WVC: prijs nieuwe middelen bepaalt kans op vergoeding

AMSTERDAM, 26 NOV. “Het zal moeilijker worden om nieuw ontwikkelde geneesmiddelen opgenomen te krijgen in het verstrekkingenpakket en het zal moeilijker worden om daarvoor hoge prijzen te rekenen.” Dat zei senior-beleidsmedewerker A.H. Rietveld van de directie geneesmiddelenvoorziening van het ministerie van WVC tijdens het in Amsterdam gehouden congres 'Pharmaco-economics' over de onbeheersbare stijging van de uitgaven in de gezondheidszorg.

Kosten-batenanalyses voor geneesmiddelen hebben voor het ministerie geen zin bij de vraag of zij al dan niet voor vergoeding in aanmerking komen. In tegenstelling tot de jaren tachtig speelt gezondheidseconomie nu geen rol meer bij het maken van keuzen in de zorg. Het gaat niet langer om kwaliteit of prioriteit, maar uitsluitend om de vraag wat iets kost, zo stelde Rietveld.

De gezondheidseconomische wetenschap die zich bezighoudt met kosten-batenanalyses binnen de gezondheidszorg berekent de kosten van toediening van geneesmiddelen of medische ingrepen en maakt daarbij op grond van bestaand onderzoek een afweging van het nut. Dat nut wordt uitgedrukt in de kwaliteit van door de behandeling gewonnen levensjaren. Dat is in de jaren tachtig altijd gezien als de enige objectiveerbare manier van kiezen in een veld vol ethische problemen.

Volgens WVC behoeft echter niet langer voorop te staan wat het beste is voor de patiënt, maar wat de kosten van de zorg zijn. Het gaat volgens Rietveld nu alleen nog om de vraag 'welke noden de overheid nu eigenlijk heeft'. “De industrie zou daar op moeten inspelen. De ondernemer dient zich als het ware te verplaatsen in de positie van de overheid”, aldus Rietveld.

Hij meent dat er nu een situatie bestaat waarbij 'een soort stimulans ontstaat om nieuwe produkten ongeacht de toegevoegde waarde op de markt te brengen'. Door de stijging van de kosten zien overheden zich nu genoodzaakt, zo waarschuwt Rietveld, een deel van de uitgaven door de burgers zelf te laten betalen. “Net als bijvoorbeeld koffie en thee”, aldus Rietveld. “De overheid is in deze filosofie alleen verantwoordelijk voor die collectief gefinancierde uitgaven die plaatsvinden vanuit de solidariteitsgedachte. Het betreft dan uitsluitend de als noodzakelijk beschouwde geneesmiddelen.”

Rietveld meent dat farmaco-economisch onderzoek, “mits op de juiste wijze uitgevoerd”, behulpzaam kan zijn bij het maken van keuzen, die noodzakelijk zijn bij het beperkt blijven van het budget en de almaar grijzer wordende bevolking. “Maar laten wij er geen wonderen van verwachten.” Hij waarschuwt de industrie dat deze manier van onderzoek naar kosten en baten niet mag worden gebruikt om hoge prijzen van geneesmiddelen te rechtvaardigen. “Dat zal ook zeker niet slagen, omdat dan geen aansluiting plaatsvindt met de noden van de overheid. Het zou vrijwel zeker dit type onderzoek in diskrediet brengen”, aldus Rietveld.

Farmaceutische bedrijven laten al op enige schaal farmaco-economisch onderzoek doen naar het nut van nieuwe geneesmiddelen, aldus dr. B.A. van Hout van het Institute for medical technology assessment van de Rotterdamse Erasmus-universiteit. “Maar het is een nogal selectieve groep. Eerst krijgen wij een klein opdrachtje. Zijn de resultaten daarvan veelbelovend, dan wordt het onderzoek groter opgezet en wordt de uitkomst als marketinginstrument gebruikt. Bij een slecht resultaat wordt de zaak afgeblazen.”