DE PIJN VAN HET FIETSEN

Eddy Merckx. De mens achter de kannibaal door Rik van Walleghem 215 blz., geïll., Pinguin Productions Gent 1993, ƒ 79,50 ISBN 90 73322 05 7

Wie is Eddy Merckx? Nog altijd lijkt deze vraag Belgen bezig te houden. Een opsomming van zijn unieke reeks heldhaftige prestaties en overwinningen zou als antwoord kunnen volstaan, maar onder het volk waaruit het wielersupporterdom moet zijn ontstaan leeft de vraag voort. Als was Merckx een mythologische figuur wiens bestaan steeds ongeloofwaardiger dreigt te worden. Maar ook omdat een opvolger met dezelfde talenten zich nog niet heeft aangediend - en zich waarschijnlijk nooit zal aandienen.

'Door zijn buitengewone prestaties riep hij eenmaal buitenmaatse interesse op,' is het verweer van de Belgische journalist Rik van Walleghem, auteur van het boek Eddy Merckx, de mens achter de kannibaal. Hij volgde jarenlang als wielerjournalist alle grote wielerwedstrijden, maar kwam te laat in de wielerwereld om beroepshalve deelgenoot van Merckx' triomftochten te kunnen zijn. Altijd werd hij geconfronteerd met de vergelijking van de huidige Belgische generatie met de Merckx-dictatuur. Tot vervelens toe, misschien zelfs tot ergernis. Ten einde raad - vijftien jaar nadat Merckx zich versleten overgaf aan het aardse leven - voelde hij zich geroepen op zoek te gaan naar het ware leven rond Merckx en het ware leven van Merckx zelf. De werkelijke betekenis die Merckx aan wielrennen, vooral aan winnen hechtte.

'Het behoort tot de lotsbestemming van een vedette dat hij of zij, om zo te zeggen, te grabbel wordt gegooid voor de massa, die maar niet genoeg kan krijgen van de soms onnozelste details van haar idool,' is Van Walleghem gaan beseffen. Het risico dat hij zich te buiten zou kunnen gaan aan voyeurisme heeft de journalist van Het Nieuwsblad tijdig onderkend. Ziekelijke nieuwsgierigheid is hem vreemd.

Fascinerend, angstwekkend gedreven, verschrikkelijk eenzaam moet het leven van Eddy Merckx zijn geweest. Hij werd 'de kannibaal' genoemd, omdat hij alles wilde winnen wat er te winnen viel. Maar hij was geen beest. Hij moet een opgejaagd dier zijn geweest. Zo menselijk was hij wanneer hij niet werd uitgedaagd, zo kinderlijk gekwetst wanneer de boze wereld weer eens zijn tong naar hem uitstak. Eddy Merckx droeg de neurotische kenmerken van een perfectionist.

Het is aangrijpend wanneer men leest hoeveel compensatie een mens heeft moeten putten uit zijn prestaties. Zo veel pijn, zo weinig vreugde. Uitbundige armgebaren bij een triomf in welke koers ook waren hem vreemd. Zijn obsessie droeg niet de sporen van rancune of haat. Of ze diep in zijn onderbewuste hebben bestaan, is niet duidelijk en wordt dat in het boek ook niet. Eddy Merckx liet zich alleen kennen door de manier waarop hij fietste. Hij was een wielrenner. Waarom dan nog verder vragen?

HARTAFWIJKING

Zoon van een kruidenier die dag en nacht moest werken, die zeer streng was en zich nauwelijks interesseerde voor wielrennen. Zijn moeder kon hem niet de baas toen hij nog een jongetje was dat niet wilde leren en alleen buiten wilde spelen. Maar zij nam het altijd voor hem op. In zijn beginperiode als wielrenner meldde zijn moeder zich vaak bij de autoriteiten om Eddy te steunen. Bijvoorbeeld toen een bondsarts bij de jeugdige Merckx een hartafwijking meende te constateren. Wat in tegenspraak was met de bevindingen van zijn huisarts. Moeder Merckx ontdekte de ware reden, namelijk dat de bondsautoriteiten de jonge wielrenner nog niet wilden opnemen voor de nationale ploeg. Uiteindelijk werd Eddy toch geselecteerd. Dank zij moeder.

In de wedstrijden stond hij ook niet alleen, ondanks al zijn kracht en eerzucht. Geen enkele topwielrenner ondervond zoveel steun van ploeggenoten als Merckx in zijn tijd. Zijn ploeggenoten kropen voor hem door het vuur en de modder. Namen als Van Schil, Swerts, Bruyère, Huysmans en De Schoenmaecker zijn bekend. Wanneer Merckx, wantrouwend als hij was, meende dat zij hun werk niet naar wens deden, volgden harde maatregelen. Sommigen konden uitzien naar een andere werkgever. Een overwinning kreeg je van hem sowieso nooit cadeau, ook niet als zijn ploeggenoot. Zo streng en perfectionistisch was hij.

'Er was een vaste clan van ja-knikkers rond Merckx ontstaan,' zegt Martin van den Bossche, een van de weinige ploeggenoten die zich niet door Merckx de wet lieten voorschrijven. 'Een hofhouding bijna. Ik kon niet tegen die onderdanige mentaliteit. Ik had bewondering voor Merckx, maar ik aanbad hem niet. De meesten konden echter geen afstand meer van hem nemen. Als hij een trappist bestelde, bestelde alleman een trappist. Als individu ging je dood naast Merckx. En dat wilde ik niet.'

De sluier van geheimzinnigheid die over Merckx hangt, laat zich nauwelijks wegnemen. Niet door ex-renners, ex-ploegleiders, journalisten, soigneurs, supporters, familieleden en niet door Merckx zelf. Ze komen bijna allemaal aan bod. Maar niet Guillaume Driessens, de extraverte ploegleider die Merckx in veel van diens grote jaren steunde. Driessens was ploegleider van zowat alle grote wielrenners, van Fausto Coppi tot Freddy Maertens. Zonder hem waren ze niet zo groot geworden, beweerde hij altijd. Daarin schuilt een kern van waarheid. Merckx en Driessens zijn nooit vrienden geweest, hoewel ze menig triomf 'samen' vierden. Merckx hield niet van druktemakers. Maar ook: 'Ik heb wellicht nooit de juiste ploegleider gehad. Het was ook moeilijk, met mijn karakter. Wat de een te veel had, had de ander weer te weinig.' Vrienden had hij niet in het peloton. Dat kon hij zich niet veroorloven. Sport is strijd en strijd betekent eeuwige concurrentie.

INTROVERT

Journalisten tastten bij hem in het duister als zij achter zijn waarheid wilden komen. De terughoudendheid van Merckx werd soms verward met geheimzinnigdoenerij. 'Merckx slaagt er in iedere periode van het jaar in een stukje van zijn persoonlijkheid of zijn verlangens met de sluier van geheimzinnigheid te omweven', schreef de journalist Joris Jacobs toen. Jacobs beschouwde dat echter niet als een handicap. 'De jonge Merckx was teruggetrokken, introvert. De journalisten in die tijd meenden dat zij het recht hadden beslag te leggen op de vedette. Willem van Wijnendaele sprak onomwonden over een wederdienst die de renners moesten bewijzen. 'Want wij maken ze toch groot.' Hij bood de pers twee voordelen: de manier waarop hij won was meestal indrukwekkend en leverde hopen schrijfstof. En hij was als mens niet te definiëren, waardoor je je verbeelding de vrije teugels kon laten. Wat wil je als journalist nog meer?'

Merckx begreep niet waarom juist hij op de meest uiteenlopende vragen moest antwoorden. 'Hij wilde wel lekker kletsen, maar hij kon het niet,' zegt journalist Robert Janssens. 'Zijn burgerlijke opvoeding had hem geleerd tegemoet te komen aan wat de omgeving hem vroeg. Hij was niet verbaal aangelegd, las niet veel, drukte zich uit met weinig woorden. Bovendien had hij de pers niet echt nodig. Hij fietste niet voor de erkenning, voor de glorie. Hij wilde winnen, in de eerste plaats voor zichzelf. Zonder pers zou hij even gespannen, even ambitieus, even gedreven zijn geweest.'

Hij was onzeker. Hij was tweetalig, geboren aan de zuidoostelijke rand van Brussel, maar maakte zowel in het Frans als het Nederlands in het begin van zijn carrière fouten. De belangstelling rond zijn persoon heeft hij altijd als kunstmatig, overdreven en soms zelfs als ongepast beschouwd. Het gezwollen amusement en de opdringerige pathos van de commerciële media gaat hij (48 jaar inmiddels) nog altijd uit de weg. 'Ik betaal nog altijd de tol van de roem. Ik word gebruikt als symbool, men verplicht me in mijn verleden verder te leven. Ik heb het daar steeds moeilijker mee, met die belangstelling. Men vraagt me voor de onnozelste optredens. Als ik dat wou, kon ik de week rond ergens gaan opdraven om acte de présence te geven. Als kijkvoer: men gaapt me aan. Dat is vervelend op den duur. Soms denk ik: ik scheer me twee weken lang niet, dan herkent niemand me nog. Ik wil niet geleefd worden, maar zelf nieuwe lijnen uitzetten. Ik ben geen God. Die aanbidding van mensen is onbegrijpelijk.'

Sportjournalist Robert Desmet zegt: 'Op een bepaald moment in zijn leven heeft Merckx gekozen voor een pad, waar hij nooit van af wilde wijken. Het is te vergelijken met een gelovige die beslist missionaris of pastoor te worden. Bij Merckx was het niet alleen een geloofsgesteltenis, het was een levensopdracht. Eens je voor zoiets kiest, moet je vasthouden aan een bepaald patroon. Bovendien koos Merckx voor de wielersport tegen de wil van zijn ouders. Daardoor dwong hij zichzelf om nog meer te slagen.'

GAPATENTEERD TOBBER

Het boek is verdeeld in hoofdstukken die titels dragen als 'de Sfinx', 'de Oester', 'de Kluizenaar', 'de Rivaal', 'de Zwijger', 'de Vedette', 'de Denker', 'het Slachtoffer', 'de Twijfelaar', 'de Idealist' en 'de Kannibaal'. Ergens wordt hij een 'gepatenteerd tobber' genoemd, wat hij beaamt.

Eddy Merckx heeft niets gemist wat een bezeten sportman kan tegenkomen. Het verlies, de doping, de ziekte, de dood, het zwarte gat. Veel ingetogen vreugde, maar vooral veel twijfel en nog veel meer pijn. Hij besefte niet wat hij daarmee aanrichtte bij de mensen die hem volgden en bewonderden. Zo'n intense loopbaan zal geen sportman zich wensen, als hij niet wist waarom Merckx ertoe gedreven werd. Het uitputtende werk van Rik van Walleghem met veel foto's van de zwoegende, lijdende, gekwetste, eenzame, triomferende en meest fascinerende wielrenner aller tijden kan als leidraad dienen.

    • Guus van Holland