Anders dan bij kunst gaat het bij dansen om één ding: winnen; Gezond eten en vroeg naar bed

ALPHEN AAN DEN RIJN, 26 NOV. Ruud Vermey wil geen 'poetry' lezen of horen, nee, hij wil het zien. Met eigen ogen.

En dus neemt Marcella van Altena, met haar rug naar haar partner gekeerd, nog één keer plaats in de armen van Dario Gargiulo. Strekken zij nog één keer hun rug en halen zij nog één keer gelijktijdig en diep adem. Dan, bij het uitademen, draait zij met een strak gezicht en een snelle, roterende beweging zijdelings van hem weg, waarna haar rechterarm tergend langzaam langs zijn linker glijdt. Alsof ze twijfelt over haar zojuist genomen beslissing. Als hun handen elkaar raken, vindt Dario het welletjes. De spieren in zijn arm spannen zich en met een spin draait hij Marcella weer naar zich toe. Met een ontspannende zucht vlijt ze zich gracieus weer in zijn brede, beschermende armen.

Poetry? De interpretatie van de rumba, een van oorsprong Cubaanse dans, door Van Altena en Gargiulo, begint er al op te lijken. “Much better. See, you have to sense eachother”, zegt Vermey. Kunst of amusement? Wie zal het zeggen. Sport? Zonder twijfel! Op de Olympische Spelen van 1996 in Atlanta is het wedstrijddansen demonstratiesport en sinds begin deze maand heeft NOC*NSF het als officiële sport erkend. Daardoor heeft het wedstrijddansen hier na jarenlange discussies dezelfde status gekregen als bijvoorbeeld in Engeland en Duitsland. In die landen is het - naast vaak uitgebreide wedstrijdverslagen op de televisie - al jaren niet ongebruikelijk dat dagbladen resultaten van grote nationale en internationale wedstrijden vermelden. In dezelfde kolom als de voetbal- en hockey-uitslagen.

Vermey, midden jaren tachtig vijf maal Nederlands kampioen Latijns-Amerikaanse dansen (cha cha cha, samba, rumba, jive, paso doble) en sinds enkele jaren trainer/coach van vooraanstaande Nederlandse en buitenlandse paren, vindt de erkenning door het NOC*NSF een goede zaak. Hij ziet vooral voordelen op het organisatorische en financiële vlak. Vermey vermoedt dat het vinden van sponsors voor het wedstrijddansen door de verworven sportstatus gemakkelijker zal verlopen. “Want als dat lukt, zal het niet alleen mogelijk worden om meer wedstrijden in Nederland te organiseren, maar zullen ook de dansers zelf meer mogelijkheden krijgen zich te bekwamen.”

Een bijkomend voordeel is, meent Vermey, dat het predikaat 'sport' jongens aantrekt. “Het is weliswaar niet zo dat we een tekort aan jongens op de dansscholen hebben, maar kwaad kan het zeker niet. Bij ons is de verhouding tussen jongens en meisjes ongeveer fifty-fifty. Vergelijk dat eens met een balletschool. Daar bestaat een klas uit 30 meisjes en één jongen. En waarom? Tja, jongens schijnen nu eenmaal liever een sportman dan een kunstenaar te zijn.”

Op de vraag of Vermey, die recentelijk een doctorsgraad in de choreologie (dansstudie) aan de Goldsmith-Universiteit in Londen behaalde, het wedstrijddansen ook werkelijk een sport vindt, volgt een diepe zucht. En een lange pauze. “Ach”, klinkt het dan voorzichtig, “het hangt af van het framework. Doe je iets in een theater, dan heet het kunst. Doe je iets in een sporthal, dan heet het sport. De omgeving dicteert de naam die iets krijgt. Maar uiteindelijk gaat het bij het wedstrijddansen om hetzelfde als bij sport: winnen. Bij kunst is dat niet zo. Althans niet openlijk. Maar ook daar draait het uiteindelijk vaak om de vraag wie waar hangt met zijn schilderijen.”

Voor Marcella van Altena en Dario Gargiulo bestaat er geen enkele twijfel: Wedstrijddansen een sport? Ben je gek, topsport! De 34-jarige Nederlandse vormt sinds kort een koppel met de 29-jarige Australiër. Om aan de internationale top mee te kunnen doen, weet Van Altena, moeten ze toch al gauw vier uur per dag trainen. Dansen. En daarnaast menig uurtje naar een fitness-studio. En gezond eten en vroeg naar bed. Haar partner knikt instemmend.

Van Altena en Gargiulo zijn, net als circa 50 andere paren in Nederland, 'professionals'. Dat betekent niet dat ze met hun sport hun brood verdienen, maar de benodigde diploma's hebben om eventueel zelf een dansschool te kunnen beginnen. Paren die die diploma's niet hebben - in eigen land ruim 200 die aan wedstrijden deelnemen - worden internationaal tot de amateurs gerekend. Voor beide categorieën zijn aparte kampioenschappen.

Naast de Latijns-Amerikaanse dansen vinden wedstrijden plaats in Standaarddansen (wals, Engelse wals, slow fox, quickstep en tango) en Allround (alle tien). Naast techniek, timing, choreografie en interpretatie van de muziek let de jury ook op subjectievere zaken als uitstraling, charisma en 'innemendheid' van het paar. Omdat in tegenstelling tot bijvoorbeeld het met het wedstrijddansen enigszins vergelijkbare kunstrijden op de schaats meerdere paren tegelijk kwaliteiten moeten vertonen, is het volgens Van Altena en Gargiulo daarom vooral ook een zaak om op te vallen.

Dat kan door middel van kleding - al gauw enkele duizenden guldens per jaar per paar -, maar ook door een nog stralender lach op het altijd gebruinde gezicht te toveren. Dat laatste lijkt in de wedstrijdsport namelijk een ongeschreven regel. Want wat antwoordt het Engelse toppaar Sammy Stopford en Barbara McColl in 'Live 'n' Dance', een publikatie van de Nederlandse Bond van Dansleraren, op de vraag wat zij altijd doen op de avond voor een belangrijke wedstrijd? “Zelfbruinende crème opdoen.”

    • Paul de Lange