Mismoedig

“Ik voel me zo mismoedig, eekhoorn...”, zei de kraai op een ochtend tegen de eekhoorn.

Zij zaten naast elkaar in het gras aan de rand van het bos. De eekhoorn zweeg.

“En jij?” vroeg de kraai.

“Ik niet”, zei de eekhoorn. Hij wist niet precies wat mismoedig was, maar hij geloofde niet dat hij het zich voelde.

“Ach, wat jammer”, kraste de kraai. “Altijd voel ik me alleen mismoedig. Waarom toch?” Hij stak zijn snavel in de lucht en keek met mismoedige ogen omhoog. “Ik zou me zo graag eens samen met iemand mismoedig voelen.”

Hij zuchtte diep.

In de verte holde het hert voorbij.

Zij zwegen lange tijd.

“Kan jij ook niet mismoedig worden?” vroeg de kraai toen. “Al is het alleen maar vandaag?”

“Hoe moet dat dan?” vroeg de eekhoorn.

“O dat is heel makkelijk”, zei de kraai. “Je moet de moed opgeven.”

De eekhoorn fronste zijn voorhoofd en probeerde de moed op te geven, maar dat had hij nog nooit gedaan. Hij leunde onhandig tegen de iep die daar stond.

“Ik kan het niet”, zei hij.

“Je moet ook je schouders laten zakken”, zei de kraai. “En je hoofd.”

De eekhoorn liet zijn schouders en zijn hoofd zakken.

“Dat is al veel beter”, zei de kraai.

De eekhoorn voelde een eigenaardig dof gevoel in zijn hoofd. Misschien is dat het wel, dacht hij. Hij keek naar de kraai.

“Heel goed”, zei de kraai.

Mismoedig stonden zij naast elkaar in het gras aan de rand van het bos. Af en toe kraakte er iets in het struikgewas en er dreven zwarte wolken voorbij.

“Ik ben blij dat je nu ook mismoedig bent”, zei de kraai. “Anders is het altijd zo saai.”

De eekhoorn dacht aan zware, sombere taarten op langdradige verjaardagen, die toch op een of andere manier heel lekker waren. Hij liet zijn schouders nog iets verder zakken.

“Wat ben je nú mismoedig!” kraste de kraai en opgetogen en wanhopig sloeg hij een zwarte vleugel om de eekhoorn heen.

    • Toon Tellegen