Club van Londen besluit tot halvering schuld; Westerse bankiers bevrijden Bulgarije van een loden last

SOFIA, 27 NOV. In één klap is de financiële hemel boven Sofia opgeklaard. De loden onweerswolken die al drie jaar lang het zicht op de toekomst verduisterden zijn vele tinten, om precies te zijn, de helft, lichter geworden.

Vóór gisteren, toen vertegenwoordigers van driehonderd Westerse banken in Frankfort besloten om de onder het communistische regime opgebouwde staatsschuld, groot 9,3 miljard dollar, met de helft te verminderen, leek de Bulgaarse economie te balanceren op de rand van de afgrond. Terwijl vorig jaar de export nog gestegen was tot 5,1 miljard dollar (van 3,7 miljard het jaar daarvoor) leek dit jaar als gevolg van wat kortweg het “Joego-embargo” wordt genoemd een knik in de opgaande lijn geregistreerd te moeten worden. De verwachting is in elk geval dat dit jaar niet afgesloten kan worden met een handelsoverschot.

Een andere bron van potentiële exportgroei is, anders dan de Bulgaren redelijkerwijs hadden mogen verwachten, tot dusver droog gebleven: het interimakkoord met de Europese Gemeenschap is nog steeds niet in werking getreden, als gevolg van het feit dat de Mediterrane EG-leden de vrijere import van Bulgaarse agrarische produkten zolang mogelijk proberen tegen te houden.

Daar komen de binnenlandse moeilijkheden bij: een werkloosheid van omstreeks 16 procent, een begrotingstekort dat naar de 8,5 procent van het bnp dreigt te kruipen, een inflatie die waarschijnlijk op 70 procent zal uitkomen, 10 procent meer dan was geraamd.

Als er niet een grotere mate van begrotingsdiscipline in acht wordt genomen en dringende hervormingsmaatregelen worden doorgevoerd, zo waarschuwde onlangs de Bulgaarse minister van financiën, Stojan Alexandrov (dezelfde die gisteren zo triomfantelijk uit Frankfort kon terugkeren), dan glijdt het land af naar een toestand van hyperinflatie.

De jeugdige minister rekende voor dat de inkomsten van de Bulgaarse schatkist dit jaar niet verder komen dan 82 procent van wat was begroot en dat de grens van het begrotingstekort al twee maanden voor het eind van het jaar was overschreden. Wat een groot aantal Bulgaren die voor hun salaris van de overheid afhankelijk zijn tot hun grote verontwaardiging al hadden gemerkt: sommige groepen, uitkeringstrekkers, militairen en leraren bijvoorbeeld, hebben al twee maanden geen salaris ontvangen.

Maar de alarmerende voorspelling van de minister van financiën werd nogal snel tegengesproken door de man die werkelijk verstand van economie heeft en bovendien precies weet hoeveel geld er in kas is, de gouverneur van de centrale bank, professor Todor Voeltjsev. Die kwam tenminste direct nadat Alexandrov zijn onheilsboodschap had laten horen met de geruststellende mededeling dat de Bulgaren voor hyperinflatie niet bang hoeven te zijn, want dat hij er het volste vertrouwen in had de lev (de nationale munt) te kunnen stabiliseren op een niveau van 31 lev voor een dollar. De professor zei te hopen dat de inflatie voor volgend jaar tot 42 procent beperkt zou kunnen blijven. Vorig jaar bedroeg de inflatie meer dan 80 procent. Maar hyperinflatie begint pas bij 1000 procent. En daar is geen sprake van. Vandaar.

Met de halvering van het grootste gedeelte van de buitenlandse schuld - voor de schuld aan regeringen van 2 miljard dollar heeft Bulgarije vorig jaar december al een herschikking weten te krijgen - is nu in ieder geval een belangrijke belemmering weggenomen voor een versnelling van het economische hervormingsproces in het land. Het principe-akkoord houdt in dat Bulgarije, wanneer het akkoord eenmaal in werking is getreden, vermoedelijk ergens in de eerste helft van 1994, begint met een betaling ineens van 865 miljoen dollar, gevolgd door jaarlijkse betalingen van ongeveer 300 miljoen dollar in de eerste zeven jaar.

Wat precies de achtergronden zijn van het royale gebaar van de 300 westelijke banken van de Club van Londen, verenigd in een consortium dat geleid wordt door de Deutsche Bank, is onduidelijk. Een rol heeft zeker gespeeld dat de Bulgaren een zwakke economie hebben en dat het bruto nationaal produkt nog voortdurend terugloopt, ook al lijkt, zoals een Westerse waarnemer het uidrukt, “de duikvlucht van de afgelopen jaren over te gaan in een glijvlucht”. De verhouding tussen bnp en schuld bedraagt op het ogenblik 100:152, wat betekent dat de Bulgaren anderhalf jaar zonder enige consumptie zouden moeten produceren om hun buitenlandse schuld af te betalen.

Een belangrijke rol op de achtergrond is zeker gespeeld door de figuur van bankpresident Todor Voeltsjev. Professor Voeltsjev geldt in Bulgarije als de financiële expert bij uitstek. Zijn gezag ontleent hij vooral aan het feit dat de Bulgaarse nationale bank een volstrekt onafhankelijke positie tegenover de regering heeft, geheel conform het grote voorbeeld, de Duitse Bundesbank. Aan Voeltjsevs voorzichtige beleid is het bijvoorbeeld te danken dat de deviezenreserve van het land (die in 1991 nog geen 50 miljoen dollar bedroeg) nu schommelt tussen de 800 à 1000 miljoen dollar.

Het psychologische effect, zowel intern als extern, van de beslissing van de Westerse banken is onschatbaar. De levensduur van het zakenkabinet van premier Ljoeben Berov, geteisterd als het wordt door een wispelturig parlement, zal er zeker door worden verlengd en mogelijk zal de regering nu ook kunnen doen waarvoor ze is gevormd: het nemen van zakelijke beslissingen.

Maar vooral voor het imago van het land tegenover de buitenwereld is de beslissing belangrijk. De verwachting is dat allerlei onderhandelingen, bijvoorbeeld met het IMF over een nieuwe standby-regeling, of met de Wereldbank over het vrijmaken van de tweede tranche van een lening voor structuuraanpassingen, soepeler gevoerd zullen kunnen worden.

Ten slotte zal het vertrouwen van het internationale bedrijfsleven in Bulgarije een flinke ondersteuning krijgen. Tot dusver beperkte de buitenlandse belangstelling zich tot vrij kleine projecten - Shell, dat een netwerk van benzinestations gaat opzetten is een uitzondering. Het bedrag dat in totaal gemoeid is met buitenlandse investeringen ligt bij de 200 miljoen dollar per jaar; in andere Oosteuropese landen, zoals Tsjechië, Hongarije en Polen, worden die bedragen al snel met negen nullen geschreven.

Bulgarije, het Oosteuropese land dat zich, voorbij Roemenië, voorbij Joegoslavië, weet opgeborgen in een uithoek van Europa, kan de toekomst met gerechte rug tegemoet, bevrijd van een loden last.