De theaterfoto's van Kors van Bennekom; Tegen de vluchtigheid

De theaterfoto's van Kors van Bennekom hebben al talloze mensen naar de schouwburg gelokt. Zijn foto's van toneelscènes roepen in één beeld een hele voorstelling op, zowel vooraf, als achteraf. Voorstellingen blijven zo, in zwart-wit, bewaard.

Kors van Bennekom: Twee planken en een hartstocht. Vijfendertig jaar theaterfotografie. Woord vooraf door Ischa Meijer en begeleidende tekst van Loek Zonneveld. Uitg. Thomas Rap. 196 blz. Prijs fl 80,-

Er is altijd veel geklaagd over de vluchtigheid van het theater. Door de toeschouwers, de regisseurs en niet in de laatste plaats de toneelspelers zelf. Valt het doek na de laatste woorden suizelend in plooien neer en verjagen de zaallichten de betovering die zojuist nog heerste in het schemerduister van de schouwburg, dan is die ene voorstelling onherroepelijk voorbij. Acteurs die dood waren gestoken, vergiftigd, dan wel zichzelf in het houten toneelzwaard hadden gestort, veren overeind om het applaus in ontvangst te nemen.

In luttele seconden draait de wereld een halve slag om: een verzonnen werkelijkheid die zich afspeelt in een denkbeeldige tijd maakt plaats voor de werkelijkheid van het ophalen van de jas bij de garderobejuffrouw, van een blik op de klok om te weten hoeveel tijd er nog rest voor de laatste trein of tram en, eventueel, in welk etablissement bij een glas nagepraat gaat worden.

Ik zal nooit wennen aan die vliegensvlugge overgang. De voorstelling is herinnering geworden; en het is vanuit de herinnering dat we erover nakaarten, scènes opnieuw beleven, mooie momenten voor de geest halen en, vaak in een flits, de vertoning doorgronden.

Al het geklaag ten spijt, is het een fabel dat de vluchtigheid van theater iets tragisch heeft. Integendeel, het scherpt een van de subliemste vaardigheden van de menselijke geest: het vermogen te verwijlen in de herinnering, gebeurtenissen te kunnen oproepen die in letterlijke zin niet meer bestaan.

Van toneel blijft eigenlijk onnoemelijk veel bewaard, schatkisten vol, zolders afgeladen met knipselmappen, pakhuizen tot aan de nok gevuld met beschouwingen, tekstboeken, maquettes, schilderijen van gevierde toneelspelers, kostuums, decorstukken. In archieven heeft de toneelgeschiedenis een veilig heenkomen gevonden. Al sinds halverwege de vorige eeuw lieten toneelspelers zich bovendien fotograferen. Geposeerde opnamen, gemaakt in de ateliers van de fotografen. Met behulp van een staketsel om hoofd en rug te steunen, konden ze roerloos blijven staan: de belichtingstijd was lang.

De fotografie is het scherpste wapen tegen de vermeende vluchtigheid van het theater. Eén enkele scènefoto, een detail, een in een fractie van een seconde vastgelegde handeling, roept de uitvoering opnieuw op. Het gaat verder. Een foto van een repetitie of van een voorstelling die ik nog niet heb gezien, geeft op miraculeuze wijze toch een beeld van het geheel. Alsof ik er wel bij was.

Opmaat

Misschien vergaat het velen zoals mij: ik bewaar sterke herinneringen aan de theaterfoto's die Kors van Bennekom (1933) al jarenlang maakt voor de Amsterdamse Uitkrant, voor dagbladen en voor de vitrines van schouwburgen. Omdat de Uitkrant, de gids voor uitgaande Amsterdammers, altijd ruimschoots voor de première verschijnt, moet Van Bennekom repetities bijwonen. Hij is vaak de eerste toeschouwer. Zijn repetitiefoto's zijn nooit wervend of geposeerd; ze bieden de theaterbezoeker een opmaat voor wat later op de planken valt te beleven aan sfeer, handeling, beweging.

Kors van Bennekom werd in het begin van de jaren zeventig de 'hoffotograaf' van het Publiekstheater. Als ik denk aan de voorstellingen van dat gezelschap, dan verschijnt mij bijna altijd een van de foto's die Van Bennekom nam: via zijn oog en camera blik ik terug. Dat is een wonderlijke ervaring. Al die beweeglijkheid gevangen in een enkele afdruk. Het is te vergelijken met de manier waarop je aan een afwezige geliefde denkt, of probeert te denken. Als haar gezicht je telkens ontsnapt, dan kan de herinnering aan het vastomlijnde beeld van een foto troost bieden.

Contrastrijk

Zojuist verscheen Van Bennekoms fotoboek Twee planken en een hartstocht. Vijfendertig jaar theaterfotografie. Als ik het doorblader, is het of de jaren zeventig en begin tachtig van het toneel in Amsterdam weer tot leven komen, toevallig die jaren dat ik het toneel ontdekte. Het waren zelden de veel te hoog van de toren geblazen teksten in de Uitkrant die me naar het theater lokten. Het waren de contrastrijk afgedrukte zwart-wit foto's van de man met de vreemde voornaam die me 's avonds tegen half acht deden besluiten naar de schouwburg te gaan. Die roepnaam Kors is trouwens de achternaam van zijn moeder.

De ontdekking kwam doordat mijn oog viel - waar was het? in de Uitkrant of in de vitrine van de Stadsschouwburg? - op een van de wonderlijkste en mooiste theaterfoto's die ik ken: een kleine, clownesk uitgedoste springende man die een helderwitte banier door de lucht zwiept, vanaf zijn voeten tot ver boven zijn hoofd. Het lijkt of hij staat op die banier: de linkervoet valt samen met het eindpunt. Hij is zwart-wit gekostumeerd, zoals de hele foto een feest in zwart-wit is. Hij is uitgelaten en opgetogen, gewichtloos buitelend door de lucht, aan elke zwaarte ontstegen, springend vanaf een golvende ondergrond. Het lijkt te regenen om hem heen. In verticale zilverwitte draden, ijl als van een spinneweb.

De opname is gemaakt tijdens een repetitie.

Hoe verstild de foto ook is, er raast beweging doorheen. Dit bleek dus ook toneel en zoiets had ik nooit eerder gezien. De uitgelaten acteur is Lou Landré als Puck uit Shakespeares Midzomernachtsdroom, de eerste voorstelling van het Publiekstheater, geregisseerd door Hans Croiset.

Het decor, ontworpen door Niels Hamel, betekende een breuk met alle eerdere uitvoeringen van deze romantische en tegelijk wrede liefdesfantasie. Zwoele bosschages met door groen lover gefilterd licht ontbreken. De buitelende Puck mag dan het erotische vuur in de kil geworden harten van de mensen ontsteken, hij is ook boosaardig en maakt in een handomdraai van een liefdesdroom een nachtmerrie. Het zit allemaal in deze ene foto. De gezichtsuitdrukking van Landré is niet onverdeeld zachtaardig; die is ook op een bedreigende manier gretig en met iets nijdasserigs.

Kors van Bennekom zoekt de plaatsen waar de spelers zich bewegen. Soms is hij te vinden tussen de coulissen, vaak verschanst hij zich achter op het toneel zodat hij fotografeert in de richting van het publiek en tegen de spots in. Toneellichten die als helwitte zonnen de bovenzijde van een foto afbakenen, benadrukken in zijn werk de kunstmatige wereld van het theater. Ook spiegels vervullen de rol van metafoor. Toneel immers is als een spiegel. Het gordijn, het openschuivende en dichtvallende doek waarmee toneel begint en eindigt, is een ander symbool dat veelvuldig optreedt.

Die voorkeur voor buitenissige invalshoeken leidt bijvoorbeeld tot een foto als van acteur Guido de Moor tegen de armzalige, kale bakstenen muur van het repetitielokaal. Of het portret van prima ballerina Alexandra Radius, zittend op de grond van het Muziektheater. Ze is achter de coulissen. De danseres viert haar dertigjarig jubileum-optreden in 1987. Het toneelgordijn is nadrukkelijk zichtbaar. Ze schikt iets aan haar rechtervoet. Vlak voor haar, als een dreigend object, staat een wagentje op zwenkwieltjes dat stopcontacten en elektriciteitssnoeren bevat. Van opzij valt er licht op haar gezicht, theaterlicht. Geen flitslicht. Haar tutu raakt de grond. Een foto zonder glamour, slechts opgebouwd uit elementen die het toneelleven buiten het zicht van de toeschouwer behelzen. Toch drukt de opname alles uit wat met theater te maken heeft.

Geschoten

Elke geposeerde foto is een foto van iemand die zichzelf in een rol dwingt, en zich daardoor tekort doet. Hij kijkt naar zichzelf met de blik van de fotograaf. Hij is bang betrapt te worden en neemt, uit angst, een pose aan. De tijd is welbewust stilgezet, de houding welbewust gekozen. Kors van Bennekom is niet alleen theaterfotograaf. “Ik ben fotograaf,” zei hij eens. “Is er enig verschil tussen het fotograferen van theater op de planken en het theater buiten de schouwburgen?”

Het moet aan Van Bennekoms verleden als straatfotograaf voor De Waarheid te danken zijn, dat de gefotografeerde mensen nooit de indruk wekken op onheuse wijze 'geschoten' te zijn. Het is alsof je de lijn van hun leven aan de foto kunt aflezen; ze zijn in iets verdiept en zullen daarmee, ook na de foto, doorgaan. Niet onderbroken. Zoals op het aangrijpende portret van een oude man, van opzij gefotografeerd met de lichtval trefzeker op de samengeklemde lippen, die in 1961 in een verstikkende mengeling van droefheid en opstandigheid, van pijn om wat voorbijgaat en angst voor het nieuwe de afbraak gadeslaat van de galerij van het voormalige Paleis voor Volksvlijt. Op die plaats aan het Weteringcircuit moest de hoogbouw verrijzen voor De Nederlandsche Bank.

Een toeschouwer zal zelden de wereld achter de coulissen gadeslaan of de intimiteit bijwonen van een repetitie. Evenmin zal een toeschouwer de zinnelijke gebaren kunnen zien van het schminken vooraf of de vermoeidheid die in de kleedkamer toeslaat na de voorstelling. Voor wie ooit deze geheime wereld heeft betreden, is die misschien wel de mooiste, de meest theatrale ook omdat rol en persoonlijkheid, masker en eigen gezicht van de acteur elkaar daar treffen. Het is een niemandsland waar de toneelwetten van het spel nog gelden maar waar ook de onttoverende alledaagsheid begint.

Hoe een fotograaf het voor elkaar krijgt, weet ik niet. Is het eenvoudige brutaliteit, is het een zaak van vertrouwen? In elk geval heeft Kors van Bennekom zich met een van zijn drie camera's (de gewone, die met de groothoek en die met de telelens) toegang verschaft tot de kleedkamers van balletdanseressen, van Adèle Bloemendaal, Leen Jongewaard, van Ton van Duynhoven en Guus Hermus.

Hij fotografeerde Han Bentz van den Berg in de zaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Een eenzame man omringd door lege stoelen. Hij woont als regisseur een repetitie bij in 1968. Een jaar later was hij opgebrand, de tomaten waren hem en zijn gezelschap de Nederlandse Comedie hardhandig om de oren gevlogen. Ik vraag mezelf af of het daarom is dat dit portret, zonder dat ik het wil, een klein luikje naar het domein van het sentiment in me doet openklappen. Of is het puur de compositie? De aandachtige man omgeven door de ritmische aaneenschakeling van zo'n dertig stoelen zonder toeschouwer? Hoevelen zijn er nu die zijn naam nog kennen?

Opeens vraag ik me af of het wel gerechtvaardigd is te zeggen dat Kors van Bennekom de personages in zijn fotografische oeuvre niet betrapt, zoals op het eerste oog lijkt. Ze zijn wel degelijk in agressief zwart en helderwit afgebeeld. Voorgoed en onontkoombaar. En dat is met zo'n genadeloze precisie gedaan, dat het portret zich loszingt van de geportretteerde, de foto zelfstandig wordt en zich losmaakt van dat ene moment. Dat heeft iets huiveringswekkends, iets onverbiddelijks ook. Ik geloof toch dat fotografie een hard genre is.

En dwingend. Ik herinner me de uitvoering van de Midzomernachtsdroom door de zeggingskracht van die enkele foto van Puck, de aanjager van de liefde.

Misschien heb ik die voorstelling nooit gezien. Droom ik die alleen maar, met alle list, vluchtigheid en bedrog het theater eigen.

    • Kester Freriks