De dolle mullahs III

De tweede dolle mullah heet ook Stolk, C.J. Stolk van Nieuwsmagazine, het 'officiële orgaan van de Stichting Japanse Ereschulden'. In Nummer 3, September 1993, schrijft hij: “Ik ben boos op Kousbroek, omdat hij enkele jaren geleden wijlen Mr. Dr. Leo Jansen, van wie dagboeken zijn gepubliceerd onder de titel 'In deze halve gevangenis', in NRC-Handelsblad 'de meest briljante ambtenaar die ooit bij het Indische Gouvernement heeft gediend' noemde. Jansen heeft zich namelijk vrijwillig gemeld als medewerker bij de Japanse bezettingsmacht in 1942, samen met Zimmerman van de Legervoorlichtingsdienst, Ritman, Gleichmann en anderen. Zij moesten radio-berichten afluisteren van de BBC en de ABC en via de radio Japanse orders bekend maken.”

De levensgeschiedenis van Leo Jansen is geen eenvoudige zaak, maar deze passage bevat meteen al een opvallende onwaarheid. Jansen heeft zich voor dat werk bij de Japanse afluisterdienst 'namelijk' niet vrijwillig gemeld. Moedwil of onkunde? Wat hier blijkbaar door elkaar wordt gehaald is dat Jansen, die Japans sprak en als Secretaris van de Raad van Indië enkele vooraanstaande Japanners kende, tijdens de chaotische omstandigheden van de capitulatie zijn hulp als tolk heeft aangeboden, en het feit dat Jansen later werd gedwongen om te werken bij de afluisterdienst van de Japanse radio; in bezet Nederland zou dat laatste misschien als collaboratie kunnen gelden, maar alleen verregaande onbekendheid met de realiteit van de Japanse bezetting maakt het mogelijk het voor te stellen of dat daar en onder die omstandigheden ook zo was.

Van twee dingen één: of C.J. Stolk heeft geen flauw benul van die omstandigheden en beoordeelt de situatie verkeerd uit onkunde; of hij kent die omstandigheden wel en dan is het een bewuste leugen.

Volgens mij het laatste. De kwestie is namelijk dat in het boek dat hij zelf noemt, In deze halve gevangenis, geannoteerd en ingeleid door Dr. G.J. Knaap, duidelijk en aan de hand van alle beschikbare gegevens wordt beschreven hoe Jansen bij de Japanse radiodienst terecht is gekomen. Stolk vermeldt dat niet en citeert het niet: hij gaat er, zoals demagogen wel vaker doen, kennelijk van uit dat de mensen het toch niet zelf zullen nalezen. Als ze dat deden zouden ze zien dat Jansen na de installatie van het Japanse gezag al snel werd gezocht en opgespoord; er werd van hem verlangd dat hij voor de radio een propagandatoespraak zou houden die voor het buitenland bestemd was. Toen hij dat weigerde werd hij gevangen genomen en mishandeld door de Kempeitai; niettemin volhardde hij in zijn weigering. Daarna werd hij opgesloten in de Struyswijk gevangenis, waar hij tenslotte weer uit werd gehaald en tewerkgesteld bij de Japanse luisterdienst. Het alternatief was niet de internering maar de Kempeitai. Dit alles wordt door Stolk eenvoudig verzwegen.

Het hypocriete is dat dit lijkt te impliceren dat mensen als hij, Stolk, zoiets zouden hebben geweigerd en moedig brani mati, de heldendood, hadden verkozen. Welnu, als dat zo was had geen KNIL-militair de Japanse bezetting overleefd.

Dat deze voorstelling van zaken moedwillig is valt ook af te leiden uit het feit dat Stolk, om die uitspraak van mij over Jansen te kunnen citeren, naar men mag aannemen ook de rest van het artikel heeft gelezen (de tekst is opgenomen in Het Oost-Indisch Kampsyndroom, blz 331-341). Daarin schreef ik dat het “eigenlijk niet duidelijk is waarom het werk voor de Japanse luisterdienst beschouwd zou worden als collaboratie en het werken aan een spoorweg voor de Japanners niet”. Krijgsgevangenen hebben voor de Japanners vliegvelden aangelegd, spoorbruggen gebouwd, op scheepswerven en in de mijnen gewerkt, hetgeen (terecht) niet gezien wordt als collaboratie. Waarom het werk van Jansen wel? Omdat het minder onaangenaam was en hij (aanvankelijk) niet geïnterneerd werd?

Als C.J. Stolk een fatsoenlijk man was zou hij een antwoord op deze vragen hebben gegeven; niet nu achteraf, maar op het moment dat hij deze beschuldigingen formuleerde en met verontwaardiging schreef dat Leo Jansen nota bene 'ligt begraven op het ERE-kerkhof Menteng Poelo te Jakarta!!'

Wat Stolk daar zegt is, er is geen ander woord voor, infaam. Jansen ligt daar namelijk omdat hij werd doodgemarteld door de Kempeitai.

Zelfs postume eer gunt Stolk hem niet. Mij dunkt dat je, voor je 't waagt om zoiets te zeggen, toch ten minste over een paar sterke argumenten en feiten moet beschikken, maar het enige waar Stolk mee aankomt is insinuaties. “Op pag. 9 van 'In deze halve gevangenis' ”, schrijft hij, “kan men lezen hoe de heren bij de Japanners werden ontvangen.” Maar wat daar dan wel staat vermeldt hij niet.

Wat kan men lezen op die blz. 9? Dat Zimmerman net als Verboeket met medeweten van zijn chef kort na de overgave in een brief zijn diensten heeft aangeboden aan de legerpropagandadienst. “Hij is nu in een soortgelijke positie als ik”, schrijft Jansen. Blijkbaar wilde Stolk het voorstellen of dat zijn beschuldiging bevestigt; maar wie de rest van het boek kent weet dat Jansen in die soortgelijke positie niet langs soortgelijke weg is gekomen. Overigens weigerde toen het er op aankwam ook Zimmerman te doen wat de Japanners van hem verlangden, waarna ook hij met de dood bedreigd, in Struyswijk opgesloten en door de Kempeitai mishandeld werd. Uit de hele passage blijkt bovendien dat Jansen Zimmermans handelwijze afkeurde.

Vandaar dat Stolk die bladzijde noemt, maar er niet uit citeert. Ze lezen het toch niet na, is zijn devies - en daar heeft hij waarachtig gelijk in ook, dat doet bij die Stichting Japanse Ereschulden blijkbaar niemand. Zo bestaat hij het om in dat artikel ook nog even te zeggen dat Jansen “in mei 1945 de schrik van zijn leven heeft gekregen toen hij zijn werk voor de Jappen deed en het woord oorlogsmisdadiger in een radio-uitzending hoorde.”

Het is ongelofelijk maar waar: een passage van deze strekking komt in het hele dagboek niet voor. Het eindigt op 11 maart 1945. Stolk heeft het eenvoudig uit zijn duim gezogen. Op 13 maart werd Jansen gearresteerd. Na te zijn ondervraagd en mishandeld werd hij overgeleverd aan de Kempeitai, waar hij zo ernstig werd gemarteld dat hij enkele dagen na de Japanse capitulatie aan de gevolgen overleed.

Wat bezielt deze C.J. Stolk? Ik kan voor deze blinde haat tegen Jansen maar een paar motieven bedenken: 1. Verongelijktheid over het feit dat Jansen nog vrij lang bepaalde voorrechten genoot terwijl de meeste mensen al geïnterneerd waren (daar is nog in te komen). 2. Woede over het relatieve begrip dat Jansen toont voor de Japanners; wat het dagboek interessant maakt is nu juist dat hij hen niet eenvoudig als de baarlijke duivel beschrijft, maar in kringen van de Japanse Ereschulden is dat waarschijnlijk zoiets als heulen met de vijand; voor ongenuanceerde Jappenhaters is het feit dat Jansen Japans kende vermoedelijk op zichzelf al verdacht, zo niet een vorm van collaboratie (ook uit de kampen zijn verhalen bekend over tolken die scheef werden aangekeken). 3. De aandacht die Jansen hier en daar in zijn dagboek besteedt aan het niet bepaald glorieuze gedrag van de strijdkrachten bij de Japanse inval. Twijfel aan de heldhaftigheid van het leger wordt door sommige oud-strijders uitsluitend opgevat in termen van landverraad, bezoedeling van de eer van de strijdkrachten, etc.

Je durft haast niet te denken dat er een onmiddellijk verband is tussen de hevigheid van anti-Japanse gevoelens en de mate van verdringing van het eigen verleden, maar als je dit artikel leest lijkt het er wel op. Want wat bevat het nog meer? Je kunt er apen mee vangen: een apologie van Kapitein Westerling.

“Voor 15 augustus 1945 landde Raymond Westerling op Noord Sumatra, per parachute. Hij kreeg in 1946 het bevel over het Korps (280 man) Speciale Troepen om Zuid Celebes te pacificeren. Dat deed hij in zeer korte tijd. Daarbij vielen nog geen driehonderd slachtoffers onder de leden van de terroristenbendes. Bij zijn vertrek, vier maanden na aankomst, werd hij door de dankbare bevolking uitgeleide gedaan. Het sprookje van de 40.000 doden is door Indonesische historici weerlegd.”

Nog geen driehonderd slachtoffers. Alleen al volgens de officiële Nederlandse rapporten waren het er 3856. De studie van IJzerdreef (De Zuid-Celebes affaire, 1984) komt tot een schatting van 6500.

Hoe is het mogelijk dat zulke dingen worden geschreven zonder dat iemand in eigen kring reageert? Wanneer een schrijver (Graa Boomsma) een vergelijking maakt die bepaalde mensen niet zint vliegen de messen uit de schede, maar bij aantoonbare leugens en laster als deze komen de eer en het geweten van diezelfde mensen blijkbaar volstrekt niet in het gedrang.

Nieuwsgierigheid naar wat er kookt en borrelt in de schedelpan van deze dolle mullahs is eigenlijk nog secundair bij wat je zou willen weten over de geestelijke vermogens van hun gehoor. Het beeld dringt zich op van een paar gestoorde en fanatieke onderwijzers die zich bezighouden met het opstoken en indoctrineren van een klasje achterlijke kinderen.

En het Woord is vlees geworden

    • Rudy Kousbroek