Met een geit op weg naar de verlossing; Twee novellen van Oek de Jong

Oek de Jong: De inktvis. Uitg. Meulenhoff. 151 blz. Prijs: ƒ 27,50.

Een beginnende of minder bekende schrijver zou waarschijnlijk niet veel eer inleggen met twee geëxalteerde novellen over het kluizenaars- en kloosterleven. Maar de wetenschap dat Oek de Jong ze schreef, verandert de zaak enigszins. En bovendien herinneren de eenzame zielen die figureren in De geit en in de titelnovelle De inktvis aan de verhaalfiguren uit De hemelvaart van Massimo (1976), aan Edo Mesch uit Opwaaiende zomerjurken (1979) en aan Andrea Simonetti uit Cirkel in het gras (1985): stuk voor stuk al even eenzelvige zoekers, strevend naar innerlijke rust.

Oek de Jong is geen veelschrijver, maar wat hij schrijft maakt alleen al indruk door de inzet, de ernst en de volharding waarmee het tot stand lijkt te zijn gebracht. Zijn werk lijkt haast aan hem ontrukt, dat is althans de indruk die hij in vraaggesprekken wekt.

Of hij in de afgelopen acht jaren alleen aan De inktvis heeft gewerkt, zou ik niet weten. Het valt niet te hopen. Volgens De Jongs favoriete schrijver, F.C. Terborgh, mag haast dan de grootste vijand zijn van de literatuur, je kunt ook te geduldig zijn. De inktvis is bescheiden van omvang en doet daarnaast ook nog eens veel eenvoudiger, beperkter en vooral onbeheerster aan dan zijn strak in de vorm stekende voorgangers. De twee novellen wekken niet de indruk dat er jaren aan geschaafd en gepolijst is.

Misschien is de versimpeling die Oek de Jong zo rigoureus toepaste juist wel gedurfd te noemen. Al vanaf het begin heeft hij zich afkerig betoond van een woord als 'structuur', en van gepraat over literair-technische zaken als ruimte, tijd of perspectief. Dat maakte zijn eerste drie boeken er overigens niet minder analyseerbaar om. De verhalen in De inktvis laten zich daarentegen niet erg vruchtbaar ontleden of uitpluizen, omdat het hun aan een duidelijke structuur ontbreekt. Sprookjesachtige vertellingen zijn het, rijk aan symboliek, maar arm aan literaire vondsten. De Jong heeft zich ver van zijn oorspronkelijke Revisorproza verwijderd. Het hart wint het deze keer ruimschoots van het hoofd.

De belangrijkste rollen zijn hier niet weggelegd voor intellectuelen of kunstenaars, maar voor ongeletterden. In De geit draait het om een Amsterdamse volksjongen die op 7-jarige leeftijd als hulpje werd ondergebracht in de kloosterorde van de Vurige Broeders. Hoofdpersoon van De inktvis is een Siciliaanse visser, die op zijn 34ste zijn rottende schip in de steek laat om zijn heil elders te gaan zoeken, onder andere in het al even obscure klooster van de Schuwe Vrouwen. Hun eenvoudige afkomst maakt de jongen en de visser nog niet meteen tot ongecompliceerde karakters. Zij zitten bijna net zo kronkelig en gespleten in elkaar als Edo Mesch en Andrea Simonetti. Verscheurd worden ze door tegengestelde aandriften en snel wisselende stemmingen. “Soms beklom hij de berg in een diepe rust”, zo wordt gezegd over de visser die het ook letterlijk hogerop zoekt, maar soms ook “was een enkel steentje voldoende om hem tot razernij te brengen.”

De tegenstellingen die verzoend willen worden, en die in beide verhalen na een drie weken durende beproeving ook daadwerkelijk worden verzoend, zijn de aloude tegenstellingen tussen gevoel en verstand, natuur en cultuur. Overgave is hier het toverwoord. Niet denken, maar doen wat het hart ingeeft, openstaan voor mystieke tekens die door de natuur of door een medemens worden verstrekt. In het ene geval is het een sprekende geit die de verlossing inluidt van het beklemde gemoed, in het andere mag een inktvis de rol van godsgezant vervullen.

Hart, ziel, teken, godsverlangen, beproeving en overgave: het zijn allemaal romantische begrippen die thuishoren in een onbestemd vroeger, net als de betekenisvolle grotten, bomen, boomwortels, takken en twijgen waarmee De Jong zijn verhalen ruim stoffeerde. De bus, de strippenkaart en de Hema die ook terloops ter sprake komen, maken in dit verdroomde verband een bijna futuristische indruk. Aan oude en nog oudere literatuur doet dit alles denken, aan zwerflustige schrijvers als Van Schendel en Terborgh.

Maar het is vooral de stijl die bevreemding wekt. Bevreemding, niet zozeer ergernis. Ik kan me niet goed voorstellen dat pathetische zinnen als “Toen voelde de jongen zwaarte in zich opkomen” of “Uit zijn borst welden voortdurend diepe zuchten op, sidderend en schokkend” helemaal serieus bedoeld zijn. Dat zou kunnen blijken uit het feit dat De Jong zich af en toe ook grappige en lichtvoetige passages toestaat. De visser steekt bij voorbeeld dit soort montere monoloogjes tegen zichzelf af: “Dit beurt mij op, dit is opbeurend.” Of, als hij bedenkt dat hij wel eens een altaar voor de Moeder Gods kan gaan oprichten: “Meteen maar doen, anders rijzen er weer problemen.”

De inktvis is een niet erg geslaagde, maar wel aandoenlijke bundel omdat het allemaal zo goed afloopt met de tobbers van Oek de Jong, die zijn verantwoordelijkheid kent als schrijver. “Mijn lezers moeten ook verder”, zo liet hij zich een keer trouwhartig ontvallen in een interview. Het jongetje bloeit helemaal op, nadat hij de geit in zichzelf heeft bevrijd. En de visser ontmoet, na een zoveelste teken, 'ergens in een vallei', een vrouw, met wie hij vast nog lang en gelukkig leeft.

UIT: OEK DE JONG, DE INKTVIS

“Dat hij, stijve hark die hij was, niet erg geschikt was voor het aanprijzen en verkopen van waren - dat voelde de jongen wel aan. Het bracht hem niet aan het twijfelen. Hij was ervan overtuigd dat hij niet zou blijven zoals hij nu was, dat hij een gedaanteverwisseling zou ondergaan, dat er een dag zou komen waarop hij zijn grot kon verlaten, een dag waarop de mensen dichtbij zouden zijn en hij zijn mond zou openen om te schreeuwen van druiven de kilo en narcissen de bos.”

    • Janet Luis