Op zoek naar de bedreigde cultuur van de Bushmen; Geen wild om te strikken

Over geen volk in Afrika is zo geromantiseerd als de Bushmen, van wie nu kunst te zien is in Rotterdam en Amsterdam. Ze leefden in volstrekte harmonie met de natuur, lazen de grond als een boek, kenden nog verhalen uit de tijd dat de rotsen mensen waren.

Het moderne leven heeft de cultuur en de trots van de Bushmen aangetast, ondervond Adriaan van Dis in Botswana; maar in hun schilderkunst zetten ze met andere middelen hun oude tradities voort.

Dit is een bekorte versie van de lezing, gehouden bij de opening van de tentoonstelling 'De terugkeer van de maan. Bushmenkunst uit de Kalahari', die mede georganiseerd is door de Kalahari Support Group (KSG) en SNV Nederlandse ontwikkelingsorganisatie.

Het was het jaar dat ik naar het Zuiden trok, in de zomer van 1989. Ik liftte van Zimbabwe, via de Victoriawatervallen naar Botswana. Langs nieuw aangelegde wegen met bermen vol afval, links en rechts een glinsterspoor van door de zon gebleekt blik; je kon zien dat Botswana een rijker land was dan Zimbabwe, de mensen hadden hier wat om weg te gooien. Even voor Nata kreeg ik een lift van een Afrikaner, vreemd vond ik dat niet want in het noordwestelijk deel van Botswana wonen vele nazaten van de Dorslandtrekkers, een groep Boeren die omstreeks 1881 Transvaal verliet op zoek naar vrije weidegrond. Zijn kompas wees niet naar het zuiden maar naar de dichtstbijzijnde kroeg. Hij verlangde naar beskawing, zei hij, ik kwam uit Europa, en beschaafder bestond er niet. Hij stopte zijn auto voor een betonnen kavalje in de bocht van de weg. 'Jy het my hart bekoor, jy het my lied gehoor', denderde het uit de radio (Good Hope), de gordijnen bestonden uit aaneengeregen bierblikjes. Binnen zat het vol volk uit de omtrek, chauffeurs, herders, boeren, arbeiders van de zoutpannen, white hunters, safarigidsen, en ook wat zwervers die binnen warmte zochten. Er joeg een koude wind door de woestijn, 's nachts vroor het 12 graden. Mijn Afrikaner bestelde in het Setswana, sprak een woordje met de mannen aan de bar en sloeg wat zwervers op de schouder. Aan hun uiterlijk te oordelen Bushmen-jongens, goud van kleur, amandel ogen, peperkorrelhaar, schamel gekleed, en zwaar beneveld, bedelend om nog een blikje bier. De man klikklakte met zijn tong, hij sprak ook een van de San-talen. Mijn bewondering steeg, een Afrikaner vergroeid met zijn continent, dacht ik, zie je wel, de boeren hebben hier wortel geschoten, hoe koppig en racistisch ook, zij horen hier, ze zijn meer van Afrika dan ze zelf beseffen. “Ek praat sewe swart tale”, zei hij.

“Acht”, zei ik overmoedig, “Afrikaans heeft ook zwarte wortels.”

“Nu stelt u me teleur”, zei de man. “Afrikaans is een beskaafde taal.”

Het werd meteen een stuk minder gezellig. Vooral toen hij me ook begon uit te leggen waarom hij zeven zwarte talen sprak. “Om illegale wildjagers en stropers op te sporen”, zei hij. De regering in Botswana kon het alleen niet aan, Zuid-Afrika bood nu de helpende hand. 'Criminal Investigation Division', stond er op het geplastificeerde kaartje dat hij me na zijn tweede whiskey vertrouwelijk onder mijn oog duwde. Hij hield meer van wild dan van mensen, zei hij, nu zat hij achter een bende Bushmen jagers aan. Om in hun eigen onderhoud te voorzien mochten de Bushmen als enigen zonder vergunning op wild jagen, met pijl en boog wel te verstaan, maar de verlokking was te groot. Ze konden de huiden duur verkopen, “tegenwoordig maaien ze met uzi's door de bush”. Ik liet hem verder alleen met zijn verhalen en ging achter aan een tafel bij de Bushmen jongens zitten. Engels spraken ze niet, op mijn stroeve zinnetjes Setswana reageerden ze nauwelijks. “Dumela”, goedemiddag, “Dumela, dumela.” Andere talen had ik niet voorhanden, we hielden het op een glimlach. Tot een van de jongens me zijn kapotte gymschoenen liet zien, alleen de bovenkant hing nog om zijn enkel, de zolen waren er af gelopen, hij vroeg me om geld voor een paar nieuwe, alles in gebarentaal. “Niet doen”, zei een blonde Amerikaanse man tegen mij, “ze kopen er drank voor en je ziet hoe erg hij er al aan toe is.”

De jongen zag er inderdaad slecht uit, haar onder de schimmel, ontstoken ogen en wonden op zijn armen en handen. Ik knikte dus 'nee', tegen de kleine Bushman, hoe hard en gemeen ik het ook vond dat de Amerikaan mij in ruil voor mijn medemenselijke hardheid een blikje bier aanbood. Hij was een oud-Peacecorpswerker, zo verknocht aan Afrika dat hij niet meer terug naar huis wilde, zijn contract was al jaren verlopen, nu reed hij in zijn jeep toeristen rond en kocht onderweg manden en poppen bij de vrouwen langs de Okavango-delta op, elk jaar stuurde hij een kist naar Bloomingdales. Hij stelde zich voor als Mike, maar de Afrikanen in de kroeg noemden hem Morena, dat, zo begreep ik later, zoiets als 'my lord', of 'sir' betekent. Morena hield ook van een glas, maar hij was bij zinnen genoeg om mij een half college over de Basarwa te geven.

Basarwa is het Setswana woord voor Bushmen en betekent, 'zij die geen vee hebben'. De Botswaanse regering prefereert die naam. Er zouden er nog zo'n 100.000 in Afrika wonen, waarvan iets minder dan de helft in Botswana, zo'n 33.000 in Namibië, 8000 in Zuid Angola, 2500 in Zuid-Afrika, 1500 in Zambia en 500 in Zimbabwe. Al werden de Bushmen in de geschiedenisboekjes geëerd als de oorspronkelijke bewoners van Zuidelijk Afrika, de regeringen toonden de neiging zich voor hen te schamen. Bushmen pasten zich slecht aan bij de moderne tijd en ze waren op geen enkel politiek niveau vertegenwoordigd. De naam Bushman werd trouwens als beledigend ervaren, te primitief, zoals het Nederlandse 'Bosjesmannen' dat nog steeds schijnt te zijn. (Ik pas me wel aan, de problemen zijn groot en de tenen zijn lang.) Progressieven spraken in die tijd dan ook liever over Rads, Remote area dwellers. Ook ik koos deftig voor 'San', de wetenschappelijke naam voor Bushmen, maar de kleine zwerver die nog steeds met opgehouden hand voor me stond en die donders goed wist dat we het over zijn volk hadden, zei: “ek is 'n fokken Boesman.” Helaas het enige Afrikaans dat hij sprak maar het maakte zijn positie wel volkomen duidelijk. Veel van zijn lotgenoten hadden het traditionele nomadenbestaan als jager en voedselverzamelaar moeten opgeven, de familiebanden waren verbroken, de tradities door het moderne leven aangetast en de verhalen vergeten. Ze verhuurden hun arbeid aan de blanke boeren rond Ghanzi, of ze hoedden het vee voor de Tswana's en de Herero's, de Bantoe herdersvolken die zich ook in het westen van Botswana vestigden.

In Namibië was het niet veel anders, alleen ronselde het Zuidafrikaanse leger daar in die jaren ook nog jonge mannen voor het speciale Boesman bataljon dat allerhande vuile karweitjes in Zuid-Angola mocht opknappen. Morena en ik hielden het dus verder maar op Bushmen, opgelucht dat de betrokkenen er geen aanstoot aan namen.

O

ver geen volk in Afrika is zo geromantiseerd als de Bushmen, hun kennis van de natuur is fenomenaal, ze ruiken wild en water op afstand, in een spoor herkennen ze niet alleen de soort, maar ook het geslacht, ouderdom, aantal, familieverhouding en de tijd waarop het wild voorbij trok. Ze lezen de grond zoals wij een boek. Ze leven in volstrekte harmonie met de natuur, ze gebruiken alleen wat ze nodig hebben, zonder bezit of vaste nederzetting trekken ze in kleine familiegroepen door het veld, vaak niet meer dan vijf tot vijftien mannen, vrouwen en kinderen. Man en vrouw zijn elkaars gelijke, jaloezie in de clan bestaan niet. Hun gifpijlen doden alleen het wild dat niet goed mee kan, ze graven niet alle eetbare wortels op zodat er ook voor volgend jaar iets overblijft. Hun mythen over het ontstaan van hemel en aarde behoren tot de mooiste van Afrika en ze zijn even gevarieerd als de talen en dialecten die ze spreken.

Zij zijn het die de Melkweg hebben geschapen uit de vonken van hun houtvuren, hun geesten stalen het vuur onder de oksels van struisvogels en verstopten het onder stenen en in de takken van de brandy-bush waar de Bushmen sindsdien hun vuurstokken van maken. Zij kennen verhalen uit de tijd dat de stille dingen nog bewogen, toen de rotsen mensen waren. Aan elk dier zit een verhaal en in elk verhaal een dans en met die verhalen kunnen wij ook hun duizenden jaren oude rotsschilderingen begrijpen. Het is een vredelievend volk, zonder oorlogen en veroveringsdrang. Ze kenden alleen zichzelf en de aarde en hun hele bestaan was gericht op een harmonie tussen die twee. Daarom bestaat er ook in geen van hun talen een naam voor henzelf want voordat anderen in hun territorium traden, waren ze zich er niet van bewust dat er andere mensen dan zijzelf waren.

En nu zagen we om ons heen hoe dit trotse volk door het contact met de moderne wereld een armzalig leven moest lijden. Het kwaad kwam vooral langs de nieuw aangelegde wegen: jonge Bushmen meisjes boden hun lichaam aan vrachtwagenchauffeurs aan en bij elk pompstation hield wel een dronken zwerver zijn hand op. Deze mensen zaten gevangen in een cultureel vacuüm, alleen drank hielp ze nog ontsnappen. Wat een sprong moesten ze niet hebben gemaakt, van elandspoor naar remspoor, van stilstaande tijd naar atoomtijd.

Maar ook buiten de wegen ging het slecht, Morena kwam veel onder de Herero's, het zwarte veehoudersvolk langs de grens met Namibië, hij sprak hun taal en hoorde daar de verhalen van de Bushmen die nog half in het veld en half in knechtschap met hun zwarte meesters leefden.

De Bushmen kenden de oorzaak van hun ongeluk, ze wisten waarom hun zwarte buren zo rijk aan vee waren en waarom zij hun voedsel in de bush moesten zoeken en waarom ze veroordeeld waren tot de jacht van de dag. Nieuwe mythen vervingen de oude: “Het was allemaal de schuld van de Kara/'tuma, een mythische voorvader van het oude ras. Deze Bushman had twee broers, de oudste was zwart en de jongste wit, maar vergeleken met hem waren de zwarte en de witte broer slechts kinderen. Tijdens de jacht stuitte Kara/'tuma op een grazende koe, hij had nog nooit zo'n beest gezien en was verbaasd dat het niet vluchtte. Kara doodde het met zijn gifpijl alsof het een antilope was. Later vertelde hij het aan zijn zwarte broer en ze gingen samen op pad naar de plek waar hij de koe geschoten had. De zwarte broer zei dat zo'n log dier geen pijl verdiende, te tam om te jagen. Ze zouden nog een koe vangen en kijken of die niet voor de familie tot nut kon zijn. De koe moest kalveren, de uiers zwollen vol melk, de zwarte broer bond de achterpoten vast en wist de melk voor zichzelf te verkrijgen. Naar goed Bushmen gebruik bood hij Kara/'tuma aan de melk met hem te delen. Maar de oude Bushman zei dat hij liever de pot uitlikte nadat de zwarte zich te goed had gedaan. En zo bleef de Bushman een jager en de zwarte kon rusten en melkte zijn koeien.”

Zo ging het ook met de sorghum, gierst en peulen. Te ruw met het vuur verbrandde Kara/'tuma een deel van het veld en ook dit vertelde hij zijn zwarte broer. Deze proefde de geroosterde granen, het smaakte hem en hij vond het voedselrijk. Wat niet verbrand was plantte hij en dat bracht hem rijke oogsten. Daarom hebben de zwarte mensen melk en graan en moet de Bushman jagen en zijn voedsel in de bush vergaren. Nog steeds verwijten de Bushmen het Kara/'tuma, want zij waren de eersten en nu zijn ze de laatsten.

I n de buurt van Ghanzi zijn de Bushmen door blanke boeren van de groenere velden verdreven. Ook die geschiedenis ligt vast in een verhaal dat terug gaat tot de komst van de eerste boeren, toen Bushman, blanke, vee en wild nog samen een plek deelden. Er ontstond onenigheid tussen Bushman en Boer over wie nu wat beheerde. De partijen besloten samen touw te trekken, maar het touw brak, de Bushmen vielen achterover en hielden het langste stuk touw in handen. “Daar”, zei de blanke, “ik laat jullie het touw, gebruik het om steenbok en duiker te strikken terwijl jullie vrouwen voedsel vergaren. Wij nemen de koeien, schapen en geiten, jullie dragen de huiden voor de jacht en wij weven ons dekens en kleren van wol.”

Vee groeit en vraagt meer land en de Bushman moest wijken. De hekken om de landerijen verstoorden het wild in hun trek en als het vee het wild verdreef wat bleef er dan anders over dan het vee te jagen? De veehouders konden dat maar slecht begrijpen. En al begrepen ze het wel, het vee was hun goed, en dus werden de Bushmen als veedieven opgejaagd, vermoord en opgesloten. Er werd recht gesproken namens een vreemde kroon en er vloeide veel bloed. In twee drie generaties verloren tienduizenden Bushmen hun cultuur en hun trots. Ze verspeelden hun rechten op het land zodra zij zich als knecht verhuurden en met de modernisering van het boerenbedrijf kreeg ook nog maar een klein deel werk. Het merendeel hing in de buurt van de grote boerderijen, levend van een gestolen schaap of koe. De sociale orde was verstoord, de hechte banden waren verbroken, de vrouwen die vroeger het meeste voedsel vergaarden zijn nu afhankelijk van de man en leven in ledigheid.

Wie eenmaal met het moderne leven kennis heeft gemaakt kan niet meer terug naar het traditionele bestaan. De jongeren kijken er op neer als 'achterlijk', voorbij zijn de dagen van het bezitloze bestaan en gelijk delen. Zij zijn de 'new Bushmen', ze kunnen niet meer terug. Ze haken naar geld en status en verlaten hun geloof en gewoonten. Ze zijn de mensen van het gebroken touw - maar er is geen wild meer om te strikken er zit geen lik meer in de pot.

D e verhouding tussen de zwarte veehouders en de Bushmen is er een van dienstbaarheid, maar ook van een vreemd soort aanhankelijkheid. De band tussen baas en knecht is zeer hecht en veel Bushmen zijn dan ook als lijfeigenen aan een familie toegevoegd. Vaak krijgen de Bushmen een stukje land toegewezen, met een koe of wat en het recht op drinken aan de bron. Heel menselijk, maar ook zeer paternalistisch en het deed me denken aan de door de wereld afgewezen Afrikaner boeren, ook zij zeggen zo van hun plaasarbeiders te houden en geven ze een hok achter de wingerd en een zuur veldje om hun eigen knollen te verbouwen.

Merkwaardig, alle ogen waren gericht op Zuid-Afrika en daar mocht ik niet zien wat ik wou en nu leefde ook in Botswana een groep rechteloze mensen overgeleverd aan de grillen van het baasskap. De regering in Gaberone hield niet van vreemdelingen die belangstelling toonden voor de Bushmen, de hulporganisaties die hun lot wilden verbeteren ondervonden veel tegenwerking en moesten diplomatiek te werk gaan. Het ligt klaarblijkelijk in de menselijke aard de zwakke te knechten, misschien zou ik door hier goed om me heen kijken, iets beter kunnen begrijpen van wat er in de kern ook in Zuid-Afrika was gebeurd. Ook daar gold het recht van de sterkste, niet in getal maar in Westerse kennis, techniek en wapens, ook daar werden mensen in sneltreinvaart in nieuwe werelden getrokken, tradities vertrapt en nieuwe waarden omhelsd. Hele groepen (en generaties misschien) werden tussen verleden en heden vermorzeld. Begrijpen, niet goedpraten, opdat je het ook in je eigen omgeving herkent.

Ik wilde dus naar de Bushmen en het liefst naar een groep die nog dicht bij hun tradities stond, rotstekeningen zien, en dansen en naar verhalen luisteren. Morena wist van het bestaan van de !Kung (het uitroepteken staat voor een klikklak van de tong), ze hielden zich op in de buurt van Dobe en de Aha heuvel, een nederzetting mijlen van de weg, haast onbereikbaar ver in het zand, links van de Okavango Delta, tegen de noordwest hoek van Botswana. De Amerikaanse antropoloog Richard Borshay Lee had er jaren onderzoek gedaan en een meer dan 500 bladzijden dikke studie over de !Kung geschreven. Morena was bereid me er naar toe te brengen, hij had zojuist een gezelschap vogelkijkers naar Francistown terug gebracht en alle tijd, mits ik hem betaalde. Zijn fourwheel drive moest het kunnen halen, de blauwe Toyota was ooit van professor Lee geweest. We spraken een prijs af en besloten meteen op pad te gaan. Eerst naar Maun, een dorpje aan de rand van de delta, om voorraad in te slaan, tabak, suiker voor de !Kung. Het zou een echte Teddy-Rooseveltexpeditie worden, met tenten, stoelen, een !Kung tolk en een bediende. En terwijl Morena achter de kroeg zijn auto in orde maakte, kocht ik bij het pompstation een paar gymschoenen voor de Bushman jongen die het hele plan ontketend had. Het is leuk om te geven en toch walgde ik van mezelf toen ik de dankbaarheid van die jongen zag: “Dankie basie, dankie basie.” Soms denk ik, we horen hier niet.

De Afrikaner van de Criminal Investigation Division protesteerde dronken tegen ons vertrek. “Nu stel je me alweer teleur,” riep hij.

“Praat niet met die vent,” fluisterde Morena, “Het is een verdomde spion.”

“Maar hij spreekt wel zijn talen.”

“Hij kan er alleen maar in snauwen... en die gymschoenen, dat kan nog een dure hobby worden.”

Er zat een hamerkopvogel op de benzinepomp, een teken van onheil. We namen goedgemutst de nieuwe teerweg naar het westen.

Na Maun keerden we onze rug naar de delta en kozen voor zand, heuvels en savannen. De fourwheel drive kon het maar met moeite trekken.'s Nachts maakten we kamp naast het pad, Morena, de tolk en de kok sliepen in de open lucht naast het vuur, ik kroop doodsbang in de tent na alle verhalen over reizigers die 's nachts door hyena's waren besnuffeld, “they went home without a face,” zei Morena. De paden verdwenen en het zand werd te mul om onze wielen te dragen, alleen na zonsondergang en 's morgens vroeg als de dauw het pad harder maakte, konden we nog rijden. Overdag schuilden we bij de Herero vrouwen onder een boom, de boom die alles was, voeder, bijenkorf, huiskamer en voorraadkast, er hing altijd wel een tot de kop gevild geitje aan een tak te drogen. Wij zaten wijdbeens in de schaduw te puffen, 38 graden in de schaduw, we konden niet veel meer doen dan met de vrouwen praten, lang zwijgen en dan een instemmend “Eeeh, eeeh.” Vrediger conversatie bestond er niet.

's Nachts renden de cheeta's voor onze autolichten, eenmaal werd een duiker voor onze ogen verscheurd. Het kampvuur ging hoger, de rits van de tent dichter en de volgende morgen zagen we de tanden van een hyena in onze koelbox.

Na vijf dagen slakkengang, troffen we op een morgen vriendelijker bezoek naast onze tent. Er zaten twee Bushmen op de treeplank van onze Toyota, een man en een vrouw, ze hielden elkaar teder bij de arm. Beiden droegen een leren karos, de vrouw was met kraalwerk versierd, de getatoeëerde kerven op hun armen en benen rimpelden over hun huid, ze moesten allebei stokoud zijn. We wisselden groeten uit, Badisa, onze tolk zei dat ze de auto van professor Lee herkenden, ja ze kenden deze auto goed, maar het was al lang, lang geleden. Dat kon kloppen, Lee was hier in '73 voor het laatst geweest. We konden niet ver meer van Dobe zijn. Het echtpaar zou ons verder begeleiden, ze wilden niet voorin, maar boven op de dozen tabak. De tabak, hoe konden we zo onaardig zijn, ieder kreeg een volle hand en de man stopte meteen zijn benen pijp. Hij nam een geweldige trek, en nog een. Zijn ogen draaiden in zijn hoofd, hij wankelde, hij moest in maanden geen tabak meer hebben gerookt. Ik dacht dat hij buiten westen ging. Weer een trek. Waar bleef de rook? Minuten lang hield hij zijn adem in, elke binnenvezel moest doorwalmd, tot hij de dampen als een gelukzalig nijlpaard uit zijn neus blies.

Opgelucht klommen we in de auto, achter ons hoorden we een mooi tweestemmig lied. Wat zingen ze, vroeg ik Badisa. “Ze zijn blij dat onze wielen het werk van hun voeten doen.” Een dag later kwamen we in Dobe aan.

Niets en niemand te zien, de eerste dag niet, de tweede niet. We inspecteerden de omgeving, nergens een 'werf' of grasschutting te zien. De derde dag kwam het oude echtpaar weer terug, met in hun gevolg een sliert kleine kinderen, we dronken thee met gecondenseerde melk, of beter andersom en zetten onze tenten op. De kinderen bleven de hele dag, de volgende dag zongen ze ons al wakker voor de tent. Hun ouders kwamen en ooms en tantes, onze kookpot borrelde de hele dag. Ieder kreeg zijn portie mieliemeel en suiker. Een vrouw vroeg om een aspirientje, ze had pijn, zei ze en ze maalde de pil met een blij gezicht tussen haar tanden. Plotseling brak er een luid gekrakeel los, iedereen wilde een aspirientje. Alles moest gedeeld, ook mijn druppels tegen droge ogen. Had ik het maar in mijn tent gedaan, nu was ik betrapt, weigeren lukte niet, het hele gezelschap keek met een scheel oog omhoog en hield de vinger onder het ooglid. Ik kan er niet meer onder uit en moest alle ogen met water druppelen.

We merkten het ook bij de tabak, als iemand zich ook maar een grammetje misdeeld voelde, zette hij het op een schreeuwen. Vreedzaam waren de mensen, ja, zolang ze samen hetzelfde niets deelden, maar nu wij hier goed en genot brachten, zaaiden wij ook verdeeldheid. Het oudere echtpaar meende bijzondere rechten bij ons te hebben, zij hadden ons immers naar hier gebracht? En als ik met hulp van de tolk te lang met één man in gesprek was, verdrongen de anderen zich ook om ons heen; hield een gespreksgenoot geen maat, dan trokken of duwden ze hem weg. Zelfs het woord werd eerlijk verdeeld. Ik tekende een mond, een hand, een olifant, een slang en vroeg naar de woorden: tsi, du!kan !ko en garissa, zo schreef ik mijn eigen woordenboek. Als ik iets voordeed, omdat ze mijn belabberde tekeningen niet begrepen, imiteerden ze mij perfect, elke handeling die ze vreemd vonden deden ze na, scheren bijvoorbeeld, en zo wandelden mijn gebaren door een groep van vijftig mensen.

Later zag ik dat ook in hun dansen terug, hoe perfect ze een bok of een leeuw na deden, ze speelden het niet, hoe langer ze dansten hoe meer ze het werden. En klopte dat ook niet met hun oude verhalen dat dieren vroeger mensen waren?

Toen gebeurde er iets wonderlijks. Ik stond naast de auto, Morena zat weer eens onder de motorkap en ik gaf als een operatiezuster de tangen aan, vijftig Bushmen keken luid gebarend toe, tot ik een Engelse sleutel op mijn blote voet liet vallen en mij een gezonde Hollandse vloek ontsnapte. “Jy mag nie vloek nie”, zei een oude man achter mij, hij was me al eerder opgevallen want hij was een man zonder kerven op zijn huid, en hij droeg een broek en een overhemd, weliswaar tot op de draad versleten, maar je herkende vaag een westerse snit. Een afdankertje van professor Lee dacht ik nog. De man heette Frans en sprak behoorlijk Afrikaans, als kind was hij door een Afrikaner Boer bij zijn ouders weggehaald, zomaar op een ochtend midden in het veld, terwijl zijn vader op jacht was. Het gebeurde tot de jaren vijftig wel meer, dat een boer zijn personeel vers uit de woestijn plukte, ook zij konden sporen lezen, voetstappen in dit geval. Frans werkte jaren als boerenknecht in Zuidwest-Afrika en later zelfs op een bandenfabriek in Johannesburg, tegen zijn zestigste keerde hij terug naar Botswana en zwierf net zolang rond tot hij zijn clan terugvond. “Die vlees is te oud”, zei hij, “geen krag.” Ik was diep dankbaar dat ik ooit Zuidafrikaans studeerde en dat we hier samen dat derivaat van het zeventiende-eeuwse Hollands konden spreken. Hij had nog nooit van Nederland gehoord, ik vertelde hem over ons water, onze grijze luchten en koeien die graasden op weiden lager dan de zee. Het was allemaal te wonderlijk. Ik had geen tolk meer nodig, Frans praatte honderd uit. Zonder protesten van zijn mede-Bushmen, we spraken nu een vreemde taal en Frans was toch al vreemd, al was hij een van hen. Hij bleek er treurig aan toe: hoeveel wereldse ervaring hij in zijn leven ook had opgedaan, in deze gemeenschap telde hij nauwelijks mee. Hij kon niet jagen, hij had nooit een antilope geschoten, nee, hij was nooit een man geweest. Zijn vader had hem niet kunnen inwijden en de rite van de eerste rake worp was nooit op hem verricht, daarom bezat hij ook geen tatoeages, de pijn van verkoold vlees en vet in de kerven van zijn huid kende hij niet. Zulke tatoeages verzekerden een jonge man dat hij een onverschrokken en onvermoeibaar jager zou zijn. Frans had die kracht niet mee gekregen. “Een man die niet jaagt blijft een kind”, zei hij.

A ls er 's avonds gedanst werd, om twee vuren, een voor de mannen, een voor de vrouwen, zat ik naast Frans. Hij fluisterde mij de namen in van de beesten die de dansers verbeeldden en tijdens de healing dance, waarbij de oude man die ons als eerste tegemoet kwam in trance ging, vertelde hij waarom zijn groep wel drie keer in de week deze dans uitvoerde: om de kwade speren van de goden en de geesten van de doden af te wenden. Iemand die in trance raakt is volgens de !Kung: !Kia, dan stroomt de energie van uit de lage buikstreken tot onder aan je schedel. Ook de oude man verkeerde nu in een staat van verlichting en het was volgens Frans niet zeker of hij nog wel in zijn eigen lichaam zat, wie weet danste zijn geest hoog met de vonken mee, via een onzichtbare draad en zag hij een glimp van god. Rusten was er niet bij, vrouwen zweepten de mannen op, ik kon er uren naar kijken, het moest wel want een healing dance duurde vaak tot de volgende ochtend.

Frans was teruggegaan en leefde als een vreemde tussen zijn eigen volk. Maar er is geen terug, ook voor de !Kung bij Dobe niet, al willen de meesten in de woestijn blijven. Er leeft geen Bushman meer die niet aangeraakt is door het nieuwe leven, ook in Dobe is een waterput geslagen, alleen dat al heeft het bewegingspatroon sterk veranderd. De jonge zonen hebben kippen en ezels meegenomen, de smaak van kip maakt jagers lui en een ezel verlicht de tocht naar de waterplaats. De verandering kruipt naderbij, hoe mul ook het pad.

Zo'n twee keer per jaar komt een Herero handelaar de huiden van de jager opkopen, toen wij na een paar dagen ons kamp opbraken, kwam de handelaar juist met zijn jeep aangereden. Zijn laadbak puilde uit van de blikken bier, lappen, kralen en goedkope eau de cologne. Een paar uur later lagen alle gezinnen laveloos onder een boom. Dronken van het bier en van de eau de cologne. We zijn zonder groet weggereden.

Alleen Frans zwaaide ons nog wankel uit. “Ons gesels” nog wel eens, 's nachts als ik langs de draad van mijn dromen naar het zuiden klim.

Er is alleen maar een weg vooruit, hoe pijnlijk ook. Het heeft geen zin de Bushman en zijn cultuur in een veredeld wildpark te conserveren, hoe zeer sommige instanties zich daar ook voor inspannen. De Bushman zal zelf het tempo van de verandering moeten bepalen.

Ik geloof niet zozeer in de romantische onschuld of nederigheid van de Bushmen, noch, zoals je wel in geromantiseerde werken leest, in het zuivere kind dat zij in ons zouden doen ontwaken, of dat zij ons zouden wijzen op onze bron, het primitieve in ons.

Evenmin geloof ik in de voor ons westerlingen helende confrontatie met de rust en de tijd die men voor elkaar neemt en de fijnzinnigheid in de menselijke omgang. Hoe aantrekkelijk het voor onder het materialisme gebukt gaande westerlingen ook is om dicht bij mensen te zijn die hun bezittingen in één hand kunnen dragen.

Maar de Bushmen wijzen ons wel op iets anders, op iets dat we in de hoogmoed van ons intellect zijn vergeten. Het zijn de dingen die we met ons verstand niet kunnen ontrafelen, noem het spiritualiteit, eeuwen oude ervaringen, passie, creativiteit.

“In hun leven is gebrek aan alles, maar het is rijk aan betekenis,” schreef Laurens van der Post in The Lost World of the Kalahari, alles betekent iets, elke danspas, handbeweging, klikklak van de tong, kleur, dier. Het zijn dingen die we niet meer goed kunnen of willen zien, ze zijn verdrongen door een agressief soort rationalisme. Ook bij de Bushmen zal deze oude kennis verdwijnen. Maar voorlopig leeft het voort in hun muziek, hun zang, oude rotstekeningen en, wie weet, hun moderne schilderkunst.

Bronnen:

Trewhella Cameron, ed: Nuwe Geskiedenis van Suid-Afrika. Kaapstad, 1988.

Richard Borshay Lee: The !Kung San, Men, Women and Work in a Foraging Society. Cambridge, 1979.

Laurens van der Post: The Heart of the Hunter, Customs and Myth of the African Bushman, New York, 1980.

- : The Lost World of the Kalahari. New York.

David Lewis-Williams: Image of Power, Understanding Bushman Rock Art, Johannesburg, 1989.

Speciaal ter gelegenheid van de tentoonstelling verscheen:

Anke Kooke: Sporen in de Kalahari, over Bushmen, kunst en overleven. Amsterdam, 1993. ISBN 90.9006616.0 (De beste introductie in het Nederlands.)

    • Adriaan van Dis