleculaire burgeroorlog''. 'We houden onszelf voor de gek, als we denken dat er vrede heerst.''

Mooi is Enzensbergers beschrijving van het ontstaan van deze moleculaire burgeroorlogen in de grote steden van het Westen. Het begint met kleine oorlogsverklaringen: lege spuiten in een park of graffiti die een 'Ik' verbeelden dat al lang niet meer bestaat. Stap voor stap wordt de publieke ruimte vervuild en ontstaat de hang naar getto-vorming, waarna het terugtrekken van investeerders niet lang op zich laat wachten. De bestuurders volgen snel en geven hele buurten prijs. Wie niet vlucht, sluit zich op tussen hoge muren en zoekt het in zelfverdediging. Daar kan niemand wat op afdingen, want de staat heeft het maatschappelijk contract opgezegd en beschermt zijn burgers niet meer.

Zeker is dat de Westerse samenlevingen steeds rauwer worden en het geweldsmonopolie van de overheid onder toenemende druk staat. Op zichzelf is het juist dat Enzensberger het beeld doorbreekt van 'hier orde, daar chaos'. Het verschijnsel dat wel de 'balkanisering van het Westen' is genoemd grijpt om zich heen. Gezien vanuit de betrekkelijke rust van een land als Nederland lijkt dat al snel een overdrijving, maar wie denkt aan landen als Italië, België en Duitsland ziet dat de wereldwanorde momenteel tot diep in de Europese Gemeenschap reikt.

Ook wat dit betreft is Enzensberger nogal van inzicht veranderd. In zijn prachtige boek Ach Europa! (1987) staat een verhandeling over Italië. Daarin wordt de permanente wanorde en het vermogen tot improvisatie van het land als een 'paradigma' omschreven, dat weleens een antwoord zou kunnen zijn voor de problemen die heel Europa betreffen. Natuurlijk zag Enzensberger toen ook al de schaduwzijde van de Italiaanse anarchie, maar hij benadrukte de positieve kanten bij wijze van contrast met de hyper-gecontroleerde Zweedse samenleving. Daar denkt hij nu wel heel anders over. En ook daaraan kan men zien dat Enzensbergers ironische wereldbeeld van vóór 1989 door de werkelijkheid is ingehaald.

De vraag in welke mate de (sociale) zekeringen van het Westen bestand zullen blijken tegen de toenemende druk kan ook Enzensberger niet beantwoorden. Maar de term 'burgeroorlog', moleculair of niet, is zeker in een Duitse context wel zeer radicaal te noemen. Het roept als snel de herinnering op aan de Weimar-republiek, die vooraf ging aan de machtsovername van Hitler. In Die Grosse Wanderung komt deze verwijzing letterlijk voor. Hoe gekunsteld elke term die Mogadishu en Mölln onder één hoedje wil vangen ook moge zijn, en hoezeer we ons moeten wapenen tegen de verleiding van historische analogieën, het zou onverstandig zijn Enzensbergers aanwijzingen van beschavingsverval in het Westen met Hollandse nuchterheid weg te wuiven.

Dat geldt al helemaal voor zijn conclusie. Hij komt heel terecht uit op een verwerping van de gedachte van humanitaire interventie. Het idee van de mensenrechten is principieel grenzeloos, en wie de naleving ervan wil afdwingen vereist een vorm van almacht. Er bestaat geen internationale rechtsorde met gelijke behandeling van gelijke gevallen. Dat brengt Enzensberger tot de slotsom dat de afstand tussen pretentie en werkelijkheid alleen maar groter zal worden. Dat valt moeilijk te bestrijden na het échec van de Verenigde Naties in Bosnië, Somalië en Angola.

BARBARIJ

De roep om een nieuwe wereldorde is inderdaad al snel op grenzen gestoten, die ook van psychologische aard zijn en niet gemakkelijk overwonnen kunnen worden. Het permanente bombardement van slecht nieuws dat over de hoofden van de burger wordt uitgestort roept volgens Enzensberger agressie op: 'Morele eisen die in geen verhouding staan tot de mogelijkheden om te handelen, leiden er uiteindelijk toe, dat degenen tot wie de eisen zich richten geen vinger meer uisteken en elke verantwoordelijkheid van zich werpen. Daarin ligt de kiem van barbarij, die zich tot een woedende agressie kan uitbreiden.''

Wij Duitsers, concludeert Enzensberger, zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor het geweld dat zich op onze eigen deurmat afspeelt. Als we niet in Hoyerswerda, Solingen, Mölln en Rostock de vrede kunnen handhaven, hebben onze militairen helemaal niets in Somalië en Bosnië te zoeken. Deze bescheidenheid vormt een aangenaam verschil met al die Duitse schrijvers, die juist op de historische schuld van hun land een missionair besef hebben gebouwd.