Lied van een varende gazelle.

Hoort naar mij lieve kinderen, ik zal je nu vertellen

De fabel van Antinoüs, de varende gazelle.

Antinoüs was veerman op 't Hellespontse veer,

Van Abydos naar Sestos, aanhoudend heen en weer.

Daar was hij de godganse dag van vroeg tot laat mee bezig,

Alleen wanneer hij jarig was, dan was hij soms afwezig.

Hij had geen tijd voor zijn gezin, geen tijd zelfs om te grazen

(Je kunt het zien op bas-reliëfs en oude Griekse vazen),

Dat liet hij na uit plichtsbesef, niet om zichzelf te kwellen;

Hij was dan ook Antinoüs, de varende gazelle.

Hij was wel een gazelle, maar ook was hij matroos;

Ja, hij verkoos het ruime sop, dat was de hele sjoos.

Toen riep een keer een passagier: help, help, we maken water!

Ach, mompelde Antinoüs, dat fixen we wel later.

Het bootje maakte slagzij, je zag het overhellen;

En zo verdronk Antinoüs, de varende gazelle.

Antinoüs was veerman, hij voer steeds heen en weer,

Maar niet toen hij verdronken was, toen deed hij het niet meer.

(toegift, voor de voorlezer)

    • Rudy Kousbroek