44.999.999 kalkoenen

Donderdag was het Thanksgiving Day; bijna alles dicht en een grote optocht. Vloek of zegen?

Ik vond het geen moeilijke vraag. Een grote optocht in de stad is sowieso een vloek. In Amsterdam hebben we op de eerste zaterdag van september het Bloemencorso met de praalwagens en een paar maanden later de intocht van Sint Nicolaas. Aan de intocht van 1992 bewaar ik onvergetelijke herinneringen. Die zaterdag overviel het me, en ik was niet de enige. Het centrum was afgesloten voor iedereen die niet op een paard zat. Toevallig kwam ik lopend uit de Oude Hoogstraat, dus aan de kant van de Dam waar ook het Nationaal Monument staat en daar ik liep vast in de dichte haag van mensen die op de Sint stonden te wachten. Uit dezelfde richting als ik kwamen twee oude Japanners aan, met zware koffers op nikkelen steekwagentjes. 'Which way to the station?'' vroegen ze. Ik wees naar rechts. Ze keken en zagen het onmogelijke; hun blik brak. 'But we must catch the plane to Tokio!'' Wat kon ik doen? De Sint had zo te zien bij het Noord-Zuidhollands Koffiehuis nog niet eens voet aan wal gezet.

Ik verklaarde dat ze in een volksfeest terecht waren gekomen, wie Sint Nicolaas is, het ritueel van het paard op het dak, roe, zak, schoorsteen en schoen en hoe dat ieder jaar grote opgetogenheid veroorzaakte. Ze luisterden aandachtig, knikten en glimlachten en toen ik uitgesproken was vroegen ze: 'But plane to Tokio?'' Ik zei: 'I fear: no Tokio today.'' En nu het onvergetelijke: ze maakten de indruk dat ze zich erbij neerlegden, en toen de Sint in zicht kwam haalden ze hun camera's tevoorschijn en maakten foto's.

Op Thanksgiving worden er in Amerika 45 miljoen kalkoenen opgegeten. In New York heeft deze dag dezelfde verlammende invloed op het openbaar vervoer boven de grond als Sint Nicolaas op het Amsterdamse, maar met andere gevolgen omdat de 'trams' er onder de grond rijden. Er is een grote optocht waaraan het warenhuis Macy's zijn naam heeft gegeven. Veel praalwagens maar ook grote ballonnen die Mickey Mouse voorstellen, of Donald Duck, een ijshorentje, een draak, andere griezelpieten voor kinderen en dat allemaal in zeer groot formaat, meters boven het straatoppervlak, en er is ook veel muziek met regimenten majorettes. Het woei hard. Dat had het op Independence Day ook gedaan en toen was er een luchtschip door de wind gegrepen en op het dak van een lage wolkenkrabber gesmakt. De televisie had gezegd dat er kans was op herhaling, en nieuws is nieuws. Dus ben ik gaan kijken.

Over New York horen we tegenwoordig veel slechts: bruggen die op instorten staan, de bedelaars, de oorlog op straat, maar daar was niets van te merken. Van alle kanten stroomden families naar Broadway. Voor het eerst zag ik een straatbeeld waar de kinderen in de meerderheid waren. Het was bitter koud, een gure storm die misschien nog wel een Mickey van zijn kabels zou rukken. Ik ben naar het Golda Meirplein gegaan, hoek Broadway en 39ste straat, een gebouw met een bordes waarop je hoger staat. Maar het bordes was al tot de laatste halve vierkante meter ingenomen door vaders met kinderen op hun schouders.

Saul Steinberg heeft een tekening gemaakt van zo'n vader die wat klein is uitgevallen. Als hij zijn dreumes op de schouders heeft zijn ze samen nog niet groot genoeg om op de achterste rij het kind over de rest te laten heenkijken. Ik denk weleens aan dat kind en dan hoop ik dat hij er 'niets van heeft overgehouden'. Een vader wiens beste bedoelingen niet goed genoeg zijn terwijl hij er niets aan kan doen, dat is voor beide partijen onbeschrijfelijk treurig. Steinberg heeft dat tafereel gezien wat niet hoeft te betekenen dat hij er getuige van is geweest. Tientallen jaren geleden is hem de mogelijkheid tebinnen geschoten; misschien op Thanksgiving.

Dat bordes was dus ook vol, maar geen nood. Veel vaders en moeders hadden zich op dit ergste voorbereid: ze hadden keukentrapjes bij zich. Bij mij direct in de buurt had een familie er drie: voor de kinderen twee, en de laagste voor de moeder die net als het vadertje van Steinberg wat klein was uitgevallen.

De Ducken en Mousen verschenen boven de horizon, ze zwaaiden wild aan hun kabels maar ze slaagden er niet in zich los te rukken. Voor me op de grond kon ik de rug van een lang rood ondier zien kronkelen. Er ging gejuich op, kindergejuich dat nog ongeroutineerd klinkt. Ze juichen door elkaar. Het is iets heel anders dan gejuich in een stadion of op een politieke bijeenkomst. Kindergejuich klinkt ordeloos vrolijk, niet met voorbedachte rade. Ik geloof dat ik me voor het eerst met een optocht heb verzoend (maar dat was dan ook gemakkelijk want ik was er expres naar gaan kijken, ik hoefde nergens naar toe).

Kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen, maar als grote mensen de tweede of derde eendvormige ballon voorbij hebben zien gaan geloven ze het wel. Ik ging terug, tegen de stroom van zich naar de optocht haastende families in. Als vanzelf begon ik te denken aan de manier waarop ze de avond zouden doorbrengen en zo kwam ik op de 45 miljoen kalkoenen. Harry Mulisch beschouwt het als zijn grootste fout dat hij nog steeds vlees eet. Bij de gedachte aan die miljoenen logge vogels ging ik langzamer lopen. Zou er iets over in de krant staan?

Ja. De New York Times van 25 november heeft op pagina B14 de foto van een vriendelijk lachende president Clinton met de kop van een ongerust kijkende kalkoen. De vetgemeste vogel is een cadeautje. De krant meldt dat hij niet zal worden opgegeten maar naar een wildpark gaat om daar tot zijn laatste dagen te blijven. 'Dit is de eerste keer dat ik als president gratie verleen,'' zei Clinton. Als je dieper over die woorden nadenkt krijgen ze een steeds zwaarder inhoud, maar dat deed ik niet en zo werd het een mooie dag.

    • S. Montag