Prediker Abie Poe en de hoer van Hooper Hill; Nick Cave over godsdienstwaanzin

Nick Cave: En de Ezelin zag de Engel. Vert. Rob van Erkelens. Uitg. In de Knipscheer, 416 blz. Prijs ƒ 44,50.

Van de popzanger Nick Cave was al bekend dat hij zijn songteksten vult met portretten van vertwijfelde zielen aan de zelfkant van de samenleving. In En de Ezelin zag de Engel heeft Cave de thema's van zijn drie minuten durende songs uitgebouwd tot een roman. In gedragen taal vol beeldspraak en bijbelse symboliek, door Rob van Erkelens vindingrijk vertaald, schreef hij een horrorstory over de (niet-bestaande) sektarische gemeenschap der Ukulieten.

Deze samenleving van rauwe werkers op de suikerrietplantages in het zuidelijk deel van de Verenigde Staten, leeft afgezonderd in een vallei, in de nabijheid van een moeras. Hun karakters zijn primitief, getekend door generaties lang inteelt. Cave vertelt het verhaal vanuit het gezichtspunt van een misvormd en sprakeloos jongetje, wiens tweelingbroertje vlak na de geboorte is overleden. Omdat deze Euchrid niet kan praten komen in het verhaal geen dialogen voor. De enige gesproken teksten zijn de verwensingen die de dorpelingen elkaar naar het hoofd slingeren.

Euchrid groeit op zonder veel bemoeienis van zijn ouders, hij leeft in zijn eigen wereldje. Hij observeert de natuur, de dieren en de dorpelingen. Ma, Euchrids moeder, leeft in een doorlopende roes van haar uit aardappelschillen gestookte drank. 'Als ze genoeg gezopen had om een heel leger plat te krijgen gedroeg ze zich als een varken' en werd 'tomeloos gewelddadig'. De vader, Pa, besteedt zijn tijd aan het ontwerpen van verschillende soorten vallen. Daarmee vangt hij alles van hagedissen tot wilde honden. 'Tegen de tijd dat ze terugkeerden van hun controleronde (-) was Muil altijd beladen met zes of zeven jute zakken, waarvan sommige krioelden en stompten en schopten, en andere gromden en sisten.' Pa leegt de zakken met halfdode dieren in een roestige arena, gaat op een hoge stoel ernaast zitten, en observeert het bloedbad dat de stervende dieren daar onder elkaar aanrichten.

De gedegenereerde personages van Pa, Ma en de andere Ukulieten kennen maar één angst: Gods toorn. Als op een dag de prediker Abie Poe orakelt dat verlossing kan worden bereikt door de hoer van Hooper Hill te offeren, gaan de dorpelingen onmiddellijk op pad. Nadat de hoer in een gruwelijke scène is doodgeslagen, wordt haar pasgeboren baby ontdekt. Dit meisje Beth zal de gemeenschap redden van de verdoemenis, dat concluderen de Ukulieten uit het feit dat de eindeloze slagregens stopten op de dag dat Beth gevonden werd. En het is uitgerekend dit meisje waar de stomme Euchrid zich aan het eind van het verhaal aan vergrijpt, daarmee zijn eigen ondergang bezegelend.

Op alle mogelijke, soms vergezochte, manieren laat Cave de godsdienstige hysterie van de gemeenschap in zijn roman een rol spelen. Elke keer als Euchrid door het raam naar Beth staat te gluren, gaat zijn neus bloeden, en uit het bloed op de vensterbank leidt Beth af dat Jezus op bezoek is geweest. Cave's bijbelse inspiratie blijkt ook uit het motief van de zondvloed, de persoonsnamen (Rebecca, Ezra, Luther) en uit de engel die regelmatig aan Euchrid verschijnt.

Maar het is vooral het primitieve gedrag van de Ukulieten dat met overgave wordt beschreven: de wreedheden, het achteloze moorden en verkrachten. Cave maakt de bloederigheid esthetisch door bijna iedere gruweldaad niet alleen te beschrijven, maar ook in plastische beeldspraak te vangen. 'Angst kroop over Muil heen en troonde koninklijk op de plooien in haar kop. (-) Haar waanzinnige ogen puilden uit, alsof het eieren waren die gelegd moesten worden.' Soms is dat grappig, maar op den duur werkt het niet meer als verzachting voor de ellendige taferelen die Cave tekent. Dan wordt zijn virtuoze taalgebruik zwaar. Ook omdat de ontknoping, waar al steeds naar vooruit wordt gewezen, eindeloos op zich laat wachten. Want dat Euchrid zijn verlossing vindt in de dood komt niet echt meer als verrassing.