Onderzoek: steeds minder katholieken in Nederland

UTRECHT, 26 NOV. De katholieke staalkaart van Nederland heeft zich gedurende de laatste decennia dratisch gewijzigd. Steeds minder katholieken, een dalend priestertal en slecht bezochte weekendmissen. Dat blijkt uit cijfers uit de kerkelijke statistiek 1992/1993 die vandaag door het rooms-katholiek kerkgenootschap zijn gepubliceerd.

Volgens de Tilburgse godsdienstsocioloog drs. Th. Schepens zal het huidige percentage katholieken, 36,3 procent, in de komende dertig jaar afnemen tot 26 procent. Het aantal priesters, 2.000 op dit moment, zal dalen tot ongeveer 700. Het aandeel van vrouwen in het bestand van pastorale krachten is gestegen: van 8,9 procent in 1977 tot bijna 35 procent vorig jaar. Het weekendmisbezoek is de afgelopen twee decennia met meer dan de helft gedaald: in 1975 gingen nog 31,1 procent katholieken ter kerke, nu is dat 12,6 procent.

In het vandaag verschenen nummer Een-twee-een van de rooms-katholieke kerkprovincie noemt Schepens de verwachte daling van het aantal katholieken in Nederland “zonder meer ernstig als men beseft dat het 50 jaar duurde om moeizaam te groeien van 35 procent in 1909 naar 40,4 procent in 1960.”

Op enkele terreinen is echter sprake van groei, aldus Schepens. Tussen 1975 en 1993 steeg het aantal pastoraal werk(st)ers van 143 tot 596. Vanaf 1984 figureren ook diakens in de kerkelijke statistieken, op dit moment bedraagt hun aantal 164. “Toch is deze groei onvoldoende om de daling van de priesteraantallen op te vangen. Want het totale aantal pastorale krachten is afgenomen van 4.151 in 1975 tot 2.766 in 1993,” schrijft hij.

Uit de kerkelijke statistiek blijkt voorts dat het zwaartepunt binnen de Nederlandse kerkprovincie, traditiegetrouw gelegen in het zuiden, zich in zuidoostelijke richting verplaatst, ten koste van de bisdommmen in de randstad. In 1975 woonde nog bijna 30 procent van de katholieken in de bisdommen Haarlem en Rotterdam. Dat percentage is met vijf afgenomen. De bisdommen Den Bosch en Roermond herbergen respectievelijk 43,1 en 45,7 procent katholieken.

Schepens verklaart deze verschuiving uit het feit “dat katholieken zich in een onkerkelijke omgeving veel moeilijker weten te handhaven en veel vaker tot kerkverlating overgaan dan katholieken in een minder onkerkelijke of kerkelijk meer homogene omgeving.”