De tijd is niet zo onzettelijk; Peter Ackroyd en de ervaring van het verleden

Peter Ackroyd: The House of Doctor Dee. Uitg. Hamish Hamilton, 277 blz. Prijs ƒ 34,90

Soms zijn de sprongen van de verbeelding in Peter Ackroyds werk een tijd lang even zorgeloos te volgen als die van wijlen Angela Carter. De wonderbaarlijke gebeurtenissen die hij beschrijft lijken dan net als de hare bedoeld om de gedachten van de lezer uit de plooi te halen en mee te nemen naar een wereld waar de hand gelicht kan worden met natuurwetten.

Zo is het niet. Bij Ackroyd zit er meer achter. Aan het eind van The House of Doctor Dee zegt zijn verteller Matthew onomwonden tegen een halfgevormd denkbeeldig menselijk wezen dat op een hek zit: jij bent een verzinsel van hen die geloven in de werkelijkheid van de tijd en de macht van de stoffelijke wereld, en eigenlijk bestaat er a higher life by far, quite beyond the passage of time.

Daar is deze romanfiguur dan van overtuigd; de lezer nog niet helemaal, maar die heeft ook veel beleefd in de loop van het verhaal. Matthew erft van zijn vader een huis in Clerkenwell, aan de oostkant van de Londense City, dat in de zestiende eeuw blijkt te hebben toebehoord aan John Dee. Dee heeft werkelijk bestaan, net als vele figuren in het eerdere werk van Ackroyd (de architect Hawksmoor, de dichter Chatterton, de componist Dowling). Hij leefde van 1527 tot 1608 en was bekend als wis- en sterrenkundige maar ook als astroloog en alchemist; hij had Faustiaanse trekken, in Ackroyds boek nog sterker dan in de werkelijkheid.

Dee is de tweede verteller van de roman. Nadat wij door onze tijdgenoot Matthew het huis hebben leren kennen wisselen zij elkaar af, dus het verhaal gaat heen en weer tussen nu en vierhonderd jaar geleden. Bij Ackroyd betekent dit niet dat het in twee gescheiden perioden speelt; of om precies te zijn, dat betekent het wel en het betekent het niet. Alleen in een vlakke alledaagse opvatting van de wereld is de tijd voor hem een onverzettelijke werkelijkheid. Indringende waarnemers kunnen contacten leggen door de eeuwen heen; zelfs niet erg scherpe opmerkers zullen af en toe ondervinden dat wij leven in de geschiedenis. 'History only exists in the present,' zegt Matthew.

In hoeverre zou Ackroyd daarmee instemmen? Hij is niet verplicht om zich aan de opvattingen van zijn personages te conformeren, maar hij werkt nu al meer dan tien jaar varianten op deze gedachte uit; en Matthew zegt het niet zomaar, hij heeft een verscheidenheid van historische ervaringen gehad in Clerkenwell. Tegen het eind ruikt hij bij terugkeer in het huis een brandlucht waar hij tevergeefs door alle kamers heen een verklaring voor zoekt. Er is niets aan de hand. De lucht die hij ruikt komt van een brand vierhonderd jaar geleden, en hij hoort achter een deur Dee erover praten, maar als hij daar kijkt is er niemand.

Kennisdrift

Ackroyds Dee is een zoeker naar een inzicht en een scheppend vermogen (hij wil een levend wezen maken) die de mens niet toekomen, totdat hij door de dood van zijn vrouw tot bezinning gebracht wordt en de wereld leert zien in een stemming van liefde die zijn kennisdrift overwint. Hij vindt dan dat hij genoeg geleefd heeft; hij wandelt naar de Theemsoever en 'I stood there for an eternity, until I had changed and become someone other.'

De ander is Matthew, die als vanzelf zijn stem overneemt. Matthew was zelf geen zoeker naar wijsheid, maar hij is aangestoken door de geest van Dee in zijn huis en hij deelt tenslotte diens begrip van tijd en tijdloosheid. De waarheid is, heeft de vrouw van Dee uitgelegd toen zij na haar dood nog eens verscheen, 'that the imagination is immortal, and that thereby we each create our own eternity.' Dee heeft dat begrepen, en Matthew weet het nu ook.

Dat Ackroyd alle ervaringen van zijn twee vertellers glashelder in hun verband zet zou niet gezegd kunnen worden. De onderdelen van het verhaal, wat er gebeurt en wat de personen beleven, tekenen zich op zichzelf duidelijk af. Hoe ze bij elkaar horen en hoe ze zich verhouden tot de banale werkelijkheid van gewone dagen begrijpt de lezer niet aldoor. Van een andere schrijver zou dit tot ergernis en onwil om verder te lezen kunnen leiden. Van Ackroyd is het aanvaardbaar. Met zijn speurende kort aangebonden manier van vertellen houdt hij de verwachting in stand dat er iets heel geheims onthuld gaat worden; en zo niet, dat er tenminste weer een beleving onder woorden gebracht zal worden die de gedachten verheldert, of een tafereel beschreven om naar te blijven kijken.

De eerste van die belevingen komt meteen al aan het begin wanneer Matthew zijn leegstaande erfenis komt ontdekken en een gewaarwording heeft alsof hijzelf en het huis om hem heen onttrokken zijn aan de werkelijkheid van de stad.

Van de taferelen is een van de bezienswaardigste een maaltijd waar Dee zijn vrouw aanspreekt als tegelijk levensgezellin en bediende; een andere wanneer hij in een bordeel de hem toegedachte Marion laat vlooien en wassen op zijn gedetailleerde instructies, totdat hij voorbarig klaarkomt.

Een voorbeeldig afgerond kunstwerk, een eenheid als een juweel wordt zo'n boek van Ackroyd niet. Het moet liever gezien worden als een bouwsteen van een oeuvre dat misschien nog eens zijn bekroning zal vinden in een openbaring waarin alles harmonisch verenigd wordt.

In ieder geval is te verwachten dat Ackroyd voortgaat met zijn inspanning om de onbekende werkelijkheid te benoemen en de onzegbare ondervinding uit te drukken. Daarmee laat hij zijn lezer een levend besef na van tijd en geschiedenis, en een beeld van hemzelf als een schrijver die zich nooit vergenoegt met verhalen waar een ander ook mee aan had kunnen komen.