DE MACHTIGE STAMBOOM DES LEVENS

Verslag van het leven. De evolutie als aangrijpend drama van selectie, overleven en uitsterven samenstelling Stephen Jay Gould 256 blz., geïll., Schuyt & Co 1993, vert. Theo Jorna (The Book of Life, Ebery-Hutchinson 1993, ƒ 66,95), ƒ 79,50 ISBN 90 6097 345 3

Een van de vele stokpaardjes van de Harvardse paleontoloog en essayist Stephen Jay Gould is dat de mens allesbehalve het onvermijdelijke einddoel was van de evolutie. Een triviale vaststelling, maar een die voor het algemene publiek niet vaak genoeg schijnt te kunnen worden herhaald.

Nog niet zo heel lang geleden zagen ook veel evolutiebiologen de hele geschiedenis van het leven op aarde nog als een soort machtige heirbaan van protocel tot Homo sapiens. Eerst had je de eencelligen, toen de ongewervelden, daarna de vissen, vervolgens de amfibieën en de reptielen en uiteindelijk de zoogdieren, waaronder vooral wij. In het dichte takkenbos van de gereconstrueerde stambomen (fylogenieën) prijkten wij triomfantelijk in het midden, alsof het allemaal om ons te doen was geweest.

Gould heeft die antropocentrische bevooroordeling van zijn wetenschappelijke voorgangers in zijn populariserende essays geregeld aan de kaak gesteld. Terecht natuurlijk. Onze soort is maar een onooglijk twijgje aan de machtige stamboom des levens. Zelfs ons hele phylum, dat van de chordata, valt zowel qua aantallen als soortenrijkdom totaal in het niet bij dat van bijvoorbeeld de insekten.

Des te opmerkelijker is het dat The book of life, een ambitieus uitgeefproject waaraan Gould als eindredacteur en inleider zijn medewerking verleende, zich precies aan de klassieke conventie houdt van een statige progressie van oercel tot mens. Van de zes hoofdstukken die de ruim 3,5 miljard jaar lange ontwikkeling van het leven op aarde beschrijven, is er maar liefst één integraal gewijd aan de recente kleine zoogdierorde waartoe wij toevallig behoren, die van de primaten. Kennelijk is het zelfs voor Gould niet mogelijk om de uitgevers van een populariserend werk als dit de traditionele aanpak uit het hoofd te praten.

Het rijk geïllustreerde boek, waarvan tegelijkertijd een Nederlandse vertaling is verschenen, beoogt zowel in woord als in beeld een overzicht te geven van de geschiedenis van het leven op aarde. Het boek past daarmee in een lange traditie. Gould gaat op die traditie in zijn voorwoord in, waarbij hij sterk de nadruk legt op het beeld. Plaatjes, zo schrijft hij, zijn van onschatbare waarde voor onze beeldvorming van het geologische verleden. Men dient daar zijn neus beslist niet voor op te halen.

Gould schetst in grote lijnen de geschiedenis van de 'iconografie' van de voorwereldijke dieren. Hij leunt daarbij zwaar (uiteraard met bronvermelding) op het werk van de Britse wetenschapshistoricus Martin Rudwick, die vorig jaar een werk over het ontstaan van de eerste paleontologische reconstructieplaten publiceerde (Scenes from Deep Time). The book of life (of, in het Nederlands, Verslag van het leven), is bedoeld als de moderne, wetenschappelijk verantwoorde tegenhanger van soortgelijke gedocumenteerde plaatwerken uit het verleden.

Wat de tekst betreft is deze opzet bijzonder geslaagd. De zes hoofdstukken plus inleiding zijn geschreven door vijf bekwame auteurs, alle vooraanstaand op hun respectieve vakgebieden. Vooral de Britse paleontoloog Michael Benton van Bristol University heeft zich flink geweerd. Hij schreef zowel de algemene inleiding over 'Leven en tijd' als de drie hoofdstukken over de vissen, de viervoeters en de dinosauriërs, samen dus meer dan de helft van het boek. De andere auteurs zijn de Amerikaan J. John Sepkoski, Jr. van Chicago University (over het eerste leven in de oceanen), Christine Janis van Brown University (over het tijdperk van de zoogdieren) en het Britse duo Peter Andrews en Christopher Stringer van het Museum of Natural History in Londen (over de evolutie van de primaten).

CAMBRISCHE EXPLOSIE

De hoofdstukken zijn (ook in de uitstekend verzorgde Nederlandse vertaling) stuk voor stuk zeer leesbaar en staan bol van wetenswaardige informatie. Het eerste hoofdstuk van Sepkoski, Jr. bijvoorbeeld ('Fundament: leven in de oceanen') behandelt achtereenvolgens het ontstaan en de evolutie van de eerste micro-organismen, dat van eencellige en later meercellige eukaryoten, de mysterieuze Ediacara Fauna en de daarop volgende Cambrische explosie. Inzetjes geven aardige bijzonderheden over zaken als de evolutionaire ouderdom van verschillende delen van het menselijk lichaam (vingernagels: ruim 5 miljoen jaar; haar: ca. 65; inwendige bevruchting: ca. 300 miljoen jaar, etc.) of (in een later hoofdstuk) de biomechanica van grote dinosauriërs.

Het is wel zaak om in het achterhoofd te houden dat de behandeling van de diverse tijdperken en groepen zeer selectief is. Grote gewervelde dieren zijn in het boek sterk oververtegenwoordigd, in overeenstemming met zowel de interesse van het publiek (dinosauriërs!) als die van de paleontologen zelf. Zo zijn er aan insekten (de meest succesvolle afdeling uit het dierenrijk aller tijden) niet meer dan enkele pagina's gewijd, evenals aan planten. Het boek is daarmee behalve antropocentrisch ook sterk animalo- en in het bijzonder vertebratocentrisch geworden. Voor een belangrijk deel ligt dat overigens aan het feit dat vooral deze groepen in het bodemarchief rijk en compleet zijn vertegenwoordigd.

Is de tekst een groot plezier om te lezen, minder positief is het gesteld met de afbeeldingen en de vormgeving. De pretentie van Verslag van het leven is om een fraai salontafelboek te zijn (in de goede zin des woords), een werk dat alleen al door de fraaie afbeeldingen een genoegen is om door te bladeren. Helaas. De gekleurde reconstructies van voornamelijk gewervelde viervoeters zien er vaak goedkoop en kitscherig uit en de vormgeving is armzalig.

Gould deelt in zijn voorwoord de geschiedenis van de iconografie van het paleontologisch verleden in vier tijdperken in. We bevinden ons, aldus Gould, thans in het 'postmoderne' tijdperk, en de beste vruchten hiervan zijn volgens hem te genieten in dit boek. Welnu, als dit de beste vruchten zijn, dan ware het beter geweest wanneer het 'postmodernisme' nooit tot deze tak van toegepaste kunst was doorgedrongen. Smaken verschillen, maar het kleurgebruik is vaak uitgesproken schreeuwend of juist pastelachtig flets. De weinige platen die zich qua sfeer en vakmanschap kunnen meten met het beste uit vorige tijdperken komen bovendien maar pover tot hun recht door de steriele presentatie.

Want de vormgeving van het boek maakt een gedateerde en schoolse indruk, zeker naar Nederlandse maatstaven. De tekst, overal geperst in twee door lelijke haarlijnen gemarkeerde kolommen met vrije regelval, harmonieert zeer slecht met het beeldmateriaal. De vele diagrammen en figuren zien er met hun bleke babykleuren en slecht geproportioneerde verklarende teksten bovendien amateuristisch en schamel uit.

Jammer, jammer, jammer. Voor het boek lijken kosten noch moeite gespaard. De auteurs hebben zich uitstekend van hun taak gekweten. Maar waarom had men niet wat meer zijn best kunnen doen om het ook tot een feest voor het oog te maken?