De O van oplossing

DE POLITIEK is hardleers. In de afgelopen tien jaar heeft zij vooral een slechte naam gekregen omdat zij pretenties had die zij niet kon waarmaken. Geen probleem, groot of klein, nationaal of universeel, of het werd met behulp van adviescolleges, het maatschappelijk middenveld en meestal met grote sommen geld aangepakt. Modegevoeligheid was haar belangrijkste kenmerk. Als een verslaafde televisiekijker 'zapt' de politiek van vraagstuk naar vraagstuk: mestoverschot, euthanasie, klimaatsverandering, gezondheidszorg, blauwhelmen, rode baretten, criminaliteit, arbeidsongeschiktheid, illegalen, bijstandsfraude, asielzoekers, en terug. Er bestaat geen schaamte om in herhalingen te vervallen.

Europese regeringen volgen verschillende agenda's en hebben verschillende prioriteiten, maar hun pretenties betreffende de maakbaarheid van de samenleving zijn er niet minder om. Tegen die achtergrond is het des te opmerkelijker dat zij zich gezamenlijk lijken te hebben neergelegd bij het grensoverschrijdende en chronische vraagstuk van de massale werkloosheid, zelfs nu een nieuwe conjunctuurgolf het niveau daarvan verder omhoog stuwt. Het wordt voorlopig aan het bedrijfsleven zelf overgelaten om met werktijdverkorting annex inkomensderving de rauwste gevolgen te temporiseren.

DE ENIGE DIE zich van de algemene terughoudendheid niets aantrekt, is de voorzitter van de Europese Commissie, de Fransman Jacques Delors. Afgelopen maandag lanceerde hij een plan voor openbare investeringen tot een bedrag van 43 à 64 miljard gulden, te financieren met speciale Euro-leningen. Eerder hadden de Europese regeringsleiders al een bedrag van 15 miljard gulden beschikbaar gesteld - en de animo om daar een beroep op te doen bleef tot dusver opvallend beperkt. De ministers van financiën, bezorgd om de begrotingsgevolgen, reageerden dan ook zeer lauw op het nieuwe elan van de voorzitter.

De vraag dringt zich op in welke kwaliteit Delors hier opereert: als Europees ambtenaar of als Frans politicus die straks een gooi naar het Elysée wil doen. De onzekerheid daarover kan slechts worden weggenomen indien de Commissie-voorzitter zich bij voorbaat uit de campagne voor het Franse presidentschap zou terugtrekken.

Is er overigens principieel iets op tegen dat de Commissie zich uitspreekt over dit vraagstuk? Formele bezwaren zijn er niet. Communautair gesproken is er zelfs veel voor te zeggen dat initiatieven op dat niveau worden voorbereid. De afbraak van het Europese wisselkoersmechanisme heeft de Europese samenhang al genoeg aangetast. Als Europa's nationale economieën op de wereldmarkten nog iets willen betekenen, kunnen ze wat er rest aan cohesie maar beter koesteren.

ER IS ECHTER een maar. Door de schijn te wekken dat de Unie in staat is met een paar kunstgrepen een existentieel vraagstuk uit de wereld te helpen loopt Delors in dezelfde val als menige nationale regering voor hem: alsof het vademecum van de economische theorie maar behoeft te worden opgeslagen om bij de O van oplossing te vinden wat er verder moet gebeuren. De discussie in de Bondsrepubliek over de zware crisis in de Duitse economie suggereert dat het niet zo eenvoudig is en dat het om meer gaat dan een financiële injectie ter modernisering van de communautaire infrastructuur. Door meer te pretenderen dan kon worden waargemaakt, is de nationale politiek in een kwade reuk geraakt. Er is geen reden om de al zwaar gekritiseerde Gemeenschap ook nog eens met schone beloften en het spenderen van veel belastinggeld verder de gevarenzone binnen te leiden.