De etiquette van de aalmoes

Nog geen tien jaar geleden werd armoede beschouwd als een restant van voorbije tijden, bedelarij was een zeldzaamheid, wie op straat de hand ophield gaf nog meer aanstoot dan iemand die er zijn schaamdeel toonde. Maar nu in de steden bedelaars gewoon worden en ze zich niet meer door schande laten weerhouden, moeten de voorbijgangers leren liefdadig en toch stijlvol op te treden.

Negen van de tien keer dient men bedelaars te negeren, hen voorbij te gaan alsof ze lucht waren. De tiende keer is het tijd voor een aalmoes. Al enige tijd ligt in de hand een muntstuk klaar, een rijksdaalder of een vijfje; geen gescharrel in tasje of broekzak, geen zenuwachtig geaarzel, geen benard aftellen van het geld terwijl de haveloze staat af te wachten. Het muntstuk wordt nu in de uitgestrekte hand gedrukt met een korte, koene blik vol verstandhouding. Want de moderne etiquette wil dat de bedelaar benaderd wordt als mens, vandaar die blik, waarbij de sociale afstand heel even wordt overbrugd door een medemenselijk moment: “Kerel, het had mij ook kunnen overkomen.”

Toen ik een paar jaar geleden in New York woonde had ik alle gelegenheid om aan mijn stijl te werken. Op iedere straathoek stond wel een bedelaar en het tarief was een quarter. Ik hield het op een dollar, want een biljet geeft meer cachet. En ik zei er iets bij als “alstublieft meneer” of “dat is voor u, mevrouw'. Dat leek me menswaardiger dan zwijgend doorlopen. Of bedelaars dat op prijs stellen betwijfel ik achteraf. Maar op een avond kreeg ik weerwoord: “Wat krijgen we nou? alstublieft, mevrouw?! Hoe bedoel je dat? Ik hoor bij het straatmeubilair. Ik ben niet om tegen te praten, maar om aan te geven.” We raakten dus in gesprek.

Deborah had haar vaste plek schuin tegenover mijn huis op de hoek van de veertiende straat en de zevende avenue. Daar zat ze van de late ochtend tot de late avond. Ze was goedlachs en praatgraag en had wel degelijk aanspraak aan de vaste passanten. Aan de overkant lag op zijn vaste plaats een man onder een legerdeken die aanhoudend mompelde maar nooit een woord zei, niemand ooit in het gezicht keek en niet eens de moeite nam om geld te vragen, laat staan de gevers te bedanken. Zo iemand is gek, of nauwkeuriger, bang. Zo bang, dat hij eigenlijk in het bangenhuis zouden moeten zitten. Maar in Amerika waren de gestichten gesloten omdat de linksen dachten dat als de gekkenhuizen werden opgeheven de gekken vanzelf gewoon zouden worden; de rechtsen voorzagen dat ze meer konden besparen aan belastingen dan ze zouden besteden aan aalmoezen.

Deborah was van de straat, maar ze had haar connecties. Achter hun kogelvrije glas waren de ongenaakbare kaartjesverkopers van de ondergrondse niet te beroerd om haar spullen te bewaren. De wijkagenten lieten haar 's nachts met rust in een nis van de ondergrondse tunnel en waarschuwden haar als de politie weer eens een grote opruiming in de zin had. In vriesnachten reden busjes rond om de daklozen op te halen en in kerken onder te brengen.

Deborah haalde genoeg op om als het moest in een pension te slapen waar de portier haar voor half geld binnnenliet en overdag op haar tassen paste. Ze vond af en toe werk, maar dat hield ze nooit lang vol. Het loon werd pas na veertien dagen uitbetaald en in de tussentijd moest ze 's avonds nog gauw op straat wat geld ophalen. Ze wilde er op het werk verzorgd uitzien, maar ze kon alleen toilet maken op de wc van het ziekenhuis om de hoek, als een geschikte portier haar daar liet begaan. En omdat ze in de ondergrondse 's nachts altijd alert moest blijven was ze overdag niet voldoende uitgerust om haar werk te doen.

Toen ik Deborah wat beter had leren kennen, sprak ik met haar af dat ze mij zou bellen in geval van nood en dat ik een kamer voor haar zou betalen als ze nergens terecht kon. Meer dan driehonderd dollar in de maand zou me dat niet kosten had ik gauw uitgerekend. In al die zes maanden heeft ze me maar twee keer opgebeld. De ene keer was de politie in aantocht om de ondergrondse schoon te vegen en de andere keer was ze in haar slaapplaats met stenen bekogeld. Soms ging ik 's avonds laat nog even kijken hoe ze het maakte. Maar ze vroeg me zelden iets. Ze was zuinig op me, uit bescheidenheid of om mij achter de hand te houden voor echt barre tijden. Ik kwam er, vond ik, genadig van af.

Maar hoe was ze nu zo in de versukkeling geraakt? Het verhaal kwam bij stukjes en beetjes en telkens in een andere versie. Verlating, de zorg voor de kinderen, baan kwijt geraakt, huurschuld, dwangbevelen genegeerd, uit huis gezet. Wie geen geld heeft kan geen waarborg storten om een flat te huren. Maar wie geen vast adres heeft krijgt geen uitkering van de bijstand.

Als ze op straat gezet zijn moeten mensen onderdak zoeken bij familie of kennissen. En dan raakt vroeg of laat, maar onvermijdelijk, de maat vol: “Zeg, niet om het een of ander, maar het is nu toch alweer een hele tijd...” en na enig gedraal en gedraai komt het hoge woord: eruit. Door naar het volgende verwant of bevriend adres tot ook daar het welkom verbruikt is (“Je weet niet hoe moeilijk het voor me is om je dit te zeggen...”). Hoewel hier verheven beginselen in het spel zijn gaat het in werkelijkheid om laagbijdegrondse ergernissen die zich ophopen tot ze opwegen tegen het plichtsgevoel. Op dat moment valt de gastheer een verwijt in tegen zijn logé waardoor hij die vervolgens met het grootst gelijk eruit kan zetten.

Een dergelijk lot had Deborah getroffen en ik begon me af te vragen hoe lang ik het zonder geld uit zou houden in New York? Ik ging in gedachten mijn kennissen langs en vroeg me af hoe lang telkens hun gastvrijheid zou duren. Al met al gaf ik mezelf hooguit zes weken. Dan kon ik altijd nog terug naar Nederland. Daar is voor haast iedereen een uitkering en een tehuis beschikbaar en zijn de mensen helemaal niet meer gewend om hulpbehoevenden in huis te nemen. Maar als de verzorgingsstaat nu eens niet bestond, hoe lang zou iemand dan van zijn kennissen en familie kunnen leven? Wat zijn die vrienden en verwanten waard in tijd van nood? Die geschatte onderdaksduur is een goede maatstaf voor iemands sociaal kapitaal. Het hangt natuurlijk niet alleen van die andere mensen af, maar ook van de eigen charme, goede manieren en meelijwekkendheid.

Ik telde mijn kennissen af en gaf mezelf anderhalf jaar. Het was een ontnuchterend lijstje.