Overhevelingstoeslag wordt in '96 omgezet in bruto loon

DEN HAAG, 26 NOV. Op de salarisstrookjes van januari 1996 zal de Nederlandse werknemer niet langer een overhevelingstoeslag aantreffen van ruim tien procent. Dat bedrag, waar landelijk naar schatting 20 tot 25 miljard gulden per jaar mee is gemoeid, wordt opgenomen in het bruto loon.

Dat staat vast nadat de fracties van CDA, PvdA, VVD en D66 zich gisteren hebben uitgesproken voor afschaffing van dit 'voortbrengsel' van de belastingoperatie Oort. Het betreft een technische aanpassing die geen gevolgen heeft voor het netto loon.

De overhevelingstoeslag kwam met Oort in de plaats van de bijdrage van werkgevers aan de premies voor werknemersverzekeringen. De werknemers gingen die premies in het vervolg zelf afdragen. De werkgever compenseerde dat met een overhevelingstoeslag. Per saldo bleef het netto loon gelijk.

De oorspronkelijke bedoeling, om de overhevelingstoeslag direct te verwerken in een salarisverhoging, wordt nu per 1 januari 1996 gerealiseerd. Mensen met een minimuminkomen krijgen een bruto loonsverhoging van 10,9 procent, werknemers die meer verdienen krijgen 10,4 procent erbij. Met die percentages zullen de meeste mensen er netto niet beter of slechter van worden.

Een groep die er wel op achteruitgaat door een wijzigingsvoorstel van de Kamer, zijn werknemers die in deeltijd werken met een relatief hoog salaris. Omdat het gaat om deeltijdwerkers die in een volle baan voor dat werk meer dan 65.000 gulden zouden verdienen - en in het belang van het uitbreiden van deeltijdbanen - gaat de Kamermeerderheid hiermee aanstaande dinsdag bij de stemming akkoord.

Minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) waarschuwde dat hij van het parlement over twee jaar geen “gemekker” wil horen, als de gedupeerde deeltijdwerkers hun beklag doen. De keuze om deze deeltijdwerkers voor de werkgever wat goedkoper te maken, waardoor zij er netto op achteruitgaan, wordt nu welbewust gemaakt, aldus De Vries.

Technisch heeft het verlies aan besteedbaar inkomen te maken met een iets lager bruteringsbedrag dan de huidige overhevelingstoeslag. De brutering wordt namelijk afgeleid van het bedrag dat een voltijdse werknemer in diezelfde baan erbij zou krijgen. Daarin ligt een maximum dat bij inkomens boven de 65.000 gulden wordt overschreden.

Voor andere inkomensbestanddelen die niet van het loon worden afgeleid, zoals provisies, zullen werkgever en werknemer zelf een oplossing moeten vinden. Over die inkomensbestanddelen wordt nu wel overhevelingstoeslag toegekend. Tot welke bruto loonsverhoging dat over twee jaar moet leiden, valt niet vanuit Den Haag te dicteren. Temeer omdat er geen peil te trekken valt op een gemiddelde van sterk wisselende jaarinkomsten.

Tenslotte krijgen de besturen van (bedrijfs)pensioenfondsen vanaf 1 januari 1996 geen drie maar vier jaar de tijd om de pensioengrondslag aan te passen aan de brutering. Het brutoloon wordt immers op papier hoger, waardoor de pensioengrondslag eveneens met ruim tien procent toeneemt. De oplossing zal van bedrijf tot bedrijf uiteen kunnen lopen omdat pensioenregelingen onderling sterk verschillen.

In de loop van 1994 zal minister De Vries komen met een wetsvoorstel om de (tijdelijke) vrijstelling van sociale premies voor langdurig werklozen, krachtens de Wet Vermeend-Moor, per 1 januari 1996 aan te passen aan de brutering. Het financiële voordeel voor de werkgever die een langdurig werkloze in dienst neemt (geen overhevelingstoeslag), vervalt dan immers. De minister denkt thans aan een vaste aftrek op af te dragen sociale premies.