Universiteiten: massaliteit zijn we inmiddels de baas

AMSTERDAM, 26 NOV. De Tempobeurs is een historische vergissing waar het ministerie van onderwijs over een jaar of drie nog wel van zal terugkomen. Collegevoorzitter J.K. Gevers van de Universiteit van Amsterdam dicteerde staatssecretaris J. Cohen (Onderwijs) deze alinea voor toekomstige beleidsnota's tijdens een debat over het hoger onderwijs, gisteren in de Beurs van Berlage in Amsterdam.

De Tempobeurs, de regel dat studenten ten minste aan vijftig procent van de studie-eisen moeten voldoen om recht te houden op een beurs, was volgens Gevers één uit vele maatregelen van het departement om “het lekke dak” te repareren dat studiefinanciering heet. Cohen liet de voorspelling voor rekening van “staatssecretaris Gevers” en hield vol dat een soortgelijke maatregel onontbeerlijk is. “Daarmee worden de duimschroeven aangedraaid.”

Het debat, gehouden naar aanleiding van de Hoger-Onderwijsenquête die deze krant onder haar lezers heeft gehouden, spitste zich toe op de vraag of de kwaliteit van het hoger onderwijs gehandhaafd blijft bij een toename van het aantal studenten. 'Massaliteit' werd door de meeste lezers van deze krant als probleem nummer één op de universiteit aangemerkt. Hoogleraar filosofie van de geschiedwetenschap C. Lorenz stelde het eerder dit jaar aan de orde in een pamflet 'Van het universitair front geen nieuws' en voelde zich in zijn mening gesterkt door de uitkomst van de enquête.

Lorenz keerde zich tegen de wijze waarop de overheid de universiteiten financiert: “Die heeft het interessant gemaakt zoveel mogelijk studenten aan te trekken en zo snel mogelijk aan een diploma te helpen.” T. Jansen, voorzitster van de studentenvakbond LSVb, noemde het juist “een zegen dat veel groepen van de samenleving zo aan bod komen”.

Gevers en voorzitter W. van Lieshout van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten vonden de kritiek op de massaliteit in het hoger onderwijs niet erg indrukwekkend. “In Amsterdam hebben we tachtig studierichtingen”, aldus Gevers, “en op drie à vier daarvan is massaliteit een probleem, de rest zijn oases van rust.” Volgens Van Lieshout lag het probleem van de massale aanmelding van studenten vooral in het verleden. “In de jaren tachtig hebben we er problemen mee gehad, doordat tien jaar ervoor te weinig capabele wetenschappers naar de universiteit zijn gehaald. Nu zijn we de massaliteit de baas.” Beiden zagen de laatste jaren een kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs.

De gevolgen van de massaliteit van het onderwijs werden vanuit de zaal naar voren gebracht. Een studente van de universiteit van Amsterdam noemde het voorbeeld van een bar slechte docent, wiens onkunde op didactisch gebied door iedereen werd onderkend maar waar door niemand iets aan kon worden gedaan. Er is, zo zei een medewerkster van dezelfde universiteit, geen cultuur waarin docenten elkaar kritisch volgen. Uit de lezersenquête kwam naar voren dat 'didactische kwaliteiten' het belangrijkst voor een hoogleraar werden geacht. Van alle lezers vond ruim 53 procent dat, veel meer dan zij die onderzoekers- of managerskwaliteiten in een hoogleraar zochten.

LSVb-voorzitster Jansen bracht daar tegenin dat docenten zich wel wat aantrekken van kritiek. Er zijn op verschillende universiteiten inmiddels 'consumentengidsen', waarin studenten het onderwijs en de docenten beoordelen.

Ander aspect van het hoger onderwijs dat aan de orde kwam is het verschil tussen de hogere beroepsopleidingen en het wetenschappelijk onderwijs. De ontwikkeling van de laatste jaren scheen te gaan naar een integratie van de twee. Dit najaar verscheen echter het Hoger Onderwijs en Onderzoeks Plan (HOOP) van staatssecretaris Cohen, die daarin aankondigde dat de verschillen tussen beide moeten worden versterkt.

Cohen gaf toe dat hij op dit punt van opvatting is veranderd, in vergelijking met een aantal jaren geleden. “Nu ik meer hogescholen heb gezien”, zei de oud-rector magnificus van de universiteit van Limburg, “heb ik geconstateerd dat de verschillen toch groot zijn.” Het huidige stelsel is “goed voor deze tijd”, aldus Cohen.