Economische problemen in Europa te divers om crisis snel te verhelpen; Delors' witboek biedt geen kant-en-klare oplossingen

BRUSSEL, 27 NOV. Diplomaten in Brussel weten nog steeds niet met welke verrassingen voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie zal uitpakken op de komende Europese top van regeringsleiders, op 10 december, om zijn Witboek over 'economische groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid' luister bij te zetten. Maar dat de even eigenzinnige als bevlogen Fransman nog van zich zal laten horen, daaraan twijfelt eigenlijk niemand.

Maandenlang al werken tientallen ambtenaren van de Europese Commissie achter de schermen aan het beloofde Witboek. Fragmenten ervan ('15 miljoen nieuwe banen erbij tegen het jaar 2000') zijn al naar buiten gekomen. Maar Delors zou Delors niet zijn als hij niet op het laatste moment, aan de vooravond van de top, zelf nog enkele belangrijke politieke conclusies en aanbevelingen zou formuleren. Afgaande op het verleden gaat hij daarbij zijn eigen weg.

Zeker is wel dat het Witboek in zijn uiteindelijke versie “geen kant en klare oplossingen” zal bevatten voor het probleem van de groeiende werkloosheid in de Europese Unie, voorspelt de Nederlandse econoom Alexander Italianer. Daarvoor verschillen de omstandigheden in de lidstaten te veel. “Als je praat over de noodzaak om het sociale zekerheidsstelsel af te slanken, heb je het over het vasteland in het Noordwesten van Europa en niet over de situatie in Groot-Brittannië of in de zuidelijke lidstaten.” Daarvoor ook zijn de factoren die bijdragen aan de huidige economische crisis te divers, aldus Italianer. “Je kunt niet hier in Brussel een knop omdraaien en morgen al resultaten verwacht. De oplossingen die je bedenkt, zijn per definitie oplossingen op middellange termijn. En je zult op verschillende fronten maatregelen moeten nemen.”

Als Europees ambtenaar op het directoraat-generaal Economische en financiële zaken was Italianer onder andere betrokken bij de onderhandelingen over de Economische en Monetaire Unie (EMU). Voor het Witboek heeft hij een bijdrage geleverd over het probleem van de arbeidskosten. Eén van de kernfactoren die de omvang van de huidige werkloosheid verklaren, aldus Italianer. Een substantiële verlaging van de arbeidskosten in Europa is van doorslaggevend belang om grote groepen laaggeschoolde werklozen weer aan een baan te helpen, zegt hij.

Die opvatting is ook terug te vinden in een manifest over 'Groei en werkgelegenheid' dat een groep Franse en Belgische economen - onder leiding van de gerenommeerde Franse hoogleraar Edmond Malinvaud en zijn Belgische collega Jacques H. Drèze - hebben gestuurd naar onder andere de Europese Commissie en de Belgische premier Dehaene. De cijfers tonen aan dat de huidige malaise op arbeidsmarkt zeker nog dit decennium zal domineren. “Geconfronteerd met dat perspectief mogen Europese economen niet stilzwijgend afwachten”, aldus het manifest.

Dehaene heeft het aangeboden recept onmiddellijk dankbaar toegepast door in zijn recente crisisplan het werkgeversaandeel in de sociale lasten voor de laagste lonen en het minimumloon fors te verlagen. Ook wil Dehaene, grotendeels comform de voorstellen van de economen, het verlies aan inkomsten door verlaging van de werkgeversbijdragen compenseren door verhoging van de BTW, van accijnzen op energiedragers en van verhoging van de belasting op renteinkomsten.

Italianer, die op persoonlijke titel heeft meegewerkt aan het economenmanifest, is niet ontevreden met dat 'succes'. En afgaande op een eerste versie van (een deel van) het Witboek, zullen ook in de aanbevelingen van de Europese Commissie aan de regeringsleiders een aantal ideeën uit het manifest te traceren zijn.

Maar Italianer weet niet of Delors het aandurft om op de komende top ook het tweede belangrijke spoor uit het economenmanifest te volgen, door opnieuw aan te dringen op versterking van het zogeheten Europese groei-initiatief. Geheel in lijn met de uitspraak dat voor de huidige crisis geen uniforme oplossing bestaat, pleiten de economen zowel voor structurele ingrepen (verlaging van de arbeidskosten, maar ook flexiblisering van de arbeidsmarkt, 'life long' scholing) als voor een Keynesiaanse conjunctuurinjectie in de economie.

Vorig jaar in Edinburgh en afgelopen zomer in Kopenhagen besloten de Europese regeringsleiders om in totaal 7 miljard ecu (ruim 14 miljard gulden) uit te trekken voor het stimuleren van investeringen in grote infrastructurele projecten. De economengroep vindt dat bedrag nog veel te laag. Dat moet met bijna een factor 6 worden verhoogd teneinde de komende jaren een totaalbedrag van zo'n 250 miljard ecu (535 miljard gulden) aan investeringen aan te zwengelen. Niet alleen in infrastructurele projecten maar ook in zaken als sociale woningbouw, stadsvernieuwing en stedelijk vervoer.

Minister Kok heeft al laten weten dat hij niets voelt voor zo'n extra Europese stimulans. Als de lidstaten in eigen huis drastisch moeten bezuinigen om de nationale begrotingen niet verder te laten ontsporen, kun je niet op Europees niveau de geldkraan openzetten, redeneert Kok. Bovendien is het al te simpel om te denken dat alle problemen in Europa worden opgelost, door in Brussel een zak met geld op tafel te zetten, aldus de minister.

Italianer nuanceert die kritiek. Ook hij vindt dat de lidstaten alles op alles moet zetten om tegen 1997 te voldoen aan de criteria voor toelating tot de laatste fase van de EMU. Dat betekent onder andere dat de lidstaten hun financieringstekort moeten verlagen tot 3 procent. Maar, zegt Italianer, het Europese groei-initiatief is juist bedoeld om investeringen uit te lokken van semi-overheidsbedrijven en particuliere ondernemingen, zoals spoorwegen, projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De leningen die zij aangaan, drukken niet op de begroting van de overheden en ze hebben dus geen negatieve invloed op de Maastricht-norm van 3 procent.

Daarentegen zal een grootschalig Europees stimuleringsprogramma grote voordelen hebben, legt hij uit. Het betreft één van de weinige zaken die de lidstaten echt gezamenlijk kunnen aanpakken bij de bestrijding van de werkloosheid. Het gaat om projecten die vaak grensoverschrijdend zijn en waarbij dus partners uit verschillende lidstaten betrokken moeten worden. Het gaat vaak projecten met hoge aanloopkosten, die niet door één bedrijf of instelling gedragen kunnen worden.

En, zegt Italianer, het belangrijkste winstpunt is dat je voor het uitvoeren van grote infrastructurele projecten relatief veel en relatief laaggeschoolde werknemers nodig hebt. Dat sluit perfect aan bij de doelstelling om de grote groep laaggeschoolde werklozen op de arbeidsmarkt via verlaging van de arbeidskosten weer aan werk te helpen.

Overigens noemt Italianer het “een illusie” om te denken dat het probleem van de werkloosheid alleen is op te lossen door verlaging van de arbeidskosten of door loonmatiging. Het is onzin om de concurrentieslag met de lage lonenlanden in Azië aan te willen gaan op het vlak van de arbeidskosten. “Het is nu eenmaal zo dat we van een laagwaardig geïndustrialiseerde economie naar een diensteneconomie, met een relatief kleine, hoogwaardige verwerkende industrie zijn gegaan. Daardoor is de vraag naar hooggekwalificeerde arbeid toegenomen. Die ontwikkeling moet en kun je niet tegenhouden. Je moet bijvooorbeeld investeren in opleiding en scholing, zodat werknemers gemakkelijker kunnen overschakelen. Maar voor de grote groepen werknemers die de afgelopen jaren hun baan op oudere leeftijd hebben verloren en die vrijwel geen scholing hebben gehad en ook voor de groeiende groep van immigranten, biedt dat geen oplossing. Die kun je alleen maar weer aan het werk proberen te krijgen door hun kosten fors te verlagen”.