'Die Godshonger is mij gewoon overkomen.'

Alle secularisatie ten spijt, zoeken steeds meer mensen hun heil in spiritualiteit. Miriam Latour kende die behoefte al zeer jong: 'het was een verliefdheid die niets te maken had met hebben maar alles met zijn.' In de uitverkoop vond ze haar bestemming. Vierde deel van een serie over spirituele beleving in Nederland.

Met Miriam Latour was iets aan de hand. Op de nonnenkostschool maakte ze een teruggetrokken indruk. Ze las meer dan de andere kinderen, ze was serieus en intelligent en toch vielen haar leerprestaties tegen. Ze onderging een aantal tests waar steevast uitkwam: 'Zeer begaafd maar past niet in het systeem.' In werkelijkheid was Miriam op zoek, vanaf haar prilste jeugd. 'De vraag over de realiteit van God is bij mij nooit aan de orde geweest'', zegt ze. 'Die stond vast.'' Maar ze wilde meer. 'Ik zocht het mystieke van de geloofsleer. Het was Godshonger. Ja, het was een verliefdheid die niets te maken had met hebben maar alles met zijn. Al kreeg ik daar dus niet rechtstreeks iets voor terug, ik was er van overtuigd dat die verliefdheid wederzijds was.''

Ze voelde wel iets voor het priesterschap. 'Ik vond het een rotstreek dat ik dat niet mocht. Want non wilde ik niet worden. Het ging mij immers niet om het kloosterleven maar om het directe contact met God.'' Al vroeg begon ze zich te ergeren aan 'de kerkelijke hiërarchie en de vormelijkheid'' van het katholicisme die 'een diepgaand beleven'' in de weg stonden. 'Ik wil best een gedragspatroon als discipline accepteren maar niet in de vorm van een botte dwang, zonder er verder over na te mogen denken.'' Ook het idee dat alleen de katholieke kerk verlossing zal brengen, stond haar niet aan. 'Ik dacht: het kan toch niet zo zijn dat God zo onrechtvaardig is om de rest van de wereld gewoon maar te negeren.''

Ze begon 'zo gestructureerd mogelijk'' alles op religieus en filosofisch gebied te lezen wat ze te pakken kon krijgen: het Oude en het Nieuwe Testament, hindoeïstische geschriften. Zo zette ze haar spirituele zwerftocht voort. 'Terwijl mijn klasgenootjes plaatjes van filmsterren verzamelden, deed ik dat met godsdiensten en culturen.'' Vaak ontwikkelen kritische geesten zich tot agnostici, stelt ze. 'Mij gaf het daarentegen zo veel gemoedsrust het Godsbesef te behouden. Vanuit religieus oogpunt is hier sprake van genade. Dat is geen verdienste, die Godshonger is mij gewoon overkomen.''

Ze vond in die tijd al dat er in feite maar één godsdienst bestaat. 'De verschillen zijn slechts varianten. De openbaring definieert je doel. Van ons wordt verwacht dat we ons keren naar ons ideaal. Elk moment van bezinning is daarmee ook een moment van bekering.'' Ze vond dat het zoeken geen doel op zichzelf mocht zijn. Ze moest ergens uit komen. 'Als je aan introspectie doet, merk je dat je te maken hebt met een van nature chaotische geest. Als je eerlijk bent, moet je daarom toegeven dat je discipline nodig hebt. Als gevolg van mijn spirituele ambities bleef ik zoeken naar een methodiek die het directe contact tussen mij en God niet in de weg stond en die bovendien een door de tijd bewezen waarde heeft.''

Het gebeurde toen ze zestien was. In de uitverkoop vond ze voor de halve prijs een Nederlandse vertaling van de Koran. Tot dan toe had ze de islam altijd geassocieerd met 'agressie, harems en kromzwaarden''. Toch besloot ze de hele Koran te lezen. 'Ik vond dat ik voor mijn goed fatsoen niet zo maar één religie kon overslaan.'' De islam bleek 'heel dichtbij'' te komen bij datgene waar ze al die tijd naar op zoek was geweest. 'Want in de Koran staat: God is de mens nader dan zijn eigen halsslagader. Dus iedere moslim is zijn eigen priester; rechtstreeks contact met God is mogelijk.''

Het sprak haar bovendien aan dat de islam een gelijke waardering kent voor boodschappers en profeten. 'Dus er is slechts één auteur, maar alle profeten zijn gelijk. In die visie bestaan er ook geen onnodige hindernissen tussen mensen onderling: ook man en vrouw zijn gelijk.'' Ze meent dat vanuit de islam en in overeenstemming met het klassieke soefisme waarmee ze zich verwant voelt, iedere moslim een vrijdenker kan zijn. 'Die ruimte is er dus. En ik vond dat ik toch voor een bepaalde methodiek moest kiezen. Want ik vertrouw mezelf niet, ik heb nu eenmaal een ego dat op hol kan slaan.''

Op haar negentiende begon ze Arabisch te leren. 'Ik wilde directe toegang tot de kern van de Koran. Elke vertaling is immers een interpretatie.'' Ze vertrok naar Engeland waar ze haar studie Arabisch voortzette en bevriend raakte met moslims. Zo ontmoette ze de Pakistaanse historicus Abdus Sattar, met wie ze later zou trouwen. Ze had inmiddels 'grote herrie'' met haar ouders, want die zagen niets in de nieuwe wending die haar leven had genomen.

In de jaren daarna reisde ze op en neer tussen Pakistan, Engeland en Nederland. Verdeeld over verschillende periodes woonde ze in totaal vijf jaar in Pakistan. Ze leerde daar niet alleen de taal maar verdiepte zich ook in de muziek, de kunst, de filosofie en de geschiedenis van het land. 'Ik wilde er totaal in duiken, alsof ik hun opvoeding had gekregen. Ik sprak zelfs Engels met een Pakistaans accent.'' Ze ging zo op in haar nieuwe bestaan dat ze zich in religieus opzicht aanvankelijk zelfs orthodoxer opstelde dan haar echtgenoot. 'Dat zie je vaker bij bekeerlingen'', geeft ze toe. 'Later kwam ik toch weer terug bij de verinnelijking, bij het wezenlijke zijn. Ik zocht en vond uiteindelijk een vrijheid, een opening die discipline verdraagt.''

In Pakistan bestond destijds 'enige argwaan'' ten opzichte van bekeerde buitenlanders. 'Omdat de naam Miriam niet meer oppurtuun was en om in loyaliteitskwesties duidelijk te maken waar ik stond'' besloot ze een andere voornaam aan te nemen. Ze koos voor Sajidah, wat betekent: 'Zij die zich neerbuigt voor God.' Die naam behelst volgens haar de verwezenlijking van de islam zelf, want de betekenis daarvan luidt 'Overgave aan God'.

Ze is nu vijftig jaar en woont in een Rotterdamse nieuwbouwwijk. Op haar leestafel liggen stapels dag- en weekbladen en een schaar: als secretaris van de Nederlandse Moslimraad houdt ze een archief bij van publicaties op het gebied van de islam. Ze schreef zelf drie boeken: De positie van de vrouw in de islam, Aspecten van opvoeding en onderwijs in de islam en in het kader van haar praktijk als natuurgenezer De genezende adem.

Jarenlang droeg ze een hoofddoek maar daar is ze mee opgehouden. 'In de Koran staat dat vrouwen een hoofddoek dienen te dragen zodat ze herkend worden en niet gemolesteerd. Maar hier gebeurt zo iets juist als je wél een hoofddoek draagt. Dat heb ik zelf ervaren.''

Ze meent dat veel islamitische gebruiken - de positie van de vrouw bijvoorbeeld - bepaald worden door de tradities van het land van herkomst van de betreffende moslims en niet door de islam zelf. 'Van alle schepselen in het universum is de mens de enige die een bewuste keuze kan maken'', stelt ze. 'Juist van de mens verwacht de Schepper daarom zo veel. En dat is niet zozeer vroomheid, in de zin van het brave volgen van de voorgeschreven regels, maar intensheid. In mijn visie mag je daar zelfs risico's voor nemen, tot de rand van het toelaatbare gaan. Liever echte twijfel dan schijnbare zekerheid.''

Voor Sajidah Abdus Sattar vormt het zich overgeven aan God de essentie van de islam. 'De optiek van de Schepper kennen we niet - dat is ook onmogelijk - maar wat wij weten is dat Hij grootmoedig is en niet dat Hij uitsluitend oplet of we geen varkensvlees eten of dat we wel vijf keer per dag bidden.''

Ondanks haar voortdurende 'Godshonger' beschouwt ze de Schepper als ondefinieerbaar. 'Dat de mensen God zien als antropomorf - als iets wat men zich kan voorstellen - komt voort uit de omstandigheid dat een mens alleen maar menselijk kan denken. Het is daarom onmogelijk om God te begrijpen. Toch kun je wel een bewuste relatie met het goddellijke onderhouden.'' In haar optiek is het bestaan niet tijdelijk. 'Want het enige absolute is God, al het andere is relatief.''

Twee jaar geleden overleed haar man. 'Hij is er niet en hij is er wel'', zegt ze. Aan het voortbestaan na het leven heeft ze nooit getwijfeld. 'Maar buiten deze aarde is er geen besef meer van ruimte en tijd, dus per definitie kun je dat niet meer bevatten.'' Ze meent dat de mens zelf de capaciteit moet scheppen om na dit leven meer te ontvangen. 'Zo zal ik het hiernamaals tegemoet gaan. Het zal geen vervulling worden van alledaagse wensen.''

Ze verwijst naar een fragment uit de Koran over het hiernamaals: 'Alles vergaat, behalve het aangezicht van God.'' Abdus Sattar: 'Er zal een ontmoeting zijn met de Schepper. Die ontmoeting is het pure zijn, zonder iets dat afleidt. Want aan het begin van dit universum was er niets, behalve het zijn. De enige manier van overleven is dus om niet meer mens te zijn - want die vergaat - maar om te zijn wat blijft. Het moment van de hereniging met je oorsprong zal eeuwig duren.''

De afgelopen vijf jaar is ze 'nog soepeler'' geworden. 'Vroeger was ik met meer absolute zekerheden gekomen dan nu'', zegt ze. Ze haalt een Arabisch spreekwoord aan: 'Wie zichzelf kent, kent zijn Heer.'

'Misschien ben ik nu pas weer terug bij het beginpunt. Vroeger dacht ik: moslims hebben toch een streepje voor. Nu denk ik dat het er meer om gaat hoe iemand handelt dan wat hij gelooft.'' Toch verwacht ze de islam nooit meer los te zullen laten. 'Godsdienst is als de leuning van de trap. Je komt op eigen kracht naar boven en de leuning is daarbij de methode. Als je naar België rijdt, volg je toch ook de borden 'Brussel'? Ik volg dus een weg van hogerhand.''

    • Alfred van Cleef