Het temmen van een sculptuur; Museum Boymans-van Beuningen onder het bewind van Wim Crouwel

Wim Crouwel, bijna ex-directeur van Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam, voerde een beleid dat in de toonaangevende Nederlandse musea zeer in onbruik is geraakt: hij delegeerde vérgaande verantwoordelijkheden. Het gevolg is dat de afdeling moderne kunst van het Museum Boymans haar eigen gezicht heeft verloren.

Na acht jaar neemt Wim Crouwel (65) dit weekeinde afscheid als directeur van Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam. Crouwel, grafisch ontwerper, is een functionalist in hart en nieren. De afgelopen jaren liet hij niet na het in interviews steeds te benadrukken: hij is een man van analyse en logica. Zijn afscheidstentoonstelling gaf hij dan ook als titel: 'Schoonheid en transparantie, logica en vernuft'. De door hem gekozen voorwerpen, alle ontworpen in zijn geboortejaar 1928 zijn evenzovele uitingen van het functionalisme.

Het vertrouwen in redelijkheid ging gepaard aan een vertrouwen in onderlinge samenwerking van staf- en personeelsleden. Crouwel voerde een beleid dat in de toonaangevende Nederlandse musea zeer in onbruik is geraakt: hij delegeerde vèrgaande verantwoordelijkheden. Als zijn belangrijkste wapenfeit beschouwt Crouwel dan ook de interne reorganisatie van het museum. De conservatoren van de vier afdelingen - moderne kunst, oude kunst, toegepaste kunst en design, en het prentenkabinet - kregen bijna volledige vrijheid in het voeren van hun eigen aankoop- en expositiebeleid. Dat Crouwel zich daar niet mee bemoeide hing samen met het feit dat hij vond dat hij niet voldoende op de hoogte was van de kunst.

Deze bescheiden opstelling blijkt ook uit de inspanning die Crouwel zich getroostte voor zaken die voor de buitenwereld niet onmiddellijk zichtbaar zijn en een directeur niet veel prestige opleveren. De afdeling Oude Kunst begon bijvoorbeeld aan een nieuwe inventarisatie van de collectie, wat tot op heden resulteerde in vijf fraaie bestandscatalogi. En een aanzienlijk deel van het budget werd opgeslokt door hoognodige verbeteringen aan het oude deel van het door A.J. van der Steur ontworpen museum uit 1935, zoals nieuwe deuren en raamkozijnen.

Alleen in twee gevallen heeft Crouwel zich willen doen gelden: met de aanbouw van een nieuwe entree, en, vooral, met de aanbouw van het paviljoen van Beuningen-De Vriese. Hier doet zich echter het vreemde feit voor dat de helderheid, het vernuft en de logica waar Crouwels hart naar uitgaat, nauwelijks gestalte hebben gekregen. Ik ken geen museum met zo'n weinig inzichtelijke route als het Boymans, en ik ken geen museum met zo'n onlogische en onaangename entree.

Alexander Bodon, architect van de nieuwe vleugel (1963-72) bestemd voor de moderne kunst, voegde in 1991 aan de noordkant van het museum de nieuwe entree toe. Wie hier binnenkomt bevindt zich in een zielloze en ongestructureerde ruimte. Rechts is een opeenhoping van tafeltjes en een toonbank die voor restaurant moeten doorgaan. Het is er permanent benauwd en stinkerig. Een eindje verderop, in wat ooit de beeldhouwzaal was, staan op onduidelijke wijze wat vitrines bijeen; wankele rieten schotjes moeten een niet-functionerende tapkast aan het oog onttrekken. Links is de boekenwinkel die kampt met het probleem van al die ramen rondom, waarvoor dus stellingen zijn geplaatst. De kassa blijkt verstopt achter een beeld van Richard Serra (waarover straks meer).

Het paviljoen Van Beuningen-De Vriese is aan de tuinzijde van het museum gebouwd. Crouwel streefde met dit paviljoen van architect Hubert Jan Henket een zo groot mogelijk contrast met het gebouw van Van der Steur na. Het werd opgetrokken van glas en staal tegen een muur van donkere bruinrode baksteen. Transparant, ja, maar vernuftig? Hier doet zich hetzelfde probleem voor als in de boekenwinkel: de ruimte ontbeert gesloten wanden. Dit betekent dat het zonlicht onbekommerd naar binnen stroomt, zodat je met de rug naar de ramen moet staan om de voorwerpen te kunnen zien.

Zee van ruimte

Crouwel hield niet van het gebouw van Van der Steur. Maar de gang, waarvan nu blikrichting en doorgang belemmerd zijn, is prachtig en sober, met zicht op de tuin en heel mooi licht. Het museum van Van Der Steur is veel functioneler dan dat van Bodon. Het is een naar binnen gekeerde architectuur. Zalen en enfilades van kleine kabinetten wisselen elkaar af. Het daglicht is doeltreffend, vooral boven, waar het getemperd via daklichten naar binnen valt. Maar helaas wordt ook hier, met name op de kunstnijverheidsafdeling, het zicht op de architectuur benomen door vitrines en nog eens vitrines.

De moderne-kunstafdeling is voor tentoonstellingen min of meer aangewezen op de grote open zalen van Bodon. Een zee van ruimte waarin de meeste kunstwerken reddeloos verloren zijn. Bodon bouwde zijn museum in de tijd dat het van belang geacht werd om het museum 'open te breken'. De glazen wanden moesten er voor zorgen dat voorbijgangers vanaf de straat konden zien wat zich daarbinnen afspeelde. Het was ook de tijd van Beuys-achtige happenings en andere grensverleggende projecten die veel ruimte behoefden.

Die tijd is voorbij. Veel hedendaagse kunst zou beter tot zijn recht komen bij Van Der Steur. Walter de Maria ontwierp onder Crouwels voorganger Wim Beeren een zeldzaam schitterend beeld voor de Bodon-zalen. Het zou van durf getuigen om daar voorlopig een vaste opstelling van te maken en de wisselende exposities onder te brengen in het oude gedeelte. Op die manier kunnen de conservatoren tevens een hiërarchie in het expositiebeleid aanbrengen in plaats van iedereen, rijp en groen, gelijkelijk uit te leveren aan de zee van Bodon.

Dit brengt mij bij het droevigst stemmende gevolg van Crouwels aanpak. Het museum mag onder Beeren in organisatorisch opzicht chaotisch geweest zijn, uit het expositiebeleid sprak visie en hartstocht. Alle goede voornemens ten spijt heeft de afdeling moderne kunst onder Crouwel haar eigen gezicht verloren. Er worden geen keuzes gemaakt, het is onduidelijk wat de conservatoren echt belangrijk vinden en wat minder.

De tentoonstellingsserie van jonge Amerikanen van de afgelopen jaren (Gober, Wool, Prince en anderen) verandert hier weinig aan. Ze missen in het museum een inhoudelijke context, of zo die er al is - misschien wordt aansluiting gezocht met Judd, Nauman, Oldenburg en De Maria, zwaartepunten in het beleid van Beeren -, dan wordt die niet duidelijk gemaakt. Zo langzamerhand ontstaat de indruk dat wat deze Amerikanen betreft krampachtig vastgehouden wordt aan een nu eenmaal ingeslagen richting.

Beroemd

Werkelijk markante momenten, ontbreken. Dit kan niet worden goedgemaakt door eens in het jaar een beroemde persoon uit te nodigen die naar believen uit de collectie een expositie mag samenstellen. Van die gastexposities was alleen de eerste, van de ervaren tentoonstellingsmaker Harald Szeemann, geslaagd. Het museum moet zelf een duidelijke visie op zijn collectie hebben. Ik herinner mij daar één mooi voorbeeld van, de tentoonstelling Wegbereiders van het Modernisme, Ensor, Hodler, Kruyder, Munch. Deze was gebaseerd op hetgeen het museum bezit aan expressionistische kunst, aangevuld met bruiklenen. De combinatie van de vier schilders was verrassend, en de collectie werd ermee voor het publiek opengelegd. Met dit soort exposities zou het museum zich kunnen profileren. Maar dat gebeurt nauwelijks. Milan Kunc, Enrico Baj, Robert Combas, Julio Galan en anderen werden aangekocht als voortzetting van de prachtige verzameling surrealistische kunst in het Boymans, maar wat heeft het publiek hiervan, afgezien van een enkele zeldzame presentatie, op een overtuigende manier teruggevonden in het expositiebeleid?

Waar het op neer komt, is dat ondanks al die exposities, je nooit het gevoel krijgt dat de moderne kunst voor het Boymans een zaak van levensbelang is. Voorheen was dat wél het geval. Dit alles wordt gesymboliseerd door de wederwaardigheden van de Serra-sculptuur. De 'Wassende Bogen', twee monumentale, onwrikbare stalen platen die een hele zaal in beslag nemen, geplaatst in de periode-Beeren, waren misschien onpraktisch. Provocerend misschien ook, maar wél in de geest van Richard Serra. De oorspronkelijke kartonnen tekstbordjes met een verklaring van Serra hangen er nog steeds, beduimeld en wel. Ik citeer: “De ervaring van de sculptuur voltrekt zich geheel binnen de begrenzing van de toegemeten ruimte.” Zo was het ooit, en dit is precies waar het bij Serra om gaat, het wringen van het beeld binnen de grenzen van de toegemeten ruimte. Zo is het nu niet meer. De ruimte is immers in omvang verdubbeld met de 'serre' van Bodon. Maar dat niet alleen: de bogen zijn tegenwoordig in dienst als entree naar de kassa. Het beeld is getemd, zijn zeggingskracht en betekenis zijn het ontnomen. Het is design geworden. Het had van meer begrip en respect voor het kunstwerk getuigd om het dan maar weg te halen.

Het museum en de stad Rotterdam weifelen nog steeds over hetgeen van de nog te benoemen opvolger van Crouwel verwacht mag worden. Er bestaan volgens de deskundigen twee soorten managers: de operationele en de strategische manager. De operationele manager zet een structuur op, zorgt ervoor dat de organisatie in orde is; maar een inhoudelijke visie heeft hij niet. Bij de strategische manager is het andersom. Hij heeft een visie, maar overleg en structuur gaan hem moeilijker af. We hebben met Crouwel een operationele directeur gehad die op voortvarende wijze een broodnodige interne reorganisatie heeft doorgevoerd. Is het museum dan nu niet méér gebaat bij een strategische directeur?

    • Janneke Wesseling