Bloed betaalde donor veel vaker besmet

AMSTERDAM, 26 NOV. Het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst van het Rode Kruis in Amsterdam voldoet bij de vervaardiging van bloedprodukten aan de strengste veiligheidseisen, zoals die op dit ogenblik in Europa en de Verenigde Staten zijn gesteld. Dat zei algemeen en wetenschappelijk directeur van het CLB, prof.dr. E.J. Ruitenberg vandaag bij de officiele opening van de nieuwbouw van de produktie-afdeling.

De nieuwe fabriek van het vijftig jaar bestaande CLB is verdeeld in twee afdelingen. In de eerste wordt met bloed gewerkt dat nog niet 'virus geïnactiveerd' is. In de tweede afdeling is die stap wel gezet. Het personeel kan niet gemakkelijk van de ene naar de andere afdeling, de luchtbehandeling is in beide ruimten volledig gescheiden, er zijn aparte systemen voor reinigings- en afvalvloeistoffen, verschillende circuits voor water, stoom en perslucht en het transport van bloedprodukten van het ene naar het andere laboratorium is zodanig ontworpen, dat besmetting is uitgesloten. In 1987 werd begonnen met plannen voor het veiliger maken van de bereiding, het verhogen van de doelmatigheid en de vergroting van de produktie. De nu opgeleverde nieuwbouw heeft zestig miljoen gulden gekost, waarvan globaal de helft is besteed aan apparatuur.

Volgens drs. J.R.M. van der Ham, die verantwoordelijk is voor de produktie-afdeling voldoet de donorwerving en bereidingswijze van bloedprodukten bij het CLB nu aan de scherpst denkbare veiligheidseisen. Zo wordt uitsluitend gewerkt met bloed van onbetaalde, vrijwillige donors. Uit onderzoek is gebleken dat bloed van betaalde donors acht maal zo vaak is besmet. Voorts worden in Nederland ongewenste donors ontmoedigd om bloed te geven (zoals homoseksuelen en spuitende druggebruikers) en worden bloeddonaties 'gescreend'. Door een systeem van vergaande automatisering kan tot laat in de produktie-fase worden nagegaan van wie het bloed afkomstig was.

De screening van donors leidt er toe dat er per jaar hooguit één besmette donatie plaats vindt. In zo'n geval - wanneer iemand naar later blijkt geen antistoffen toont, maar wel geïnfecteerd was - moet zo'n 2.000 liter plasma worden vernietigd.

Voordat bloed wordt gegeven wordt de donor onderzocht op infecties met hepatitis B en C, het aidsvirus (HIV) of syfillis. Uit die screening blijkt dat vorig jaar nog bij veertien donors een infectie met aids werd geconstateerd. Dat aantal loopt vergeleken met begin jaren tachtig nauwelijks terug. Dat geldt ook voor hepatitis B infecties, maar niet voor syfillis. Het aantal donors bij wie een infectie met syfillis werd gezien is sinds 1983 met een factor tien verminderd.

Nederland telt 700.000 donors, die bij 22 bloedbanken in het land doneren. De 950.000 donaties leveren 220.000 liter bloed op. De nieuwe produktie-afdeling van het CLB kan minimaal 250.000 bloed per jaar verwerken. Uit de totale hoeveelheid plasma wordt ongeveer 3,7 gram stollingsfactor acht gedestilleerd, waarmee ongeveer 1.100 hemofilie-patienten kunnen worden geholpen. Daarmee kan het CLB niet voorzien in de de hele behoefte van dat produkt. Tien tot 15 procent van de benodigde hoeveelheid moet worden geïmporteerd.