Langs de ladder van het gevoel; Roman van Peter Nadas, een encyclopedie van de erotiek

De Hongaarse schrijver Péter Nádas gaat in zijn nieuwe, zeer dikke roman 'Het boek der herinneringen', op zoek naar de oorzaken van de tegenstelling tussen gevoel en verstand, emotie en rede, zinnelijkheid en ratio. Als een psycho- analytische biechtvader noteert hij nauwkeurig het voor normale stervelingen onhoorbare gemurmel dat uit het onderbewuste opstijgt en formuleert gevoelens die daarvoor onbenoembaar leken.

Péter Nádas: Het boek der herinneringen. Vert. Henry Kammer. Uitg. Van Gennep. 839 blz. Prijs: ƒ 75,-.

Péter Nádas: Terugkeer - Over het schrijven van Het boek der herinneringen.Vert. Henry Kammer. Uitg. Van Gennep. 56 blz. Prijs: ƒ 14,90.

Toen ik het boek van 839 pagina's ter hand nam en op pagina 18 las dat de schrijver het verschil in sfeer wil begrijpen tussen de trappenhuizen in Oost-Berlijn (doordringende stank van boenwas, historieloos) en de trappenhuizen in Boedapest (geen boenwas, vol geschiedenis), toen wist ik dat ik door de volgende 821 bladzijden verzwolgen zou worden. Want wie het belang van een dergelijk verschil in sfeer opmerkt en het wil begrijpen, die wil alles begrijpen. Die heeft een bijzonder zintuig voor dat wat nauwelijks benoembaar is en daarom veelal over het hoofd wordt gezien, maar onderhuids en onbewust het menselijk handelen stuurt: het instinctieve, het gevoelsmatige, het lichamelijke, dat hooguit als een vaag reliëf zichtbaar is onder de dikke, gepolijste laag van opvoeding en volwassenwording.

Kunnen instincten tot gedachten worden? Volgens de Hongaarse schrijver Péter Nádas kan dat. In het vorige week verschenen Het boek der herinneringen omschrijft hij het als gedachten die soms opkomen tijdens een intense stilte en 'slechts heel even het oppervlak van het onderbewustzijn rimpelden om vervolgens ongeformuleerd weer omlaag te zinken en zich daar koest te houden'. Totdat 'een koel windvlaagje, (-) een beginnende jeuk, (-) een overweldigend geluksgevoel of een krampachtig verlangen, opnieuw iets aan de oppervlakte brachten'. In dit magnum opus daalt Nádas af als een onvervaarde speleoloog in de onderaardse holen van de menselijke ziel met behulp van wat hij de eindeloze ladder van het gevoel noemt. De ladder die 'geen genoegen nemend met vormen, uiterlijkheden en ijdele schijn, neerwaarts en inwaarts leidt, naar de wezenlijke verbanden'. Zijn tocht naar beneden is een zoektocht naar de oorzaken van de oeroude tegenstelling tussen gevoel en verstand, emotie en rede, zinnelijkheid en ratio. Het voert hem niet alleen naar het Boedapest van zijn jeugd tussen 1950 en 1958, maar ook naar Oost-Berlijn in het begin van de jaren zeventig en zelfs naar de Oostduitse badplaats Heiligendamm rondom de eeuwwisseling.

Centraal in de roman staat een stormachtige liefdesgeschiedenis die de hoofdpersoon, een naamloze ik-figuur, in Oost-Berlijn heeft met een jonge Oostduitser. De affaire loopt uit op een dramatisch einde, waarin de Oostduitser over de Muur vlucht, nog meer op de vlucht voor een confrontatie met zijn diepste emoties dan voor het politieke systeem. Als een legpuzzel die met een machtige zwaai gereduceerd wordt tot de chaos van tienduizenden stukjes, waaruit de persoonlijkheid is opgebouwd, zo voelt de hoofdfiguur zich na de breuk. Hij staat voor een fundamentele keuze: zelfmoord of een minutieuze zoektocht in zichzelf naar waar de emoties vervaardigd worden, waar de instincten huizen, waar de gevoelens zwerven, hoe die met elkaar overhoop liggen en waarom die drie gezamenlijk onafgebroken verwikkeld zijn in een gevecht met hun grote tegenstrever, het verstand.

Met de moed der wanhoop, in een vertwijfelde poging om toch nog een aantal legpuzzelstukjes aan elkaar te passen besluit hij tot het laatste. In zijn tegelijk met de roman verschenen boekje Terugkeer. Over het schrijven van 'Het boek der herinneringen' verheelt Nádas niet dat de hoofdpersoon in het boek en de schrijver in dit opzicht samenvallen.

Ruwe driften

Plotseling verplaatst Nádas de handeling naar de badplaats Heiligendamm omstreeks de eeuwwisseling. Daar is een schrijver, die Thomas heet, op zoek naar zijn herinneringen als kind, 20 jaar eerder, toen hij de chique badplaats met zijn ouders bezocht. Behalve het wisselen van de scène en het tijdperk, doet Nádas iets heel bijzonders: hij past zijn stijl ook aan aan de stijl van die tijd. In plaats van de uiterst verfijnde en subtiele waarnemingen, gedachten en overwegingen, waarmee de hoofdfiguur in de jaren zeventig van deze eeuw probeert zijn persoonlijkheid weer bijeen te rapen en op te lappen, zijn de gebeurtenissen rondom 1900 geschreven in de geëxalteerde stijl, die in het fin-de-siècle opgeld deed. Een voorbeeld: “O, hoezeer is mijn hartstochtelijk gemoed ondanks mijn heldhaftig verzet blootgesteld aan de ruwe driften, die gemeenlijk laag, duister of - nog gemeenzamer - smerig worden genoemd en door de fijner besnaarden liederlijk, duivels, verachtelijk en zondig! Overigens volkomen terecht, haast ik mij hieraan toe te voegen, alles wat ik in het nu volgende noodgedwongen zal beschrijven houdt immers ten nauwste verband met de onreine eindprodukten van het menselijk organisme, dat wil zeggen met functies als wateren, zich ontlasten en zijn gerief vinden, ofschoon men met minstens evenveel recht de vraag zou kunnen stellen of deze driften niet evenzeer bij ons horen als onze tot een angstvallige lichaamshygiëne leidende zeden en normen, die tot taak hebben hen te bestrijden.”

De schrijver vindt in zijn herinneringen als kind te Heiligendamm ruwe driften te over: niet alleen de teugelloze haat die zijn ouders als volleerde acteurs weten te verbergen onder hun harmonieuze, gearmde middagwandelingen op de boulevard met het heffen van de hoed, het draaien van de parasol en het minzaam knikken naar de hotelgasten, maar ook de heimelijke erotische escapades van zijn vader met een volstrekt onbesproken dame van stand. Totdat moeder en zoon hem in flagranti met de dame in de belendende hotelkamer betrappen, wat Nádas in staat stelt om een coïtus te beschrijven, zonder een enkel detail over het hoofd te zien en tegelijkertijd zonder een zweem van pornografie. Dan al worden langzaam de dramatische contouren zichtbaar die de niet door 'angstvallige lichaamshygiëne' geremde zinnelijkheid bij Nádas heeft: de vader doodt zijn vrouw en vervolgens zichzelf. De volwassen schrijver, Thomas, bedrijft twintig jaar later in dezelfde hotelkamer de liefde met een even keurige dame, maar ook met een gespierde kamerbediende, die op zijn beurt erotische betrekkingen onderhoudt met een nette Zweedse heer. Het eindigt met de moord op de Zweed door de kamerbediende. Met Thomas is hier Thomas Mann bedoeld, die een zorgvuldig geheimgehouden voorechtelijke relatie had met Paul Ehrenberg, waarover hij een roman schreef die hij na zijn huwelijk met Katja Pringsheim verbrandde.

Passiemoord

De moord vindt plaats op pagina 682, want Nádas doet in de 19 verschillende hoofdstukken de chronologie met opzet veel geweld aan. Hij is immers niet uit op een historische beschrijving van de wederwaardigheden der driften en lusten, maar stelt zich een hoger doel: door het verhaal afwisselend in vier verschillende tijdperken te laten spelen, beginnen de gebeurtenissen steeds meer naar elkaar te verwijzen en zich met elkaar te vervlechten, waardoor de zeggingskracht vele malen sterker wordt dan in een chronologische structuur. Een passiemoord rond 1900 wordt zo een passiemoord in 1993 en een driehoeksverhouding in 1973 een driehoeksverhouding in 1888.

Nádas bereikt een hoogtepunt in de beschrijving van de jeugd in het naoorlogse Hongarije tijdens de zoektocht van de hoofdfiguur naar het mysterie van zijn lustgevoelens. Wellicht is de zinnelijkheid nog zuiver op het moment dat ze, tijdens de kinderjaren, begint uit te botten, nog niet afgestompt door latere teleurstellingen of bedorven door de perversiteiten van de volwassenheid. In de hoofdstukken over de relaties tussen een groep jongens en meisjes in het Boedapest van de jaren vijftig daalt Nádas het diepst af langs de eindeloos lange ladder van het gevoel. Uiteindelijk belandt hij bij de vraag naar het wezen der dingen: wat is een kus, wat woedt er in lichaam en geest voor, tijdens en na de kus? Waarom, hoe en wanneer precies vullen de zwellichamen van de fallus zich onstuitbaar met bloed? Hoe reageert het lichaam op een aanraking en welke verwarring richt die in de hersenen aan? Zo wordt de roman tot een onuitputtelijke encyclopedie van de erotiek. Van de A van aantrekkingskracht, via bedrog, eigenliefde, geslachtsdrift, hartstocht, heimelijkheid, lange blikken, post-coïtale depressie, versieren, wellust tot de Z van zingenot. Ieder van deze begrippen, en nog tientallen meer, vindt de lezer in het boek zo nauwkeurig en scherpzinnig neergeschreven dat het toekomstige auteurs op dit gebied voorgoed de moed in de schoenen moet doen zinken.

Nádas' opmerkingsgave lijkt onbegrensd: als een psycho-analytische biechtvader noteert hij nauwkeurig het voor normale stervelingen onhoorbare gemurmel dat uit het onderbewuste opstijgt en schijnbaar moeiteloos formuleert hij gevoelens die daarvoor onbenoembaar leken. Men vergisse zich niet, dit is allerminst een werk dat past in de huidige hype waarin de wellust in al zijn uitersten als laatste zingeving van het leven gevierd wordt. Het is een encyclopedie van de erotiek, niet van de seksualiteit. Het is een boek tegen de huidige tijdgeest, dat alle hypes en trends overstijgt. Nádas portretteert de moderne seksuele junk wanneer hij zijn hoofdfiguur, die uiteraard ook verslaafde is geweest, aan het einde van het boek op die periode laat terugkijken:

“Ik meende dat ik het irreële uit mijn leven kon bannen, ik was een lafaard, een aan de tijdgeest uitgeleverde dwaas, de carrièrist van mijn eigen leven, iemand die dacht dat hij zijn beklemming, angst en hulpeloosheid door bijzondere lichamelijke technieken kon overwinnen.”

Smeulende emoties

De speurtocht in Boedapest leert dat de zuiverheid van de instincten en emoties ook in de jeugd vertroebeld wordt door haat, afgunst, bedrog en jaloezie. Wel zijn de puberale emoties de meest heftige en spontane, die later door de last van het leven niet meer laaien, maar eerder smeulen. Daarom heeft dit hoofdstuk de prachtige titel: 'Gras overwoekerde de sporen van het vuur'.

Zoals Robert Musil het moderne levensgevoel van de intellectueel tot in de diepste diepte onderzocht, zo onderzoekt Nádas diens diepste emoties. En waar de man zonder eigenschappen uiteindelijk in een intellectuele woestijn eindigt, daar laat Nádas zijn held uiteindelijk schipbreuk lijden op een rots van onzuivere en tegenstrijdige gevoelens. Nádas' conclusie na zijn speurtocht naar de bronnen van de emotie herinnert sterk aan dat wat Musil in De man zonder eigenschappen over ideeën schreef: “Ideeën zijn stoffen, die, zo gauw ze aan de lucht prijsgegeven worden in een constante, andere, maar meer verdorven vorm, voort blijven bestaan.”

Keer op keer ervaart zijn hoofdpersoon wat Nádas omschrijft als het zelfbeschikkingsrecht van het lichaam, anders gezegd het zich altijd weer, ook tegen zijn wil, verheffen van zijn geslachtsdeel. Het doel, het felbegeerde evenwicht tussen emotie en verstand wordt niet bereikt. Gevoelens zijn nu eenmaal verfijnder en natuurlijker dan het bewustzijn dat ze moet verwerken, zoals hij schrijft. De vorm waarin Nádas het epos giet zijn elf verschillende driehoeksverhoudingen tussen de jaren tachtig van de vorige eeuw en 1973. Elf variaties op het menselijk deficit, die eindigen in scheiding, moord, zelfmoord of gevangenschap.

Maar Het boek der herinneringen omvat nog veel meer dan deze encyclopedische liefdesroman. Het beschrijft ook, vanuit het perspectief van de hoofdpersoon in zijn puberteit, de dood van Stalin in 1953 en de Hongaarse opstand in 1956, het failliet van het communisme, hét grote experiment van de ratio van deze eeuw. Het is bovendien een filosofische roman, gericht tegen de gedachte van Heraclitus dat alles altijd in beweging is, omdat de mens nooit tweemaal in dezelfde rivier kan stappen. De vorm waarin Nádas het verhaal vertelt is een aanklacht tegen wat hij in Terugkeer omschrijft als “de vermoeide romanliteratuur in de tweede helft van de twintigste eeuw die zegt: 'Je ne suis rien de plus que moi', waardoor de fantasie inderdaad blind en doof blijft en er werkelijk geen verbinding is tussen het individuele en het collectieve, en er in feite niets anders is dan de starre persoonlijke ervaring dat door de crisis de schreeuw van verlangen naar harmonie is verstomd, dat wat ik doe belangrijker is dan wat er met mij gebeurt.”

Want hoezeer die crisis ook de motor is van Nádas schrijverschap, het bereiken van de harmonie blijft zijn doel. Het is daarom tevens een aanval op de extreme mate van vrijheid die de westerse mens voor zich opeist. “Waarom”, zo vroeg hij zich vorig jaar in een groot interview in de Frankfurter Allgemeine Zeitung af, “heeft men de liefde vergeten? Omdat men toe moet geven dat het een beperking van die vrijheid is, wanneer men erkent dat men zich alleen niet gelukkig voelt. Daarom spreekt men in plaats van liefde over seksualiteit.”

Niet in de laatste plaats is dit ook een roman die de grote verandering laat zien die het schrijven zelf in deze eeuw heeft ondergaan. Want Nádas creëert bewust een tegenstelling tussen de beknopte fin-de-siècle hoofdstukken en de breedvoerigheid van de verhalen uit de twintigste eeuw. Omdat er, volgens hem, in deze eeuw veel meer woorden nodig zijn om elkaar precies uit te leggen wat men bedoelt. In Terugkeer zegt hij daarover: “Ik wilde de eenvoudigste dingen onder woorden brengen. Zo wilde ik de moed om een voorwerp dat door mij en door anderen 'tafel' werd genoemd, als 'tafel' aan te duiden, hoewel ik wist dat dit woord alleen maar een semantisch hulpmiddel is dat op de vormovereenkomst duidt van alle zaken in de wereld die op een tafel lijken, en het absoluut niet in staat is de bijzonderheden van mijn tafel uit te drukken. Zulke ogenschijnlijk dwaze vragen worden tot existentiële kwesties in tijden waarin de universaliteit van een cultuur haar voortbestaan nog slechts uitsluitend aan haar onzekerheid en stuurloosheid dankt.”

De stijl van Nádas raakt nooit op zichzelf verliefd en wordt daarom ook niet gewild hermetisch, maar blijft altijd open, op de lezer gericht. Hij dient de loodzware kost op als betrof het een luchtige soufflé. Dat bereikt hij onder andere door een ingenieuze interpunctie, zelfrelativering, een grote dosis dodelijke humor met name over het communistische systeem en de in afwisselende stijlen geschreven hoofdstukken. De lezer voelt het bijna ongegeneerde plezier dat Nádas in schrijven heeft. Het lijkt erop dat de zinnelijkheid waar de hoofdfiguur zo mee worstelt in de pen van de auteur is gevloeid.

Niet gestoord door welke heersende mode dan ook schetst hij barokachtige kleine genrestukjes, afgewisseld door grote Rubensiaanse doeken vol van de meest uiteenlopende lichaamssappen, door revolutietaferelen of portretten geschilderd met het subtiele penseel van Rembrandt. Het geheel levert geen bonte lappendeken op, maar een kunstwerk waarop de hele twintigste eeuw te zien is in al zijn gruwelijke pracht.