Prakticus

Het overkomt mij niet zo vaak, maar nadat ik gisteren anderhalf uur had gekeken naar de documentaire Kameraden voelde ik iets dat werkelijk leek op een brok in de keel. Kameraden is het portret dat Anita van Ommeren heeft gemaakt van haar moeder Annie Averink-Van Ommeren, een van de hardste communisten uit de geschiedenis van de CPN. Mij raakte vooral het slot van de documentaire, dat handelt over de manier waarop trouwe kameraden uit de gratie raakten bij het partijbestuur. Van de ene op de andere dag werden zij als oud vuil uitgestoten, als schurftige honden doodgezwegen.

In Het Parool heeft Anita van Ommeren zich afgevraagd hoe het eigenlijk is gesteld met het geweten van mensen als Marcus Bakker, Joop Wolff en Harry Verhey, wat natuurlijk neerkomt op de uiteindelijke vraag: hoe was het gesteld met het geweten van mijn eigen moeder? Wat dreef deze mensen, wat dreef mijn moeder, tot zo'n rücksichtslose loyaliteit aan de partij?

Vraag niet wat het geweten is. Een sluitende definitie van dat geheimzinnige begrip is niet te geven. Maar als we toch in termen van het geweten willen spreken, vermoed ik dat communisten eerder te veel geweten hebben, dan te weinig. Het geweten van de communist houdt niet op bij het lot van een individu. Het geweten van de communist is niet gericht op één mens, maar op de hele mensheid. Daarom blijft de communist verstoken van enig praktisch inzicht. Kleine verbeteringen zal de communist afwijzen, omdat die voor het lot van de gehele mensheid vrijwel niets betekenen.

De afgelopen week las ik de 750 pagina's dikke biografie, die Salvador Bloemgarten heeft geschreven over Henri Polak (1868-1943). Deze sociaal-democraat was een echte prakticus. Hij was oprichter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond en van de Wereldbond van Diamantbewerkers. Bij het NVV was hij de man van het eerste uur. Tweemaal was hij voorzitter van de SDAP en voor diezelfde partij zat hij in de Eerste Kamer.

Dankzij een fijn ontwikkeld zintuig voor de macht wist hij precies hoe ver hij kon gaan. Hij had een afkeer van wilde stakingen en vond dat je alleen moest staken als je een duidelijke kans had om te winnen. Ongetwijfeld was hij ook een opportunist, maar het lijkt wel of juist deze eigenschap de meeste resultaten opleverde. Het is voor een groot deel aan Henri Polak te danken dat de arbeider van nu niet alleen in welvaart leeft, maar ook naar de opera gaat, van kunst houdt, de natuur verkent en een hekel heeft aan voetballen, frikadellen en RTL4. Het is voor een groot deel aan Henri Polak te danken dat de PvdA overbodig is geworden.

In zijn biografie vertelt Bloemgarten de volgende, typerende anekdote. In 1906 verhuisde Polak naar een landhuisje in 't Gooi, dat Berlage speciaal voor hem had ontworpen. Het was een smaakvol ingericht huisje met een aparte studeerkamer en een flinke tuin, waarin Polak in alle rust kon rondwandelen. Onmiddellijk kwamen linkse partijgenoten in het geweer. Zij vroegen zich af of iemand die de belangen van de werkende klasse behartigt zelf wel in een villa mag wonen. Bovendien kwamen zij er achter dat Polak zijn huisje had laten neerzetten zonder met de bouwvakkers afspraken te maken over een minimum-loon en een maximum-werktijd.

In 1934, op zijn zeventigste verjaardag, werd deze aanval op Polak nog een keer herhaald. Dit keer was het De Telegraaf, die een foto van Polaks villa afdrukte, daarmee suggererend dat de moeizaam bij elkaar gebrachte gelden van de arbeidersbeweging ten goede kwamen aan een paar socialistische kopstukken. Als ik het me goed herinner, was het ook De Telegraaf die weer veertig jaar later berichtte dat Den Uyl een landhuis in de Ardennen bezat. Dat bleek niet waar.

Overigens kwam na de dood van Polak aan het licht dat hij het landhuisje slechts met de grootst mogelijke moeite had weten te financieren. Er rustte nog een aanzienlijke hypotheek op het huis. Met zijn kennis van de diamanthandel had Polak vrij gemakkelijk een fortuin kunnen verwerven, maar de behoefte om zelf rijk te worden bezat hij kennelijk niet. Aan een landhuisje in 't Gooi had hij voldoende. Een echte sociaal-democratische prakticus, met een geweten dat niet te groot en niet te klein was.

    • Max Pam