De Dodelijke Border

Mijn tuin heeft één border die er bijzonder lastig uitziet: het lange bed onder de noordmuur.

Het is er droog, vol wortels en erg donker, en toen wij met ons tuinierswerk begonnen had iedereen met ons te doen om de problemen die we op die plek zouden krijgen. Het gekke is dat het - al kun je dit bed misschien nog geen grandioos artistiek succes noemen - lang niet zo moeilijk is als we hadden gedacht om planten daar te laten gedijen. Sommige, zoals Hydrangea sargentiana, hebben duidelijk wat meer vocht nodig dan er beschikbaar is - deze dient zelfs bij warm weer als semafoor dat het tijd is om water te geven: van het ene moment op het andere vervalt ze, als een tweede Dr (niet Gertrude) Jekyll en Mr Hyde, van volle glorie tot zak en as, en dan pakken we de slang - maar vele andere lijken zich er volkomen thuis te voelen.

Carex pendula, Euphorbia amygdaloides var. robbiae, Geranium macrorrhizum, Galium odoratum, Cyclamen coum, Tiarella cordifolia, Iris foetidissima, Allium ursinum - alle oude toeverlaten voor droge schaduw doen het daar, en ook Houttuynia cordata, die gewoonlijk voor vochtige schaduw wordt aanbevolen. Misschien is die droogte zo kwaad nog niet, want de Houttuynia is net zo'n wereldveroveraar als Dzjengis Khan en zou in gunstige omstandigheden waarschijnlijk de hele tuin in bezit nemen. Er is niets waar je hart zo naar uitgaat als planten die op een lastige plek gedijen; ze horen er helemaal bij, net als bejaarde nichten die nooit een verjaardag vergeten. Helaas kan dat niet worden gezegd van hun tegenhangers aan de overkant, in de zuidelijke border.

Deze is licht verhoogd achter een rand van baksteen, ongeveer een meter diep, ligt ten dele onder een pereboom en wordt van achteren begrensd door een fraai gemetselde muur. Hier is zon, zo'n beetje de helft van de dag. Hier zou je - voor deze tuin - bijna van open terrein kunnen spreken. Het ziet eruit als een paradijs voor planten, maar nee: dit is, zoals ineens tot mij doordrong toen ik laatst de balans van mijn verliezen opmaakte, de Dodelijke Border ('La platebande qui tue''). Een bepaald hoekje van het noordelijke bed heb ik eens met de Bermuda-driehoek vergeleken, maar toen had ik Arum italicum nog niet ontdekt, die zich daar nu monter uitbreidt. Het terrein ertegenover heeft meer weg van Flanders fields - zij het dat de poppies (Meconopsis cambrica), die bij de meeste mensen als onkruid groeien, het hier niet redden.

Een opsomming van alle planten die op dit slagveld gevallen zijn is hartverscheurend: Astrantia maxima, een van de mooiste planten die ik heb gehad, met prachtige bleekroze bloemen, sierlijker dan het gewone Zeeuwse knoopje; daar had ik me een reusachtig blok van voorgesteld, naast blauwe Campanula persicifolia. De astrantia is als eerste gesneuveld, en daarna zijn de campanula's weggekwijnd en ten slotte bezweken. Ook andere campanula's hebben hier het leven gelaten: Campanula carpatica, die vooraan de border had moeten komen om een deel van de bakstenen rand te maskeren, Campanula lactiflora 'Pouffe', ook een laagblijvende soort, met bleekblauwe bloemen, en zelfs Campanula glomerata, die als onverwoestbaar geldt.

De volgende die heenging was de Gillenia trifoliata, ook al een beeldschone plant, met fijne witte bloemen - 'ze lijkt geschikt voor bijna iedere situatie en elke grond'' (G.S. Thomas). Deze heb ik allemaal nog in bloei gezien, maar niet de Morina longifolia, 'een fraaie, bijzondere vaste plant met grote, stekelige bladeren'' (William Robinson), waarmee het meteen al bergafwaarts ging. Er stond altijd een witte dovenetel, Lamium maculatum album, die gul over de voorkant van de border stroomde, maar na een periode van voorspoed begon ook die te verdwijnen, eerst geleidelijk aan, zoals de Cheshire Cat, maar op een dag was hij ineens helemaal weg. Ik was verrukt toen er op die plaats een paar zaailingen opdoken, maar die ontpopten zich als gewone dovenetels, helemaal geen witte.

Het lot van twee van de rozen, Rosa gallica 'Versicolor' en David Austins 'Wife of Bath', was in zoverre enigszins afwijkend dat zij niet uit zichzelf zijn verdwenen: ik moest mij ertoe zetten om hun schamele overblijfselen uit te graven, vol weemoedige herinneringen aan de opwinding waarmee ik ze had uitgekozen, gekocht en geplant. 'Zéphyrine Drouhin' daarentegen, die tegen de muur op klimt, heeft het dit jaar eigenlijk heel goed gedaan, evenals de Clematis montana var. rubens, waarvan de ene helft zich met de roos verstrengelt en de andere de pereboom bestijgt.

Misschien heeft elke tuin wel een Dodelijke Border, maar het interessante aan die van mij is dat hij zo kieskeurig toeslaat. Bepaalde heesters doen het er goed: een Fatsia japonica die er al was toen wij hier kwamen staat op een ontzettend droge plek recht onder de pereboom, maar neemt bijna zichtbaar in omvang toe en bloeit overdadig. De Ceratostigma willmottianum is een blijvend genot, en ook die was deze herfst met bloemen overdekt. Ook de Lavatera thuringiaca 'Barnsley' floreert, al is het wel de slonzigste plant van de hele tuin: het is net zo'n soort onverzorgd kind met afgezakte kousen en een hemd dat altijd onder haar truitje uitkomt. Je hoeft het ding maar te zien of je handen jeuken om het te fatsoeneren.

Toen de eerste slachtoffers vielen, heb ik het met de Christopher Lloyd-houding geprobeerd: Good-oh, weg ermee, nu kan ik daar eens iets anders proberen. Dat is niet al te moeilijk zolang je het gevoel hebt dat er nog talloze andere mogelijkheden zijn, maar wanneer zelfs de eerste Japanse anemonen het loodje leggen vraag je je toch af waar al die mogelijkheden gebleven zijn. Ik heb hopen mest en compost in de border verwerkt om zijn watervasthoudend vermogen te verbeteren, want hij droogt 's zomers heel snel uit, dat is de vloek van de verhoogde border. Ik heb erover gedacht een slang aan te leggen waaruit de hele dag door water zou sijpelen. En woekert er misschien een ziekte in de grond? Maar welke ziekte tast vaste planten aan en laat heesters ongemoeid?

Ten slotte heb ik het van me af gezet: misschien zou er zich vanzelf een oplossing aandienen. En toen vond ik eindelijk het voor de hand liggende antwoord: de makke van deze border steekt in de tuinier. Wat k wil is een massa ouderwetse vaste planten in pasteltinten, wat hj wil is een rij robuuste, onderhoudsarme struiken. Dat bedoelen ze nu met genius loci: je laat hem op je inwerken en dan komt het antwoord vanzelf.

Zo deden de grote tuinontwerpers het ook altijd, alleen waren hun oplossingen interessanter: zij verplaatsten meren, bouwden tempels, creëerden vergezichten. Ik heb nog nooit gehoord dat zo iemand een verhoogd heesterbed aanlegde van een meter diep. Nee, voordat wij daaraan beginnen moet ik misschien eerst eens het voorbeeld volgen van een vriendin van mij in Londen, die niets van tuinieren weet en daarom een tuinarchitect in de arm had genomen. 'En, wat deden ze?'', vroeg ik, hopend op een gouden tip van de vakman. 'Nou'', zei ze, 'ze hebben om te beginnen alle planten die links in de tuin stonden naar rechts verplaatst en alles wat rechts stond naar links.''

    • Jaap Engelsman
    • Sarah Hart Vertaling