Ik wil wreedheid voelbaar maken; Regisseur Frans Strijards over agnst, zappen en toneel

'Allegro barbaro', het nieuwe stuk van regisseur Frans Strijards dat volgende week in première gaat, is een komedie over angst. Hij laat, in een herkenbare situatie, zien waartoe mensen in staat zijn als zij zich in het nauw gedreven voelen. “Ik probeer het zo dicht mogelijk bij huis te vinden. Ik heb gezocht naar een situatie waaraan het publiek zich niet meer kan onttrekken, een situatie waarin je van al die mensen ook een beetje kunt houden.”

Allegro Barbaro gaat woensdag 1 december om 20.30 in première in het Rozentheater, Rozengracht, Amsterdam. Telefoon Art & Pro 6276162.

Een cahier met een harde kaft, bladzijde na bladzijde gevuld met een beheerst, minuscuul handschrift. Frans Strijards leest voor: “Is angst een thema voor een komedie? Ingebeelde angst, gespeelde angst, tot cultureel fenomeen opgefokte angst, existentiële angst. Wie geneest dan die angst? De psychiater, de politicus, de deskundige? Wie bestrijdt die angst, speelt met die angst. Zinspelen op angst, gelul over de projectie van angst op buitenlanders, indringers. 'Ik ben bang.' 'Ja, dat ken ik, die angst.' 'Heb jij die angst dan ook wel eens?' 'O, die angst ken ik zo goed, daar word ik gewoon bang van.' Laatst gezien op televisie: aangeboden, een band met twee uur lang dodelijke sportongevallen. Wat aan het begin van dit dagboek nog proporties aannam van regelrechte achtervolgingswaan, is nu een staalkaart van angsten geworden, fobieën, gewoon door het noteren ervan. Angst hebben voor diefstal en niet merken dat de dief allang is binnengedrongen. Wie een keer aangevallen is en ontsnapt, die leeft met de angst dat hij zijn toekomstige aanvaller niet kan taxeren.”

Strijards slaat het cahier dicht. We zitten bij hem thuis, in een opeens erg stille woning in de Watergraafsmeer. Buiten valt geruisloos de eerste sneeuw. Volgende week gaat Allegro barbaro, zijn nieuwe stuk, in premiére, bij zijn eigen gezelschap, Art & Pro, in zijn eigen theater, het voormalige Mickery aan de Rozengracht in Amsterdam, in zijn eigen regie. Vóór hij werkelijk aan een stuk begint te schrijven, weeft Strijards eerst een cocon van gedachten, invallen, en beschouwingen; een dagboek, dat ook tijdens de repetitieperiode nauwgezet wordt bijgehouden. “Die boeken, dat zijn enorme reservoirs die je aanlegt. Juist omdat zeven weken repeteren zo'n explosieve gebeurtenis is, waarin alles in een mum van tijd besloten moet worden, moet je iets hebben waaruit je kunt putten. Bijvoorbeeld, die band waar ik over schrijf, met twee uur lang ongelukken met een fatale afloop in iedere tak van sport, lieten ze zien op een televisiezender waar ik op geïnterviewd werd, naar aanleiding van mijn regie van Alan Bennetts Kafka's kruis. Daarna mocht ik uitleggen wie de schrijver Kafka nu eigenlijk was. Zo'n videoband is geen gewone horror, mensen kijken er niet naar alsof het fantasie is. Er bestaat een belangrijk overgangsgebied tussen wat nog fantasie is en wat al realiteit is, tussen iemands fantasieën en het uitleven van die fantasieën. Dat schemergebied wordt steeds gemakkelijker betreden. Bij die twee Engelse kinderen die een peutertje vermoorden vragen we ons af: komt het uit henzelf of hebben ze het van de televisie? Zolang de wetenschap geen uitsluitsel over de herkomst van dat soort impulsen kan geven, is het aan de kunstenaar om daarover te speculeren. Dat doe ik in zo'n dagboek.”

Stekeligheden

Allegro barbaro is een komedie over angst. Twee verwante echtparen, waarvan de mannen de meubelfirma van de vader van een van de echtgenotes bestieren, komen door een raadselachtige gebeurtenis - een van de mannen is met een enorme hoofdwond op straat aangetroffen - in een maalstroom van angst en bedreigingen terecht. Een onbestemde huiskamer vormt het decor van een avondvullend familiedrama, dat begint met een paar komische stekeligheden en eindigt met een strijd op leven en dood, met op de televisie CNN als stille getuige. De mannen en vrouwen op het toneel zijn typische Strijards-personages; hun krampachtige, onvoorspelbare gedrag maakt hen stuurloos. Het is de schrijver die hen met vaste hand naar de gewelddadige climax voert. Allegro barbaro is eenvoudig en strak van compositie. Er wordt een verhaal verteld, de omgeving waarin de personages zich bewegen is realistisch.

Strijards: “Eén reden daarvoor is dat ik ook een paar stukken heb gemaakt als Toeval. voorval., die wanneer ik ze zelf niet regisseer, door niemand meer geregisseerd kunnen worden, omdat ze grotendeels uit tekstuele wildgroei bestaan. In Allegro barbaro heb ik bewust een herkenbare situatie gezocht. Kijk, het menselijke mechanisme verandert niet. Wanneer mensen zich in het nauw gedreven voelen, gaan ze grenzen overschrijden, niet eens uit bewuste wreedheid, maar omdat ze zich klem gezet voelen door krachten die ze maar half kunnen doorgronden. Hun angst zorgt ervoor dat er een escalatie plaatsvindt. Zoiets kun je wel gewoon beweren, maar je zult het wel navoelbaar moeten maken. Dus ik probeer het zo dicht mogelijk bij huis te vinden. Ik heb gezocht naar een situatie waaraan het publiek zich niet meer kan onttrekken. Als je iets van de menselijke wreedheid voelbaar wil maken, moet je eerst een situatie scheppen waarin je van al die mensen ook een beetje kunt houden.”

Strijards' nieuwe stuk speelt in de wereld van de rijkere middenstand. Ik merk op dat het geen milieu is waaruit Nederlandse theatermakers doorgaans hun inspiratie putten. “Misschien niet, maar de Italiaanse filmers waarmee ik ben opgegroeid, die deden dat wel. Bertolucci, bijvoorbeeld. Het gegeven heb ik uit de krant gehaald. In België werd een tijd geleden een wethouder voor zijn huis gevonden met een ingebeukte schedel. In zijn omgeving wist men ook wel dat hij in allerlei louche zaakjes verwikkeld was, maar niet in welke precies. Die man wordt het ene moment nog gesignaleerd tijdens een vergadering, het andere moment wordt hij door zijn vrouw op de stoep gevonden, bebloed, kan niet praten, schedelfractuur. Er komen allerlei veronderstellingen los, want achter dat voorval blijken honderdduizend verhalen te kunnen zitten. Ik wil weten wat er daarna met deze man gebeurt, hoe zijn vrouw erop reageert. Wat blijft er van hem over, wanneer iedereen in zijn omgeving met z'n handen over elkaar gaat staan en denkt: die is niet alleen maar slachtoffer, daar zal heus wel iets achter zitten. Kijk, persoonlijk gedoe binnen de PvdA vind ik totaal ondramatisch. Maar een zwevend kiezersbestand dat uit middenstanders bestaat en wel degelijk door een recessie is aangetast, en zich geen corruptie mag veroorloven van een overheid die zelf van corruptie aan elkaar hangt, dat vind ik wèl dramatisch.”

Onevenwichtig

De première van Allegro barbaro volgende week in het nieuwe Art & Pro theater is een belangrijke gebeurtenis voor Strijards, want hij heeft een roerige tijd achter de rug. Tussen Allegro barbaro en zijn vorige stuk, Sporen, zit twee jaar. Dat laatste stuk maakte destijds op mij een onevenwichtige indruk. Het leek alsof regisseur Strijards na het sublieme, komische ideeëntheater van Hitchcock's driesprong, Gesprekken over G. en Het syndroom van Stendhal niet in staat was om wat de schrijver Strijards wilde zeggen ook dramatisch overtuigend vorm te geven. Waarom mislukte Sporen?

Strijards: “Soms krijgt je stuk een waterhoofd. In dit geval kan ik zeggen dat ik door de actualiteit werd ingehaald. Het moest gaan over vreemdelingen, over het botsen van de ene cultuur met de andere. Over de achtergronden die mensen met dezelfde nationaliteit deelden en die door het wegvallen van de grenzen op hun culturele levensvatbaarheid werden getoetst. Dat waren dingen waarin ik geïnteresseerd was, niet zozeer omdat ik een hoeder van de Nederlandse cultuur wilde zijn, maar omdat je nu eenmaal op een bepaalde plek je wortels hebt, met een bepaalde omgeving vertrouwd bent. Mijn ideeën daarover kon ik allemaal in een stuk stoppen. Ik begon eraan op het moment dat de Muur naar beneden kwam, toen alles één leek te zullen worden. Maar toen tijdens het schrijven de hele boel begon te desintegreren, tot en met de Sovjet-Unie toe, kreeg je een tegenbeweging die niet meer goed in dat stuk was onder te brengen. Voor de mensen die het zagen was het daardoor ook niet meer goed te begrijpen, want je kunt geen stuk maken dat twee kanten opgaat. Sporen is ten onder gegaan in die poging tot een hele brede reflectie. Niettemin heb ik het als een behoorlijke dreun ervaren dat het onbegrijpelijk en apocalyptisch werd gevonden. Maar af en toe moet een schrijver zoveel op het spel zetten.”

Op mij maakte Sporen ook een vermoeide indruk. Strijards' onmiskenbare speelstijl neigde gevaarlijk naar een stijltje. De adembenemende dynamiek die bijvoorbeeld Het syndroom van Stendhal kenmerkte, waardoor je als toeschouwer onafgebroken op het puntje van stoel zat, was in dat stuk vreemd afwezig.

“Je kunt nooit voorkomen dat in een tijdsbestek van negen jaar - dit is het negende seizoen van Art & Pro - van de twintig produkties die je maakt er een aantal geen zuivere signatuur hebben. Dat zijn overgangsprodukties. Je ontkomt er niet aan die te maken, want de premisses moeten bijgesteld worden, het vizier moet opnieuw gericht worden.

“Ik heb daar nooit veel moeite mee gehad, maar er is op een gegeven moment wel een probleem ontstaan toen ik een aantal malen met dezelfde acteurs in mijn stukken had gewerkt. Ze gingen theorieën ontwikkelen over wat ik had willen schrijven en ik kreeg af en toe de indruk dat ze beter wisten wat ik bedoelde dan ikzelf. Dat werkt belemmerend. Na zo'n zes, zeven jaar met elkaar gewerkt te hebben, was er teveel dat als bekend verondersteld werd. Maar als je theater maakt, bevind je je altijd in een cycloon van allerlei krachten. Allegro barbaro wordt gespeeld in een nieuw theater met een vrijwel nieuw ensemble en we hebben wel gemerkt dat we aan elkaar moesten wennen. Er is die onbevangenheid, maar dat betekent ook dat alles opnieuw veroverd moet worden. We zijn er goed doorheen gekomen, ook al is het er hard aan toe gegaan.”

Onverbeterlijk

In het begin van de jaren tachtig, toen ik voor het eerst een stuk zag dat door Strijards was geregisseerd, stond hij nadrukkelijk buiten de kring van gevestigde toneelmakers. Later bezorgde zijn polemische stuk Hensbergen, waarin hij Nederlandse regisseurs, acteurs en theaterbezoekers het achterste van het toneel liet zien, hem de reputatie van een briljant en onverbeterlijk enfant terrible. Populair èn enfant terrible, dat lijkt me een onmogelijke reputatie om mee te leven.

Strijards: “Ja, dat hinderde mij ook. Men leek niet niet beseffen dat ik er niets aan had om mijzelf te gaan herhalen. Enfant terrible is nooit een kwalificatie die ik gezocht heb. Zeker wanneer je weet dat die vetleren medaille per jaar aan zo'n tien mensen wordt uitgedeeld, dan is het duidelijk dat daardoor alleen maar misverstanden ontstaan. Dus als mensen nu inconsequenties in mijn ontwikkeling bespeuren, kan me dat niet schelen. Ik ben tien jaar geleden toch niet begonnen om tien jaar lang consequent te zijn? Maar toen ik ten tonele verscheen, was dat wèl om een aantal van mijn opvattingen over toneel helder op een rijtje te zetten. Maar daarna was het echt niet mijn bedoeling om eindeloos lang over het Nederlands toneel te gaan polemiseren. Ik heb wel iets beters te doen.”

Na Sporen leek Strijards gas terug te nemen. Hij regisseerde Kafka's Dick van de Engelsman Alan Bennett, een literaire komedie over de nietsontziende wijze waarop het nageslacht met het leven van een schrijver omgaat en Friedrich Dürrenmatts bewerking van Strindbergs Dodendans, waarin het huwelijk wordt voorgesteld als een eindeloze bokswedstrijd die altijd onbeslist zal blijven. Beide stukken waren nogal beperkt in hun thematiek. Het leek alsof Strijards zich bewust concentreerde op het handwerk, op zijn veelgeprezen techniek. Was dat een bewuste pas op de plaats?

Strijards knikt bevestigend. “Absoluut. Je gooit je anker uit, in de hoop dat je even kunt blijven liggen. Het was geen gemakkelijke periode. Met die twee stukken was ik al een aantal jaren vertrouwd en ik heb ze gebruikt om bij mezelf orde op zaken te stellen. Maar mijn technische kunnen zal nooit mijn drijfveer zijn, mij gaat het er nog steeds om de expressieve mogelijkheden van toneel op een heel bijzondere manier te gebruiken. Ik heb in mijn leven ook alleen maar toneel gedaan, nooit film of televisie. Toneel als vertelkunst, dat begint ergens bij Tsjechov en Ibsen, daar geloof ik nog altijd in, ook al is dat geloof vaak genoeg met minachting bekeken.”

Desintegratie

Hij vindt dus niet dat het toneel sinds Ibsen en Tjechov aan belang heeft ingeboet? “Nee, dat vind ik niet. Het postmodernisme heeft de invloed van de massamedia beschreven, hoe die onze alledaagse perceptie verandert. Maar volgens mij hebben de postmodernisten het bij het verkeerde eind. De elementaire vertelkunst, de identificatie, het enkelvoudig beleven van een gebeurtenis, dat bestaat naast al die versplintering, daar hoef ik alleen maar de straat voor op te gaan. Mensen zijn helemaal niet zo door de media verpulverd dat ze desintegreren en alleen nog maar zappend door het leven gaan. Dat is een aangepraat idee, interessant om te berde te brengen. Op het moment dat in Irak de Golfoorlog wordt uitgevochten en een Franse postmodernist zegt, wij beleven deze oorlog alleen maar als een videospelletje tussen goed en kwaad en daarom kunnen wij ons niet meer met deze oorlog identificeren, dan denk ik, dat is helemaal niet waar. Ik heb gesprekken over dat 'evenement' gevoerd met mensen die zeer onthutst waren en best in staat om door de techniek van de media heen te kijken om zich te realiseren wat voor een slachting er plaatsvond. En wat mijn geloof in toneel betreft, stel dat ik het bij het verkeerde eind heb. Dan is het toch idioot dat iemand die het zo mis heeft, in staat is zo lang een gezelschap bij elkaar te houden, dat bovendien meestal voor volle zalen speelt. Dat geeft genoeg zelfvertrouwen om met een nieuw toneelstuk te komen.”

In Allegro barbaro lijkt Strijards ook af te willen rekenen met het idee dat het gevoelsleven van de postmoderne mens hopeloos afgestompt is. Voor de personages is de geschiedenis helemaal niet ten einde, ze gaat genadeloos verder in de huiskamer. “Dat postmoderne gevoel van een paar jaar geleden had volgens mij erg veel te maken met het feit dat de Koude Oorlog was afgelopen, dat alleen de Muur er nog stond als een soort pièce de résistance. Humanisme was niet meer zo interessant om over te praten, dat was oude koek. Maar toen Europa op drift raakte, het socialisme in verval bleek te zijn en mensen elkaar weer naar het leven stonden, besefte ik ineens dat de drijvende kracht in Europa gedurende de afgelopen tweehonderdvijftig jaar het humanisme is geweest. Dat vraagt om een andere opstelling. Want over tien jaar zou best eens kunnen blijken dat we door het humanisme als sentimenteel af te doen het kind met het badwater hebben weggegooid, wanneer er geen enkele humane notie meer is die in het maatschappelijk verkeer wordt gerespecteerd.”

Hoewel de personages in Allegro barbaro minder absurdistische trekken vertonen dan de mensen in veel van de vroegere stukken, raken ze toch ook weer op drift, door dreiging van buitenaf en door spontane impulsen die van binnen uit komen en die door hen niet beheerst kunnen worden. Hoe ziet Strijards zijn eigen personages?

“Voornamelijk als mensen die zich willen uitspreken. Opgepompte mensen vol confidenties, die niet ten tonele verschijnen om iets geheim te houden, maar om alles eruit te gooien. Mijn hele leven heb ik gezien hoe mensen proberen hun eigen ziele-onrust te bezweren door er woorden op los te laten. Controle hebben over je bestaan, dat willen we allemaal wel. Er is niemand die 's ochtends de deur uitstapt om zich te pletter te laten rijden en iemand die dat wel wil, maakt een tienjarenplan om zelfmoord te plegen. Wanneer je adequaat moet reageren op onverwachte gebeurtenissen, dan is het alsof je in een schreeuwende kluwen op de optiebeurs staat, waar iedereen de hoofdprijs eruit wil slepen. Wanneer je dan 's avonds naar huis gaat, weet je niet wat je hebt aangericht. De gevolgen, de slachtoffers die wellicht gevallen zijn, blijven onzichtbaar.”

Hoewel alle stukken van Strijards over morele vraagstukken handelen, aarzelt hij niet om, wanneer er in hem een moralist opstaat, zoals in Sporen, die genadeloos onderuit te halen. Een anti-moralist die voortdurend op zoek is naar een moraal, kan dat? “Ja hoor, zoals Don Quichot zijn windmolens bestormt.”

    • Bas Heijne