Geloof

Deze week verscheen bij uitg. De Harmonie 'Binnenstad', een selectie van Monica Metz' bijdragen aan NRC Handelsblad.ƒ 22,50. ISBN: 90 61 69 45 66

Ook op het Blindeninstituut is dan eindelijk het heerlijk avondje gekomen; een avondje dat 's middags wordt gevierd, opdat ook de koks en andere personeelsleden aan het feest kunnen deelnemen.

Wekenlang hebben de kleintjes hun schoen bij de centrale verwarming gezet en voor geopende bovenraampjes staan zingen. Nu is iedereen in de koffieruimte. Bijna zonder hulp hebben vanmorgen een paar grote kinderen slingers opgehangen en de gordijnen dicht geschoven. Want dat hoort bij feest.

Personeelsleden tillen de kleintjes op. Met voorzichtige vingers worden de ingewikkelde papiervouwsels bewonderd. Een spichtige jongen loopt voetje voor voetje door de ruimte. Zijn handen reiken zo hoog mogelijk in de lucht. Om alle geluiden goed op te vangen, houdt hij zijn hoofd een kwartslag gedraaid. Zodra zijn handen een slinger hebben geraakt, laat hij zijn armen zakken en begint roepend te vragen waar nog plaats is. Zijn vrienden roepen terug. Hun antwoord is een lijn waarlangs hij zich tastend een weg zoekt. Ook de andere kinderen zoeken zo hun weg.

Telkens als de kinderen horen dat de directeur de deur naar de gang opent om te kijken of Sinterklaas er al aankomt, verstommen ze. Sommige gezichten verstrakken, andere worden bleek. Veel kleintjes hebben zich in een schoot genesteld. Zodra de deur weer dichtgaat, wordt de spanning in een nog luider lachen en roepen omgezet:

“Juf Jessie, juf, juffie!”

“Mar, kom hier zitten!”

“Patrick!”

“Au! Kijk uit je doppen, man!”

Het is heet in de koffieruimte.

Dan klinkt een zware roffel op de deur. Het wordt doodstil. Buigend laat de directeur de Goedheiligman en zijn Pieten binnen. De zienden onder het personeel herkennen in de indrukwekkend rode gestalte zonder veel moeite de sociaal-pedagoog. Zeker nu hij zijn mond opendoet om de directeur te antwoorden dat hij inderdaad erg moe is van de reis en graag wil zitten. Gniffelend fluisteren de grote kinderen elkaar zijn naam in het oor. Maar op de gezichten van de kleintjes, die gewoonlijk feilloos zijn stem herkennen, is nu geen enkel teken van herkenning te bespeuren. Blind of ziend, geloof is geloof.

Sinterklaas roept de hummels een voor een bij zich. Ze naderen hem net zo beschroomd als ziende kleuters en luisteren precies zo bevangen naar zijn stem. Sommigen durven niet zonder juffie. Dat geldt niet voor Katie. Die laat zich zelfs door Sinterklaas optillen. Met een zegevierende glimlach zit ze op zijn schoot. Ook zijn geur - voor Katie een belangrijk middel om iemand te kunnen herkennen - brengt haar geloof niet aan het wankelen. Of zouden de mottenballen alle andere geuren overheersen? Terwijl Sinterklaas haar toespreekt bevoelt ze zijn borst en zijn mouwen. “Mooie tabberd”, zegt ze. Sinterklaas prijst haar omdat ze dat moeilijke woord kent.

De kleine handen naderen zijn gezicht. Nu zal het misgaan. Ten overstaan van al die verwachtingsvolle kleuters zal de Sint door de mand vallen. Want zijn lange, zilverwitte krullen van kunststof kunnen onmogelijk als echt haar aanvoelen. En wanneer Katies geloof niet op die krullen wankelt, dan toch zeker op die baard die niet meer is dan een onder de neus gebonden stukje wit bont waarin een opening voor de mond is uitgesneden. De tastende vingertoppen raken de slapen van de Sint en de poten van zijn bril. Ze gaan omhoog: “Uw mijter.” De bisschop buigt het hoofd om haar ook de punten van zijn muts te laten 'zien'. “Wat een kanjer!” zegt Katie bewonderend.

Nu gaan de handen omlaag langs de krullen. Daar levert het kind geen commentaar op. Zou de kunststof reeds tot goddelijk attribuut verheven zijn?

“En nou uw baard”, zegt ze, want ze laat zich niets ontnemen. Ze verifieert alle beschrijvingen die haar oren de laatste weken hebben opgevangen. Haar vingers strijken over het stukje bont. Ook de gladde leren achterzijde wordt 'bekeken'. Zonder dat haar geloof ook maar een ogenblik wankelt, vlijt ze haar wang tegen de baard en zucht verheerlijkt: “Wat een lekker bontje.”

    • Monica Metz