'Elk jaar steeds een stapje extra, anders gaat de lol eraf'

Derde. Dat is de hoogste plaats die hij op een internationaal toernooi ooit heeft bereikt. Maar voor RINTJE RITSMA telt maar één plaats: de eerste. Om die sprong te maken heeft hij zich een paar jaar gegund. “Die tijd is nu bijna verstreken.”

Rintje Ritsma is geen mens voor bespiegelingen. Hij spuugt zich liever in de handen. Hij spiegelt zich liever aan het ijs.

'Gewoon' is zijn stopwoord. Hij is “gewoon altijd lui geweest”. Maar als de jaren vorderen, “word je gewoon vanzelf serieuzer”. “Omdat je gewoon toch meer wilt”. Als dat er niet in zit? “Dan moet je gewoon zeggen: ik stop ermee.”

Daar gaat hij niet vanuit natuurlijk. Want: “Negatieve gedachten remmen je prestaties. Die moet je een beetje uitbannen.” Dat heeft hij van coach Krook geleerd. Al weet hij ook wel, dat hij zich daar soms mee voor de gek houdt. Zoals bij het rijden van die helse 10 kilometer: 25 ronden. Dan kijkt hij een paar ronden quasi-nonchalant niet op het rondebord. Om zichzelf daarna te verblijden: “Heb ik er alweer zoveel gehad?” Hij lacht als een jongen die een doorzichtige kaarttruc met succes heeft uitgevoerd. “Zo kom je die 14 minuten een beetje door. Je probeert jezelf vooruit te denken.”

Hij is nog elk jaar sneller geworden. Sneller dan hij ooit verwacht had. Dat hij op de 10 kilometer ooit nog eens onder de 14 minuten zou rijden, zou hij een jaar geleden niet geloofd hebben. Want hij is geen stayer, hè. Kijk maar naar zijn potige gestalte: 1,90 meter lang, 91 kilo zwaar. Zie zijn zware bovenbenen. Hij is geschapen voor de lange sprint, dus voor de 1000 en de 1500 meter, desnoods voor de 5 kilometer. Een specialist op de middellange afstanden die allrounder tracht te zijn.

Hij heeft het beste seizoen van zijn leven achter de rug. Sneller dan ooit was hij op drie van de vier afstanden die van belang zijn voor het het allround-klassement. Zijn persoonlijke record op de 10 kilometer verbeterde hij met 13 seconden: 13.56,92. En toch kon hij weer niet tippen aan Zandstra en Koss. Derde werd hij bij het EK en WK. Nadat hij het jaar daarvoor als derde en vijfde was geeindigd.

Nog steeds te licht voor goud en zilver. Terwijl voor de schaatser uit Lemmer “alleen de eerste plaats maar telt”. Toch kon hij met die troostprijzen vorig zeizoen nog wel genoegen nemen. Omdat het niveau zo hoog lag. Omdat er zulke geweldige tijden werden gereden. Omdat hij de afstand tot de 'grote twee' toch opnieuw had verkleind. “Dan mag je gewoon niet ontevreden zijn.”

Daarbij: hij heeft de tijd. Hij is pas 23. Hij voelt zich nog steeds niet volgroeid. En hij heeft geduld. Hij jaagt zichzelf niet op. “Je moet je niet teveel op die eerste plek fixeren. Je mag ook niet verwachten dat je zo'n sprong in één keer maakt, want daar gaan jaren overheen. Maar ik heb wel het gevoel dat die jaren nu bijna zijn verstreken. Als je hard genoeg schaatst, dan word je eerste. Zo simpel is het gewoon.”

Geen twijfel dat hij sneller kan. Zijn techniek kan nog altijd beter. Dat heeft hij vorig jaar gezien, toen een simpele aanpassing van zijn schaatsstijl tot spectaculaire tijdwinst leidde. Niet te breed rijden. Meer naar voren. Krooks aanwijzingen die hij gewetensvol en vol vertrouwen volgde. Al wist hij dat hij nooit zo “finishgericht als Falko” zou kunnen rijden. Omdat hij nu eenmaal zwaarder is, wat een bredere slag vergt. De ontdekking dat hij toch goed kon blijven indraaien. Dat hij het ijs toch zijwaarts goed kon raken. Dat hij minder kracht vermorste. “Ik kon de rondetijden makkelijker vasthouden. Ik had meer ontspanning in mijn slag.”

Maar als hij moe werd, dat viel hij toch soms weer terug “in die ouwe duwslag”. Oude patronen zijn hardnekkig. En aan het begin van dit seizoen moest hij zijn nieuwe schaatsstijl toch weer herontdekken. “Voor jezelf heb je een bewegingsbeeld, je weet wat een goeie techniek is. En af en toe heb je het gevoel: zo moet het, zo moet het echt. Dat gevoel moet je proberen vast te houden. Maar als het weg is, probeer je het weer terug te krijgen door schaatsimitaties, door hele rustige bewegingen op het ijs te maken. Zo leer je het gevoel steeds makkelijker terugvinden. Dat geeft vertrouwen. Je weet dat het gevoel je niet zomaar verlaat.”

Dat de nieuwe techniek veel vaster in zijn slag verankerd ligt dan vorig jaar, merkte hij bij het skeeleren tijdens het trainingskamp op Tenerife. Vooral als hij heuvelop ging en de krachten uit zijn benen vloeiden. Dan kwam hij telkens toch goed terug boven zijn skeelers. Niet zoals het jaar daarvoor toen hij “ertussen bleef hangen”. “Ik kon dit keer mijn kracht goed kwijt.”

Eenzelfde ervaring had hij bij het intensief duurrijden in Inzell. “Ik kon de techniek goed houden, zonder erbij na te denken. Vorig jaar moest ik nog constant voor mezelf herhalen: recht naar voren, zijwaarts afzetten, blijven zitten. Dat gaat nu vanzelf. Alleen op de momenten dat het slecht gaat, spreek ik mezelf nog even toe.”

Hij is niet alleen technisch beter geworden. Ook serieuzer. Sinds hij zich als 12-jarige jongen meldde op een zomertraining van schaatsclub Praemkeskouwers is het succes hem altijd komen aanwaaien. Flierefluitend drong hij door tot de Friese selectie, tot Jong Oranje, tot de kernploeg. En, hij geeft het grinnikend toe, nog steeds is hij liever lui dan moe. Nog steeds slaat hij in de zomer soms een training over. “Ik ben nog nooit voluit gegaan.”

Daar heeft hij geen spijt van. Daar schaamt hij zich niet voor. Want schaatsen is ook spelen. Je moet nog kunnen spelen als je jong bent. “Als je in Jong Oranje al zo gruwelijk serieus doet, wat moet je dan nog in de kernploeg? Je moet toch ergens naartoe groeien? Ik wil nog jaren schaatsen. Dan moet je niet veel meer doen dan je aankunt. Elk jaar steeds een stapje extra, anders gaat de lol eraf.”

Maar de speeltijd is voorbij voor Rintje Ritsma. De eerste seizoenen in de kernploeg was hij blij met elke klassering. “Alles was leuk. Alles was meegenomen.” Vorig jaar besefte hij pas goed dat hij tot de wereldtop behoorde. “En nu ben je op zo'n niveau gekomen, dat je het hoogste wilt.”

Zijn ambitie heeft zijn luiheid verdrongen. Daarin voelt hij zich ook door de rest van de groep gesteund. Ploeggenoten als Bart Veldkamp en Jeroen Straathof zijn zo “ontzettend serieus bezig”. “Dat stimuleert om zelf de trainingen goed uit te voeren. Als je een groep hebt die er met de pet naar gooit, die af en toe wil stappen, dan ga je automatisch mee.”

Die tomeloze inzet, die grenzeloze ijver, die gaat hem veel hem gemakkelijker af dan hij ooit verwacht had. Vroeger, in de zomer, liet hij zich nog wel eens verleiden om mee uit te gaan. Dan had hij een week nodig om weer in het ritme te komen. Omdat zijn lichaam zo'n uitspatting niet was gewend. Want hij weet ook wel: “Mijn lijf gedijt bij regelmaat. De laatste jaren ben ik steeds zuiniger op mijn lichaam geworden.”

Zijn eerste doel dit jaar? Zich kwalificeren voor de grote toernooien. Maar dat is niet meer dan een tussenstap. Hij wil ook een gooi doen naar medailles. Een bronzen? “Minimaal.”

Eigenlijk is een derde plaats niet meer voldoende. Misschien zou hij er dit jaar nog vrede mee kunnen hebben. “Maar niet opnieuw het jaar daarop. Je wilt toch eerste zijn.” En als dat niet voor hem is weggelegd? “Dan blijf je nog wel trainen natuurlijk. Tenminste een aantal jaren. Tot op zekere hoogte. Maar dan zul je toch aan een maatschappelijke loopbaan moeten denken. Er is meer in het leven dan schaatsen. Dan moet je gewoon zeggen: ik stop.”

Zijn nieuwe zelfbewustheid strekt zich ook uit tot de Spelen. Twee jaar geleden ging hij het olympisch seizoen nog in als nieuweling. “Alles was nieuw, alles was spannend. Ik dacht niet eens aan ereplaatsen. Meedoen daar ging alleen maar om.”

Terwijl hij zich nu alvast meldt als één van de favorieten op de 1500 en 5000 meter. “Ik wil er dit keer toch wel met een medaille vandaan komen. Ik weet nu hoe het is.” Dat betekent dat hij de openingsceremonie in Lillehammer zonder aarzelen zal laten schieten. Omdat hij in Albertville “zo stijf als een plank werd van dat zitten”. “Ik bereid me liever voor op de wedstrijden. Als die races achter de rug zijn, kan ik nog altijd in de omgeving gaan kijken. Wie wil winnen, moet streng zijn voor zichzelf.”

Ook al voelt hij zich meer een specialist op de middellange afstanden dan een allrounder, hij heeft niet overwogen zich met het oog op de Olympische Spelen uitsluitend op zijn beste afstanden te concentreren. Eerst wil hij zien hoe ver hij als allrounder kan komen. “Ik ga door tot aan mijn top. En misschien heb ik dat punt al wel bereikt, maar daar kom ik dan vanzelf wel achter. Ik kan me altijd later nog specialiseren. Voor de volgende Olympische Spelen. Misschien ga ik tussendoor nog wel een jaartje sprinten. Om snelheid op te doen.”

“De boog kan niet altijd gespannen blijven.” Hij kent zichzelf. Zo hard als dit jaar heeft hij nog nooit getraind. Zo serieus heeft hij nog nooit geleefd. Dat houdt hij niet nog vier jaar vol. Anders vergaat hem de lust in het schaatsen. Misschien dat hij zich tussendoor een jaartje “speling” gunt. “Dat hoeft niet eens te betekenen dat de prestaties veel minder worden. Al die kracht, al die conditie die je toch hebt opgebouwd, is niet in één jaar verdwenen. Je moet ook een beetje lol houden in je sport.”

Plezier beleeft hij aan het schaatsen als hij bij de grote toernooien toptijden rijdt. Plezier heeft hij ook in de voorbereidingstijd. Als hij reist van Sankt Moritz naar Inzell, van Tenerife naar Davos, van Berlijn naar Hamar. Honderdzesenzestig nachten van huis. Hij houdt wel van dat reizend leven. Van de ongebondenheid. “Ik zou niet graag willen ruilen met iemand die gewoon elke dag naar zijn werk gaat.”

Buitenlandse trainingskampen, exotische hoogtestages, “het hoort erbij, je kiest ervoor.” Er zijn geen makkelijke wegen naar de top. “Je kunt wel steeds in Heerenveen gaan trainen. Maar op het laatst word je ook een kasplantje. Je hebt toch de elementen van buiten nodig om sterker te worden. Op een binnenbaan verwaarloos je makkelijk je techniek.”

Daarom vond hij het best om in Inzell steeds weer op “wit ijs” te rijden. “Daar baal je wel van op het laatst. Maar je weet ook dat het een hele goeie voorbereiding is. Daarom zoekt hij in Davos ook juist “het sproei-ijs” op, als er nog niet is gedweild. “Om niet meteen op dat hele gladde ijs te rijden. Zodat je toch even moeite moet doen.”

Hij heeft de gemakzucht verruild voor discipline. Speelsheid aan de kant gezet voor regelmaat. Een flierefluiter die om te winnen toch de weerstand zoekt.

    • Dick Wittenberg