Boer moet de bakens verzetten

In de Nederlandse landbouw moeten de bakens fundamenteel verzet worden. Schaalvergroting, specialisatie, intensivering en bulkproduktie moeten plaats maken voor diversificatie, verbreed plattelandsondernemerschap en kwaliteitsproduktie.

Vier jaar geleden heeft veehouder Max van Tilburg (47) de bakens grondig verzet. Begin jaren zeventig had hij dat ook al eens gedaan. “Toen lag de toekomst in schaalvergroting, nu in duurzaamheid”, zegt hij op zijn boerderij achter de hoge Lekdijk bij Hagestein.

Tot 1970 had hij een kleine boerderij aan de rand van Vianen. In dat jaar kocht hij met zijn vader en broer een veel grotere, tweehonderd jaar oude boerderij vijf kilometer verderop. Zijn vader overleed vlak daarop en zijn broer is naar Groningen verhuisd. Van Tilburg heeft flink aan schaalvergroting gedaan: hij investeerde een paar miljoen in grondaankopen, ligboxenstallen, machines en vee. Hij begon met 16 hectare, nu heeft hij 51 hectare grond en 70 melkkoeien.

In de jaren tachtig ging Van Tilburg anders denken over boeren. Door de superheffing en de melkquotering werd uitbreiden minder vanzelfsprekend. Toen hij met Nederlandse boeren een reis naar Colombia maakte, werd hij getroffen door de gevolgen van de Europese overproduktie en de gesubsidieerde export. “Daar lag Nederlandse zuivel in de winkels, terwijl boeren uit de streek hun melk niet kwijt konden. Door de exportsubsidies van de EG werden ze van de eigen markt gedrukt. Dat is oneerlijke concurrentie.” Ook het slechte imago van boeren in de media (overschotten, milieuvervuiling) stoorde hem. Omdat 'ook boeren hun maatschappelijke verantwoordelijkheid moeten nemen', besloot hij het anders aan te pakken.

Hij schakelde over op ecologische landbouw. Eerst probeerde hij het uit, en toen het goed ging, is hij ermee doorgegaan. Over die ommezwaai is hij zeer tevreden. Economisch gaat het goed. Voor zijn melk krijgt hij nu 12 cent per liter meer. Op zijn melkquotum van 560.000 liter scheelt dat ruim 67.000 gulden. Kunstmest strooit hij niet meer. De opbrengst van zijn graslanden is er tien 10 procent door gedaald, maar daar staat een jaarlijkse besparing op kunstmest tegenover van 20.000 gulden. Met 80 kg. fosfaat per hectare zit hij ver onder de huidige milieunorm van 125 kg. “Als er nog eens een energieheffing komt, zit ik helemaal goed. Want het indirecte energieverbruik op mijn bedrijf is laag. Voor de produktie van kunstmest is namelijk veel aardgas nodig.” Ook op de veearts bespaart hij. “Ik probeer niet het maximale uit een koe te halen. Dat maakt ze minder kwetsbaar. Het is bij koeien net als bij Marco van Basten: als ze doorlopend topprestaties moeten leveren heb je vaak een arts nodig.” Voer verbouwt hij zoveel mogelijk zelf. Door de kosten flink te drukken heeft Van Tilburg bij een gelijkblijvend produktie toch een hoger inkomen weten te realiseren. Dat hij letterlijk en figuurlijk goed boert, laten cijfers van het Landbouweconomisch Instituut (LEI) zien. Dat lichtte vorig jaar zijn bedrijf door. Het bleek economisch kerngezond te zijn met een rendement van +5,7 procent op het totale vermogen terwijl de Nederlandse landbouw op gemiddeld -2 procent uitkwam.

Rendementen vindt Van Tilburg wel belangrijk, maar plezier in het werk evenzeer. 'Ik wil ook nog tijd over hebben om op mijn racefiets door de polder te fietsen en 's winters te marathonschaatsen.' Boven de houtkachel in de voorkamer hangt zijn Elfstedentochtkruisje. Echt op vakantie gaat hij niet, maar daar heeft hij ook geen behoefte aan, zegt hij. Want hij woont in een mooie streek en is veel buiten. Hij laat de houtsingels zien die hij heeft aangeplant. Er staan vooral veel struiken met allerlei soorten bessen 'omdat de vogels die zo lekker vinden'. Waar gaten gevallen zijn in een rij knotwilgen heeft hij nieuwe aangeplant 'voor de steenuilen'. De kanten van de poldersloten bemest hij niet meer; hij laat ze verschralen. Het aantal plantensoorten neemt er snel door toe. Er zijn al meer dan honderd soorten geteld. In het voorjaar staan de slootkanten in een weelderige bloei. Op zijn bouwland, waar hij maïs en binnenkort ook tarwe verbouwt om aan zijn vee te voeren, gebruikt hij geen bestrijdingsmiddelen. “Als de loonwerker vraagt hoe ik het onkruid weghoud, zeg ik altijd: 'Dat is nou de kunst van het boeren'.

Pag.12: Diversiteit is de sleutel voor de toekomst

Veel boeren zien de toekomst somber in, Van Tilburg niet. “Er zijn nog voldoende marges om er als boer iets van te maken. Al moet ik er wel bij zeggen dat ik het als veehouder op zavelige klei relatief gemakkelijk heb. Een akkerbouwer of een varkensboer op de zandgronden heeft het veel moeilijker.” Van een crisis in de landbouw is bij Van Tilburg weinig te merken. Volgens de Wageningse landbouwsocioloog prof. Jan Douwe van der Ploeg moeten meer boeren, net als Van Tilburg, de bakens verzetten. Schaalvergroting, specialisatie en intensivering hebben de afgelopen decennia de Nederlandse landbouw internationaal groot gemaakt, maar de huidige problemen in de landbouw kunnen er niet mee opgelost worden. Ook minister P.Bukman van landbouw gaf vorige maand in deze krant toe dat 'we te lang zijn doorgegaan op een manier waarmee we groot geworden zijn'. Hij doelde op de bulkproduktie en het gemis aan kwaliteitsprodukten. Als voorbeeld gebruikte hij het Nederlandse varkensvlees dat voor drie gulden per kilo naar Italië gaat en als dure Parmaham terugkomt.

Rabo-topman H.Wijffels sprak begin deze maand ook over verouderde concepten. De zogenaamde 'Holland-formule' ('Käse aus Holland', 'Gemüse aus Holland') noemde hij een 'succes van het verleden, maar een handicap voor de toekomst'. “De ambachtelijkheid van producenten in andere landen, waar wij smalend naar keken, zo zei Wijffels in het blad Oogst, is een kracht geworden.” Voor efficiënt geproduceerd bulkvoedsel met een basiskwaliteit, waar de Nederlandse landbouw sterk in is, blijven volgens hem nog wel klanten bestaan, maar op een markt die steeds gedifferentieerder wordt, hebben kwaliteitsprodukten met specifieke kenmerken meer toekomst. De uniforme Hollandse fabriekskaas en tomaat hebben hun beste tijd gehad. “Het Holland-merk is waarschijnlijk definitief kapot”, aldus Wijffels.

Boeren en beleidmakers hebben volgens prof. Van der Ploeg niet doorgehad dat er een keerpunt gepasseerd is en dat de oude modellen niet meer werken. “Er heeft een sluipende omslag plaatsgevonden. De beste jongens uit de klas, de bedrijven die specialisatie en intensivering het verst hebben doorgevoerd, hebben het thans het moeilijkst. Bedrijven die gekenmerkt worden door diversiteit in plaats van specialisatie, weinig afhankelijk zijn van externe inputs en de 'kunst van het boeren' herontdekt hebben, kunnen veel beter tegen een stootje. De problemen die op de landbouw afkomen zoals milieu, overschotten, leegloop en afnemende leefbaarheid van het platteland en het verlies van afzetmarkten kunnen niet meer worden opgelost met schaalvergroting, specialisatie en intensivering.”

Van der Ploeg en zijn collega's hebben de laatste jaren veel onderzoek gedaan onder boeren. In veel streken onderzochten zij op basis van honderden diepte-interviews en duizenden enquêtes hoe boeren boeren. De meest opvallende conclusie was dat zij dat op vele, zeer verschillende manieren doen. In beleid en wetenschap werd uitgegaan van één type bedrijf als het levensvatbare. In werkelijkheid bleken er vele bedrijfsstijlen te bestaan met allemaal een eigen overlevingsstrategie.

Zo werden er in de Friese veehouderij zes bedrijfsstijlen onderscheiden. De intensieve boeren houden veel koeien per hectare, strooien veel kunstmest en kopen veel krachtvoer. Hun credo is: 'Stop er veel in, dan komt er veel uit'. Ze halen een hoge produktie per koe. Strengere milieu-eisen zien ze als een bedreiging. De fokkers of dubbeldoelers zijn hun tegenpool. Ze houden weinig koeien per hectare, strooien weinig kunstmest en hebben een veel lagere produktie per koe. Het gaat hen niet alleen om de melk, maar ook om goed jongvee en drachtige vaarzen voor de export. Koeieboeren streven wel naar veel melk per koe maar willen niet teveel koeien. Ze gaan dan 'boven hun macht melken' en kunnen niet genoeg aandacht besteden aan de verzorging van de individuele koe ('Een koe moet glanzen'), uitgekiende voedering en puik beheer van hun grasland. Koeieboeren zijn echte veeliefhebbers, die vakmanschap hoog in hun vaandel voeren. Grote of optimale boeren zijn gericht op expansie omdat ze denken dat alleen de grootste bedrijven zullen overleven. Het zijn echte agrarische ondernemers die veel gebruik maken van vreemd geld, subsidieregelingen en externe adviseurs. Ze kopen veel krachtvoer en vervangen koeien zodra ze te weinig melk geven. Deze boeren zitten meer achter de computer dan dat ze met een riek in de stal staan. Lange tijd stonden deze koploperbedrijven model voor waar het met de landbouw heen moest. Zuinige boeren hebben een tegengestelde strategie. Hun hele bedrijfsvoering is doortrokken van het drukken van de kosten. Ze strooien weinig kunstmest, kopen weinig krachtvoer en schaffen geen duur, hoogproduktief vee aan ('Die hebben sneller last van speenbetrapping en uierziektes. Dan moet de veearts weer komen.'). Uitbreiden doen ze stap voor stap en vooral op grond van eigen besparingen. Zuinige boeren halen niet zo'n hoge produktie per koe maar wel een hoog saldo vanwege het lage kostenniveau. Tot slot zijn er nog trekkerboeren of machineboeren. Ze zitten liever op een trekker dan onder een koe. Machines zijn hun lust en hun leven, sleutelen doen ze het liefste zelf. Veel melk per koe en veel gras per hectare vinden ze minder belangrijk dan mechanisatie. Bij hen draait alles om het volume, want dan pas wordt mechanisatie rendabel.

De bedrijfsstijlen kennen grote verschillen in milieudruk, toegevoegde waarde, mogelijkheden van kwaliteitsproduktie en expansiedrang. Intensieve en grote boeren slepen veel milieubelastende 'inputs' van elders aan (krachtvoer, kunstmest, bestrijdingsmiddelen) of maken zoveel gebruik van vreemd vermogen dat ze wel door moeten groeien. Zuinige boeren en koeieboeren bewandelen een andere weg. Ze zetten veel meer eigen arbeid in, verbouwen zelf het voer voor hun beesten, bouwen een 'vrij bedrijf' op dat stoelt op eigen grond, eigen vermogen en eigen arbeid. Ze leggen de nadruk niet op vergroting van het volume, maar op verlaging van de kosten.

Gezien de milieuproblemen, de landbouwoverschotten, de afnemende leefbaarheid van het platteland en de behoefte aan kwaliteitsprodukten omdat de binnenlandse en buitenlandse markt voor de traditionele bulkprodukten is ingezakt, zijn dat belangrijke verschillen voor de toekomst van de Nederlandse landbouw. Het tragische van de huidige ontwikkelingen in de landbouw is dat de bedrijven die eigenlijk de meeste toekomst hebben nu verdwijnen. Van der Ploeg: “De ironie wil dat de boeren die het schoonste produceren, door de milieumaatregelen de hardste klappen krijgen, terwijl de meest versmerende door mogen gaan. Zuinige boeren kunnen niet investeren in dure mestopslag en mestinjectie. Ze vinden het onrechtvaardig dat zij precies dezelfde maatregelen moeten nemen als de grote en intensieve boeren die het milieu veel zwaarder belasten. Op dit moment raken we de boeren kwijt die we straks het hardste nodig hebben voor een schone produktie, landschapsonderhoud, recreatievoorzieningen, nieuwe vormen van kwaliteitsproduktie en een verbreed plattelandsondernemerschap. We groeien toe naar een Russische situatie, waar ze nu de familiebedrijven terug willen die ze eerder om zeep geholpen hebben.”

Om de effecten van het landbouwbeleid voor de verschillende bedrijfsstijlen door te rekenen hebben drie Wageningse vakgroepen een toekomstverkenning uitgevoerd voor de Friese landbouw. De provincie Friesland, de Friese landbouworganisaties en de Friese Rabo-banken hadden daarom gevraagd en hebben de studie betaald.

Er zijn drie scenario's doorgerekend voor het jaar 2005: een beleidstrendscenario, een vrijhandelscenario en een diversiteitscenario. Het eerste scenario gaat uit van beleid dat in de pijplijn zit. De meest opvallende elementen in de waslijst van punten zijn: de milieunormen worden strenger, het melkquotum daalt met 10 procent, energie (en dus brandstof, kunstmest en landbouwplastic) wordt duurder, de technologische ontwikkeling gaat door. Het vrijhandelscenario gaat uit van beperkte vrijhandel en niet van volledige liberalisering. Er komt een A-quotum van 75 procent waarvoor een garantieprijs geldt en de vrij B-quotum waarvoor de wereldmarktprijs geldt. Daarnaast gelden er strengere milieunormen.

Het diversiteitscenario gaat ervan uit dat landbouw en natuur niet gescheiden maar verweven worden en boeren betaald krijgen voor natuurbeheer. Een ander element is het verbrede plattelandsondernemerschap, waarbij boeren een neveninkomen halen uit niet-agrarische activiteiten op of buiten hun eigen bedrijf. Voorbeelden daarvan zijn minicampings, landschapsonderhoud en kaas maken. Daarnaast passen ook vergroting van de toegevoegde waarde door kwaliteitsproduktie en herintegratie van agrarische activiteiten in de het diversiteitscenario.

De scenario's zijn niet opgesteld en doorgerekend door Van der Ploeg en de zijnen, maar door het Informatie- en Kenniscentrum (IKC) van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij en de vakgroep Agrarische Bedrijfseconomie van de Landbouwuniversiteit Wageningen. In het beleidstrendscenario en het vrijhandelscenario dalen de inkomens van de boeren fors. Maar er zijn opvallende verschillen tussen de bedrijfsstijlen. Zo houden in het vrijhandelscenario de zuinige boeren houden het meeste over en krijgen de grote, gespecialiseerde veehouderijen de zwaarste klappen. Eigenlijk zou je het omgekeerd verwachten. De grote en intensieve boeren dromen er immers van eindelijk 'onbeperkt te mogen gaan melken' en 'de lege plaatsen in hun stal te bezetten'. Het scenario gaat er echter vanuit dat boeren uitbreiden tot het milieukundig niet meer kan. Vooral deze boeren stuiten snel op de milieukundige grenzen.

Bij het diversiteitscenario zijn alle bedrijfsstijlen beter af dan bij de twee andere scenario's. Vooral de zuinige boeren en de koeieboeren profiteren ervan. Uit eerder onderzoek is gebleken dat zij het meest in zijn voor verweving van landbouw en natuurbeheer, kwaliteitsproduktie en verbreding van het plattelandsondernemerschap. “Die activiteiten passen niet in het beroepsprofiel van een trekkerboer of een intensieve boer. Een trekkerboer gaat niet 'op zijn knieën boeren' en een intensieve boer voelt weinig voor natuuronderhoud, kaasmaken of een minicamping, omdat hij altijd met melken alleen heeft kunnen redden”, aldus Van der Ploeg.

De drie scenario's leiden ook tot grote verschillen voor Friesland als geheel. De verschillen in het aantal bedrijven dat overblijft, de directe en indirecte werkgelegenheid, het totale inkomen dat gegenereerd wordt en het areaal dat in produktie blijft is, zijn groot. Ook hier komt het diversiteitscenario als het gunstigste uit de bus.

Her en der in Nederland zijn er al heel wat boeren overgeschakeld op een bedrijfsvoering die in het diversiteitscenario past. Zo zijn zelfkazende boeren in het Zuidhollandse veenweidegebied bezig met de ontwikkeling van een ambachtelijk geproduceerde, streekgebonden kwaliteitskaas: de veenweidekaas. Het moet een kaas worden die zijn smaak ontleent aan melk die alleen uit dit gebied kan komen. In de Gelderse Vallei zijn sommige boeren overgeschakeld op de produktie van kwaliteitsvlees. Ze hebben Franse vleeskoeien aangeschaft en mesten die vet met gras en hooi. Dat kost meer werk maar levert vlees op waar keurslagers graag meer voor betalen. Eén boer laat zijn runderen slachten en verkoopt de bouten zelf. Andere boeren halen een aanvullend inkomen uit een minicamping of zijn - net als Van Tilburg - overgeschakeld op ecologische landbouw. Maar de afzet van biologische produkten stagneert. Veel consumenten vinden ze te duur. Van Tilburg: “Als het principe 'de vervuiler betaalt' toegepast zou worden, zouden ze goedkoper zijn dan produkten uit de gangbare landbouw. De consument wil wel dat boeren schoner produceren, maar lopen weg als het meer kost.”

Ondanks een waaier aan initiatieven denkt Van der Ploeg dat realisatie van het diversiteitscenario veel moeite zal kosten. “Alle partijen: boeren, verwerkende industrieën, natuurbeschermingsorganisaties en overheden moeten ervoor kiezen. Dat vergt een institutioneel arrangement. Die zijn in en rond de landbouw moeilijk tot stand te brengen. Er zijn groepen boeren die daar aan werken bijvoorbeeld in de Friese Wouden, waar zij milieucoöperaties hebben opgericht. Bij de buitenwacht ondervinden ze veel sympathie en interesse, maar weinig concrete steun. Het landbouwbeleid wordt vanouds sterk centraal aangestuurd. Er moet binnen wettelijke kaders meer ruimte komen voor lokale zelfregulering. De overheid moet zich beperken tot doelen en geen middelen voorschrijven. In de Friese Wouden met zijn lange smalle kavels die omgeven zijn met boomsingels, zijn de boeren verplicht om mest te injecteren. Zowel de boomwortels als de machines gaan daarbij kapot. De boeren willen de ammoniak-emissie beperken en de boomsingels onderhouden, maar dan op een andere manier dan door mestinjectie. Het huidige generieke, voor elke boer geldende beleid geeft hen die ruimte niet. Het generieke beleid moet een stok achter de deur zijn voor als de boeren de doelen van het beleid niet halen.”

In Brussel en Den Haag begint het besef door de te dringen dat het anders moet. De EG stelt nu een nieuwe agenda op voor landbouwkundig onderzoek. 'Diversity as a challenge' is de voorlopige titel. Het idee erachter is dat Europa zijn regionale diversiteit meer moet uitbuiten ten opzichte van de Verenigde Staten.

In een recente bijdrage aan het tweede Nationaal Milieubeleidsplan, dat eind dit jaar moet verschijnen, erkent het ministerie van landbouw dat het generieke beleid gefaald heeft. Het ministerie wil zich gaan beperken tot het stellen van normen en erop toezien dat die gehaald worden. Hoe die gehaald worden is de verantwoordelijkheid van de boeren.

    • Henk Donkers