Maalkaak

Het paard stond achter een hek en op dat hek hing een bord: 'PAS OP PAARD BIJT', las ik.

Maar Joy kan nog niet zo goed lezen. Daarom rende ze naar het paard om het paardebloemen te voeren en te aaien. Hap, deed het paard, en daar verdween Joy in de mond van het beest. Het was maar goed dat ik dat gezien had, want nadat hij de enorme bult had weggeslikt stond het paard mij heel lief aan te kijken. “Spuug uit, paard”, zei ik streng. Maar het paard deed net of hij mij niet verstond. “Onmiddellijk!” dreigde ik, maar het paard staarde dromerig in de verte. Ondertussen had Joy een keel van jewelste opgezet, en hoewel haar stemgeluid werd gedempt door de wand van de paardebuik en door de haren van paardevacht, kon ik haar toch heel goed verstaan.

“Laatmeeruitrotknol”, schreeuwde ze. En “Alsjemaarnietdenktdatikeenpaardekeutelword.” O,o, dacht ik. Als niemand die woorden nu maar hoort. Dit is toch geen taal voor een meisje. Helaas, daar kwam net een man in overal aangestapt. Met zijn groene gummilaarzen stampte hij door de modder. Hij duwde een kruiwagen vol hooi. Vast voor het paard. Het paard had de man ook gezien, draaide mij de rug toe en begon alvast naar het hek te lopen. Ik holde er achteraan. Als Joy haar mond nu eens dicht hield, verzon ik, en porde door het hek heen in de maag van het paard. Maar de man zag het. “Mevrouw, wilt u dat laten!” riep hij boos. “Anders bel ik de dierenbescherming.” O jee, dacht ik, en wie moet Joy dan redden! Dus ik stak mijn handen in mijn zakken. Joy begon direct weer te blèren. “Stom schimmelbeest”, riep ze. “Kreupele vreetzak.” De man hield op met het hooi in de ruif vorken en keek mij aan. “Ik eh...”, zei ik. “Driedubbelovergehaalde muilezel”, brulde Joy. De man pakte zijn hooivork en loerde vanonder zijn pet. “Ik eh.... Het paard heeft een meisje opgegeten” legde ik uit. “En dat meisje zit nou in zijn buik en ze is heel erg kwaad.” De man snoof. Ik begreep dat het allemaal nogal stom klonk. “Het is hier verboden te schelden”, sprak de man afgemeten. Ik kneep mijn lippen op elkaar. “Maalkaak” riep Joy. “Het is hier tevens verboden buik te spreken!” sprak de man met klem. Zijn hoofd was nogal rood geworden. “Taaie bieflap”, gilde Joy. “En nu is het genoeg”, bulderde de man. “Het is hier verboden... Het is hier... U hoort nog van mij. Jazeker. U hoort nog van mij.” En met boze stappen beende hij weg, het hek door, naar het huis verderop met de telefoon en aan de andere kant van de telefoon de politie of nog erger. Ik moest snel een list verzinnen om Joy te bevrijden en dan wegwezen. Ik dacht na. Toen wist ik het. Ik draaide mij om en zette mijn zonnebril op. Daarna keerde ik mij weer naar het paard.

“Dag paard”, zei ik met mijn zwaarste stem. “U ziet er wat pips uit. Misschien heeft u de laatste tijd wat veel gegeten wellicht?” Het paard brieste. “Dat komt goed uit”, zei ik. “Toevallig ben ik dierendokter. Gespecialiseerd in paarden. Gespecialiseerd in paarden die teveel eten.” Het paard hinnikte. “Goed”, zei ik, “dan zal ik maar meteen met de behandeling beginnen.” Ik klopte de buik van het paard om Joy te waarschuwen zich gereed te houden. “Prima”, zei ik en klopte op zijn hals om Joy duidelijk te maken welke kant ze op moest. “Uitstekend”, zei ik. “En nu gaan we in het keeltje kijken. Zeg eens AAA.” Het paard sperde zijn bek wijd open en zei AAAAAAAAA. “Heel goed”, zei ik. “Doorgaan.” En jawel hoor, daar kwam Joy al uit het keelgat gekropen. Ze was nog maar een heel klein beetje mest geworden. “Gaat het?” vroeg ik. “Bruh”, sputterde Joy. “Geen tijd voor gezeur” haastte ik me te zeggen. Het paard had vochtige ogen gekregen. Van spijt, of misschien gewoon van vreugde. Paarden zijn heel gevoelige dieren als het erop aankomt. Ik gaf het paard mijn zakdoek en haalde een viltstift uit mijn zak. Ik kraste het bordje met 'PAARD BIJT' door en schreef daarvoor in de plaats met grote letters: PAARD EET JOYS. En tegen Joy zei ik: “Nou moet je maar gauw leren lezen.” Toen draaiden we ons om, klommen over het hek en smeerden hem zo snel we konden.

    • Saskia van der Valk