I was checking out, she was checking in

De altsax aan het begin is die uit de tune van talloze Amerikaanse televisie-series met in de openingsbeelden de als gouden bergen blinkende wolkenkrabbers van de skyline van Manhattan, Chicago of L.A.: verlokkend, glad en sophisticated - vloeiende tonen waarin je je kunt laten wegzinken als in een bubbelbad op kerstavond, met de belofte van een opwindend, nog niet helemaal vertrouwd lichaam straks tussen de zwart satijnen lakens.

De stem die na wat vingeroefeningen op de elektrische toetsen door een waaier van strijkers naar voren wordt geschoven, is van hetzelfde laken een pak: vertrouwelijk en intiem als de werving voor een 06-lijn waarop je 'direct apart' kan, maar met een hese ondertoon van vers verdriet, geslagenheid zelfs.

Parlando: I just got finished giving the hotel manager back the room key and paid my bill. I was outside in the car in the shadows of the parking lot tellin' the woman I was with how happy she made me, kissin' and huggin'.

Hotel, parkeerplaats, schaduw, een anoniem blijvende vrouw: het is duidelijk, hier wordt het grote overspel-spel gespeeld. All of a sudden another car pulled up on the parking lot. But I couldn't believe my eyes, 'cause the woman that was sitting in the front seat beside another dude turned out to be my old lady. Dubbelspel!

'LORD!' roept de spreker uit en kan zich nog maar net bedwingen om niet uit zijn auto te springen, maar in die ene seconde dat zijn gezicht even uit de schaduwen opdook en, omlijst door het autoraampje, werd belicht door de lage zon van de zondige namiddag, hebben we hem al herkend: Don Covay, een van de meest briljante songschrijvers uit de soulmuziek ('Mercy Mercy', 'See Saw', 'Chain Of Fools'), oprichter van The Soul Clan (met Solomon Burke, Arthur Conley, Ben E. King en Joe Tex, een soort ratpack van het Atlantic-label) en vocaal het grote voorbeeld van Mick Jagger, die de vette jus die hij tijdens het zingen nog steeds hoorbaar van zijn lippen likt heeft overgehouden aan een soulfood dieet met Don Covay. Maar niemand kon het beter, pijnlijker getroffen, half verstikter van verdriet uitroepen dan hijzelf: 'Lord!', alsof de wereld vergaat, maar het lied gaat door. Er komt voor het gezongen refrein zelfs een tweede stem bij, een echo in falsetto, die als een nar de dramatiek in Covay's getuigenis bespot. I was checkin' ou-out, she was checkin' i-in. Let me tell you people, I was checkin' ou-out and-my-old-lady was checkin' i-in.

Een elementair tafereel uit het Theater van de Lach - dat kluchtige kaartenhuis van list en bedrog waarin iedereen met iedereen balletje-balletje-in-de-liefde speelt - ontvouwt zich.

Covay recapituleert: I was with my other woman and she was with her boyfriend. Zij wachtte in de auto, terwijl hij een kamer nam. Ik wilde iets tegen haar zeggen maar kon het niet, 'cause the woman I was with (komt er nu, met door het slagwerk van uitroeptekens voorziene horten en stoten uit): yes-she-was MARRIED TOO! De krakende linedrive van de slagman wordt in een reflex gevangen door de korte stop, die eerst de hem juist op dat moment passerende honkloper uittikt om vervolgens in één vloeiende beweging de bal door te gooien naar één, waar de tweede loper sneuvelt. Driedubbelspel!

Lord!, de ironie, I was checking out, she was checking i-i-in. Zij zou thuisblijven om op de kinderen te passen, en nu zijn ze elkaar allebei ontrouw, maar het ergste is nog, I'll have to go on being blind, I can't reveal her guilt, niet omdat zijn eigen bedrog anders uit zou komen, maar omdat het bedrog van de vrouw waarmee hij zijn vrouw bedriegt dan ook uit zou komen. Een wel zeer speciaal geval van de moraal die onder druk van de lust zo ver ombuigt dat ze in haar eigen staart bijt. En dat is precies waarom je van zo'n nummer zo vrolijk wordt: we zien de vervelende, recht in de leer zijnde baas graag onderworpen aan de grillen van zijn losbandige onderdanen, die hem naar het pijpen van een ouder, donkerder en wijzer lied laten dansen. Onbedaarlijke aardse liefde is de gospel van de soul.

De overspelige Covay heeft zich ondertussen wel mooi in een hoek geverfd, en zoekt tegen het slot een uitweg door van de al te verwarrende driedubbele moraal terug te vallen op die goeie ouwe dubbele. It hurt me so bad, kreunt hij op de rand van verdriet en genoegen, nadat hij heeft moeten toezien hoe de manager van het hotel zijn vrouw en haar vriend ook nog eens dezelfde kamer toewees, die hij en zijn vriendin net ontruimd hebben; what a terrible blow it was, en dan, om nog iets van zijn eigen waardigheid te redden, toch maar snel een morele verdieping lager zakkend, what a terrible thing to do to a MAN.

Maar juist als hij denkt zich als Achilles mokkend te kunnen terugtrekken in de tent van zijn zelfrechtvaardigende morele verontwaardiging over het feit dat zij, een vrouw, zijn vrouw, het bestaat om hem, een man te bedriegen, wordt hij verraden door zijn tweede stem, de spotvogel die, nog net hoorbaar in de fade out - op een moment dus dat hij niet meer kan worden tegengesproken - kraait: And she was smiling. She never smiled, but now she was. Smiling.