Singapore is kampioen van de vrijhandel

SINGAPORE, 26 NOV. Het torenhoge Westin Stamford Hotel biedt een adembenemend uitzicht op de rede van Singapore, een van de drukst bezochte havens ter wereld, waar honderden schepen wachten op hun beurt om gelost te worden. In een oogopslag krijgt de bezoeker antwoord op zijn vraag hoe dit kleine stadstaatje zo'n reuzesprong heeft kunnen maken naar de top van de wereldeconomie: door de handel.

Thomas Raffles, die in 1819 landde aan de monding van de Singapore Rivier om er een handelspost te stichten voor de British East India Company, had het goed gezien: dankzij zijn strategische ligging aan de zeeroutes tussen Oost en West werd het eiland een belangrijke vrijhaven. En dat is het nog steeds. Hoewel de transacties niet langer worden afgesloten met behulp van Chinese telramen maar met computers Made in Singapore, blijft het vrije verkeer van goederen en diensten het levensbloed van de Singaporese economie.

“We waren altijd een entrepôt van goederen uit Europa, India, China en de Indonesische archipel”, zegt prof. Chan Heng Chee, directrice van het Institute for Southeast Asian Studies. “Tegenwoordig wint het denkbeeld van de vrije handel steeds meer terrein, maar Singapore is het verst gegaan met de liberalisering. Wij waren de eerste exportgeoriënteerde economie in de regio; de buurlanden substitueerden vooral hun importen. Binnen de Associatie van Zuid-Oostaziatisch Naties (ASEAN) zijn we het enige land zonder protectionistische tarieven. In de dienstensector neigen zelfs vrijhandelaren tot protectionisme, wij niet. Buitenlandse architectenbureaus kunnen in Singapore werken, er zijn hier offshore advocatenkantoren en ingenieursbureau's.”

Binnen ASEAN is Singapore eigenlijk de enige voorvechter van vrije handel. Het land heeft geen grondstoffen en is daarvoor afhankelijk van zijn buren, die tevens een belangrijke afzetmarkt vormen voor zijn hoogwaardige diensten en industrieprodukten. De andere vijf economieën (Indonesië, Maleisië, de Filippijnen, Thailand en Brunei) zijn nauwelijks complementair en zitten in elkaars vaarwater met dezelfde grondstoffen. Dat is ook de reden waarom niemand hoge verwachtingen heeft van AFTA, de ASEAN-vrijhandelszone, die binnen vijftien jaar een feit moet zijn. Althans, daartoe hebben de zes zich onder het bezielende voorzitterschap van Singapore in oktober verplicht.

Aan de Aziatische oevers van de Stille Oceaan behoort Singapore intussen tot de sterksten. Wat is het geheim van dit succes? Professor Chan: “Een combinatie van politiek leiderschap, een sterke staatssector en, tenslotte, particulier ondernemerschap”. Dat leiderschap werd verschaft door Lee Kuan Yew die van 1959 tot 1990 premier was van Singapore en in zijn huidige rol als senior minister nog steeds geldt als economische en politieke strateeg van de stadstaat.

In de jaren 1959-1965, toen Singapore zijn politieke onafhankelijkheid opeiste van Engeland, besloot Lee de snel groeiende arbeidsbevolking van het eiland aan het werk te helpen via geforceerde industrialisering. Volgens de handleiding 'hoe trek ik buitenlandse investeerders aan?' werden de arbeidskosten laag gehouden door loonmaatregelen en beperkingen voor vakbonden, werd de linkse oppositie uitgeschakeld en koos Singapore voor een vrij deviezenverkeer.

Aan het begin van de jaren zestig stuurde Lee aan op aansluiting bij de Federatie Maleisië, want een politieke Alleingang van het 625 vierkante kilometer grote eilandje zonder grondstoffen of binnenlandse markt van betekenis achtte de premier destijds 'een politieke, economische en geografische absurditeit'. Van 1963 tot 1965 sloten de twee een noodhuwelijk, maar toen in Kuala Lumpur verzet rees tegen marktintegratie, besloot Singapore alleen verder te gaan.

Trekpaarden van de industrialisering waren staatsbedrijven en multinationale ondernemingen en publieke investeringen in de infrastructuur, tegenwoordig de beste van Zuidoost-Azië. Van 1968 tot de oliecrisis van de jaren zeventig groeide Singapore's industrie met het recordpercentage van 23 procent per jaar. De werkloosheid daalde van 10 procent in het onafhankelijkheidsjaar 1965 tot 5 procent in 1972. Tot het midden van de jaren tachtig groeide de economie met ruim 9 procent en de laatste vijf jaar schommelt het groeicijfer rond de 8 procent. 1992 was een dieptepunt met 5,2 procent, maar in de eerste negen maanden van dit jaar herstelde de groei zich: 9 procent bij een inflatie van 2 procent.

Singapore kent nu volledige werkgelegenheid; het cijfer van 1,7 procent (1990) duidt op een zeer geringe frictiewerkloosheid - de tijd die mensen nodig hebben om werk te vinden of van baan te verwisselen. Het eilandstaatje bulkt inmiddels van het geld: het BNP bedroeg vorig jaar 64 miljard Singapore dollar en de buitenlandse deviezenreserve beliep in juni 70 miljard S-dollar, per hoofd van de bevolking de hoogste ter wereld.

Singapore kampt intussen met luxe-problemen: een gebrek aan arbeidskrachten, schaarste aan grond en een dringende behoefte aan investeringsprojecten over de grenzen. Op dit moment zijn naar schatting 200.000 buitenlandse - vooral Thaise, Filippijnse en Indonesische - arbeidskrachten werkzaam in de Singaporese economie, op een totale bevolking van 3 miljoen mensen een aanzienlijk aantal. Voor de verstoppingsproblemen zoekt Singapore een oplossing in samenwerking met zijn buren. Dat gebeurt binnen de zogenaamde 'groeidriehoek' die het heeft gevormd met de eilanden Batam en Bintan (Indonesië) en met Johor (de zuidelijkste deelstaat van Maleisië).

Alleen al op het Indonesische eiland Batam heeft Singapore zo'n 500 miljoen S-dollars geïnvesteerd in goed geoutilleerde industrieterreinen. Die zijn deels bedoeld om buitenlandse investeerders aan te trekken, maar ze fungeren vooral als overloop voor de arbeidsintensieve en vervuilende industrieën van Singapore. Door deze projecten ontstaat ook een belangengemeenschap met de grote buren en dat heeft een stabiliserende werking op de betrekkingen, meent Singapore, dat zichzelf ziet als een overwegend Chinees eilandje in een zee van Maleise moslims.

Al lang voordat 'China' het onderwerp werd van de zakelijke borreltafel investeerden Singaporezen in Zuid-China. Die maakten daarbij gebruik van oude familienetwerken, want veel Singaporese Chinezen (samen driekwart van de bevolking) stammen af van immigranten uit Swatow en Fujian. Lee Kuan Yew en zijn zoon Lee Hsien Loong, de huidige vice-premier, hebben de laatste jaren met een intensieve visitediplomatie de banden met de Chinese Volksrepubliek aangehaald.

Singapore, klein als het is, is nu een van de grootste handelspartners van China en investeert er volop. Het heeft een paar grote projecten in Suzhou (een stad in de provincie Jiangsu) en in de provincie Shandong. In Suzhou wordt een hele industriestad van 70 vierkante mijlen met infrastructuur en voorzieningen uit de grond gestampt. Suzhou wordt door de Chinezen al Singapore-2 genoemd. Dit is een gezamenlijk project van het Chinese stadsbestuur en een Singaporees consortium onder leiding van het staatsbedrijf Keppel Corporation. Dat begon in de koloniale periode als scheepswerf en is intussen een hoogst gediversifieerd conglomeraat. Andere deelnemers zijn eveneens state-linked companies: enkele banken, Sembawang en Singapore Technologies.

Intussen lonkt Singapore naar een nieuwe bestemming voor zijn kapitaalsexpansie: Vietnam. Singapore is de eerste handelspartner van dat land en zal dat nog wel even blijven. In Vietnam investeert het voorlopig alleen in onroerend goed. Singapore's Economic Development Board zegt te wachten met industriele investeringen totdat Vietnam kan exporteren naar de VS, tenslotte een van de belangrijkste markten voor ondernemend Zuid-Oost Azië.

    • Dirk Vlasblom